Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BL3676

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
11-02-2010
Zaaknummer
308670/ HA ZA 08-1424
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

erfdienstbaarheid (objecten hoger dan 1, 20 meter); opheffing; wijziging; verjaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel

Zaaknummer: 308670/ HA ZA 08-1424

uitspraak: 17 juni 2009

vonnis

in de zaak van

1. [eiser 1],

2. [eiser 2],

3. [eiser 3],

4. [eiser 4],

allen wonende te Capelle aan den IJssel,

eisers bij exploot van dagvaarding van 3 juni 2008,

verweerders in reconventie,

advocaat: mr. J.M. Peet,

tegen

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te Capelle aan den IJssel,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat: mr. P.H.Ch.M.van Swaaij.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eisers]” respectievelijk “[gedaagden]”.

Het verloop van het proces

[eisers] heeft, onder overlegging van stukken, -zakelijk weergegeven- gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank verklaart voor recht dat op het perceel van [gedaagden] een erfdienstbaarheid rust en dat [gedaagden] die erfdienstbaarheid dient na te

komen, met nevenvorderingen.

[gedaagden] heeft van antwoord geconcludeerd tot afwijzing van de vordering en heeft in reconventie gevorderd, om bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor

het geval zal komen vast te staan dat het op de erfdienstbaarheid gebaseerde vorderingsrecht van [eisers] niet is verjaard:

- primair: de erfdienstbaarheid op te heffen en

- (meer) subsidiair: de erfdienstbaarheid te wijzigen.

[eisers] heeft in conventie van repliek geconcludeerd en in reconventie van antwoord geconcludeerd.

[gedaagden] heeft in conventie van dupliek geconcludeerd en in reconventie van repliek geconcludeerd.

[eisers] heeft tenslotte in reconventie van dupliek geconcludeerd.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties staat tussen partijen - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende vast:

1. [eisers] woont aan de [adres] te Capelle aan den IJssel. Dit is een zijstraat van de [adres 2], alwaar [gedaagden] op nummer 240 woonachtig is.

2. Op het perceel van [gedaagden] rust een erfdienstbaarheid ten gunste van de percelen van [eisers], inhoudende dat op eerstgenoemd perceel “geen gebouwen, heiningen, of beplantingen (…) mogen worden gesticht of onderhouden die hooger zijn dan een meter en twintig centimeter”.

3. De gemeente, toenmalig eigenares van de heersende erven, heeft in 1972 aan Van Drunen, toenmalig eigenaar van het dienende erf, expliciet toestemming verleend tot de bouw van de huidige garage met een hoogte van 2.50 meter op zijn perceel. In dat jaar heeft ook de bouw van de garage plaatsgevonden.

4. Per brief van 10 juli 2003 heeft [eisers] [gedaagden] aangeschreven met het verzoek de erfdienstbaarheid na te leven. In de brief is [gedaagden] een termijn van één maand gegeven om de beplanting tot op de hoogte van 1.20 meter terug te snoeien. [gedaagden] heeft aan dat verzoek geen gehoor gegeven.

De beoordeling van het geschil

In conventie en reconventie

(i)

In de eerste plaats heeft [gedaagden] gesteld dat er geen sprake meer is van een erfdienstbaarheid ten laste van zijn perceel, aangezien ter gelegenheid van eerdere eigendomsovergangen in de desbetreffende koop- en leveringsakten niet, althans onvoldoende duidelijk, van het bestaan van de erfdienstbaarheid melding is gemaakt.

Deze stelling wordt door de rechtbank verworpen.

Een erfdienstbaarheid gaat slechts teniet, indien aan één of meer van de vereisten van

artikel 3:81 lid 2 is voldaan. Daarvan is in het door [gedaagden] genoemde geval geen sprake.

Van de toepasselijkheid van andere vereisten is in deze zaak niet gebleken.

Voorts heeft [eisers] in dit verband (in zijn conclusie van repliek in conventie onder 8 tot en met 11) met juistheid erop gewezen dat de erfdienstbaarheid slechts behoeft te worden opgenomen in de akte van het dienende erf en dat aan de wijze waarop de erfdienstbaarheid in deze akte is opgenomen geen gebrek kleeft.

(ii)

[gedaagden] heeft zich voorts verweerd met de stelling dat, zelfs indien zou moeten worden uitgegaan van het bestaan van een erfdienstbaarheid ten laste van het perceel van [gedaagden], deze geen betekenis meer heeft als gevolg van verjaring. Immers, sinds 1972 is sprake van een met de erfdienstbaarheid strijdige toestand, die wordt gevormd door de oprichting van de huidige garage met een hoogte van 2.50 meter en door de aanwezigheid van een tuin met heggen, bomen en struiken die ook op 2 juli 2003 al tenminste twintig jaar hoger waren dan 1.20 meter. Tegen deze met de erfdienstbaarheid strijdige toestand hebben de bewoners en hun rechtsvoorgangers zich niet verzet vanaf 1972 tot 10 juli 2003. Uitgaande van de dertig jaar lange verjaringstermijn, welke in gevolge het overgangsrecht nog een jaar van kracht bleef, zodat vanaf 1 januari 1993 de twintigjarige verjaringstermijn van het huidige BW geldt, moet ervan worden uitgegaan dat de rechtsvordering van [eisers] als beperkt gerechtigde tegen [gedaagden] teniet is gegaan door verjaring op 1 januari 1993, dus ruim vóór 10 juli 2003.

Dit verweer van [gedaagden] treft naar het oordeel van de rechtbank tenminste voor wat betreft de huidige garage doel.

In zoverre heeft [eisers] het beroep van [gedaagden] op verjaring vergeefs van de hand gewezen.

a.

[eisers] heeft niet betwist dat in 1972 een nieuwe gagage op het perceel van [gedaagden] is gebouwd, maar heeft aangevoerd dat de nieuwe garage geen inbreuk (heeft ge)maakt

op de erfdienstbaarheid van uitzicht, evenmin als de oude. De plaatsing van de nieuwe garage zou bovendien geen toereikende grondslag hebben geboden om opheffing van de inbreuk op de erfdienstbaarheid te vorderen.

De rechtbank volgt deze redenering niet.

Of inbreuk wordt gemaakt op een zakelijk recht hangt niet af van de door [eisers] bedoelde perceptie van de belanghebbenden, maar door een vergelijking van hoe de erfdienstbaarheid in de akte van vestiging is omschreven met de feitelijke situatie van het moment.

b.

Voorts heeft [eisers] aangevoerd dat “verjaring bij niet te goeder trouw”onder het oude recht niet bestond en heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat zijn rechtsvordering niet eerder dan per 1 januari 2012 een feit kan zijn.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagden] met juistheid erop gewezen dat [eisers] hierbij kennelijk heeft gerefereerd aan artikel 95 van de overgangswet NBW, maar dat die bepaling slechts betrekking heeft op bezit en houderschap. In deze zaak gaat het echter niet om de verkrijging van een zakelijk recht door bezit of houderschap, maar om de vraag op welke datum het tolereren van een inbreuk op een beperkt recht leidt tot het verlies daarvan. Dus van de door [eisers] gestelde verjaring per 1 januari 2012 is geen sprake.

c.

Op grond van de artikelen 3:306 en 3:314 lid 1 BW moet naar het oordeel van de rechtbank bij de onderhavige rechtsvordering tot opheffing van de onrechtmatige inbreuk op het beperkte recht van [eisers] worden uitgegaan van een verjaringstermijn van twintig jaar, die aanvangt op de dag volgende op de dag waarop onmiddellijke opheffing van die toestand kon worden gevorderd.

Dit oordeel berust op de navolgende grondslag.

Partijen verschillen niet van mening dat de inbreuk op een beperkt recht, zoals bedoeld in artikel 3:314 lid 1 BW, een continu karakter moet dragen.

[eisers] betwist echter het continue karakter van de onderhavige inbreuk.

Deze betwisting is terecht door [gedaagden] weerlegd.

De Parlementaire Geschiedenis wijst uit dat artikel 3:314 lid 1 BW niét van toepassing is in gevallen van hinder, die hun oorzaak vinden in niet continue maar in telkens terugkerende (incidentele) verschijnselen als rumoer, trillingen en stank, maar juist wél toepassing vindt indien het gaat om het onthouden van licht en lucht (MvA II, PG 3, p.929).

Voor wat betreft de in 1972 op het perceel van [gedaagden] gebouwde garage is niet tussen partijen in discussie dat deze twee meter en vijftig centimeter hoog is en dus aanzienlijk hoger dan de volgens de erfdienstbaarheid toegestane een meter en twintig centimeter.

Zodoende kan ervan worden uitgegaan dat de instandhouding van de garage in strijd met de erfdienstbaarheid van uitzicht een continu karakter heeft.

d.

Nu voorts vast staat dat [eisers] tussen 1972 en 2 juli 2003 geen bezwaar heeft aangetekend tegen de continu met de erfdienstbaarheid strijdige toestand, is, conform het overgangs-recht, voor wat betreft de huidige garage de rechtsvordering van [eisers] als beperkt gerechtigde tegen [gedaagden] per 1 januari 1993 door verjaring teniet gegaan.

De garage

Voor wat betreft de huidige garage kan dus de in reconventie door [gedaagden] -primair- gevorderde opheffing van de erfdienstbaarheid in het vooruitzicht worden gesteld.

Schutting, heggen, bomen en struiken

Ten aanzien van deze onderdelen wenst de rechtbank, alvorens te beslissen, nadere informatie in te winnen.

Tevens dienen de mogelijkheden van een vergelijk tussen partijen te worden verkend.

Daartoe acht de rechtbank een bezichtiging ter plaatse en vervolgens een bespreking met alle betrokkenen van belang.

Partijen wordt verzocht om daartoe de nodige voorzieningen te treffen, in het bijzonder door een voor de bespreking en de notulering daarvan geschikte ruimte ter beschikking te stellen.

Elke verdere beslissing

Wordt aangehouden.

De beslissing

De rechtbank:

in conventie en reconventie

gelast een descente op woensdag 15 juli 2009 om 15.45 uur;

verzoekt partijen daartoe de nodige voorzieningen te treffen;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R.A. Verwoerd en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1310