Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BL2152

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-04-2009
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
AWB 08/2645
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd vanwege zeer ernstig plichtsverzuim.

Een ambtsedig proces-verbaal vermeldt als ondertekenaars: vier politieambtenaren, waaronder eiser. Twee van hen en eiser hebben bij hun eigen naam getekend en eiser heeft tevens een paraaf gesteld op de plaats waar een afwezige collega had moeten ondertekenen. Niet in geschil is dat de door eiser gezette paraaf zijn eigen paraaf is en dat geen poging is ondernomen om deze te laten lijken op de paraaf of handtekening van de afwezige collega.

Door het plaatsen van de paraaf wordt voor diegenen die kennis nemen van het proces-verbaal, de suggestie gewekt dat de afwezige collega akkoord is gegaan met de inhoud van het proces-verbaal. Gelet op de bijzondere bewijskracht van een proces-verbaal heeft verweerder eiser deze handelswijze mogen verwijten en de gedraging als zeer ernstig plichtsverzuim kunnen kwalificeren.

Onbegrijpelijke strafmotivering. Het uitgangspunt van verweerder dat in beginsel onvoorwaardelijk strafontslag op zijn plaats is doet niet af aan de mogelijkheid om, indien de omstandig¬heden daartoe aanleiding geven, deze sanctie voorwaardelijk op te leggen.

Beroep gegrond met instandlating van de rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/2645

Uitspraak in het geding tussen

Eiser, wonende te Barendrecht,

gemachtigde mr. N.D. Dane, advocaat te Woerden

en

de korpsbeheerder van de politieregio , verweerder,

gemachtigde mr. .

I Ontstaan en loop van de procedure

1.1 Bij brief van 20 juli 2007 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om hem de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag op te leggen. Eiser heeft op de hoorzitting van de hoor- en verantwoordingscommissie van 27 augustus 2007 zijn zienswijze op dit voornemen kenbaar gemaakt.

1.2 Bij besluit van 29 oktober 2007 heeft verweerder eiser de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd. Tegen dit besluit (hierna: het ontslagbesluit) heeft eiser bij brief van 7 december 2007 bezwaar gemaakt.

2.1 Op 10 maart 2008 is eiser door de bezwaarschriftencommissie rechtspositionele besluiten (hierna: de commissie) gehoord, waarna die commissie op diezelfde dag verweerder heeft geadviseerd het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een nader te bepalen straf op te leggen, onder de constatering dat - rekening houdend met de door verweerder vermelde omstandigheden in relatie tot het doel van de straf - de opgelegde straf van voorwaardelijk disciplinair ontslag niet passend te achten is.

2.2 Bij besluit van 3 juni 2007 heeft verweerder - contrair aan het advies van de commissie - het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser op 2 juli 2008 beroep ingesteld.

3.1 Verweerder heeft op 9 januari 2009 een verweerschrift ingediend.

3.2 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2009. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

II Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 76 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) kan de ambtenaar disciplinair worden gestraft indien hij de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt. Ingevolge het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

1.2 Ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp is één van de straffen die kunnen worden opgelegd, ontslag.

1.3 Ingevolge artikel 78, eerste lid, van het Barp kan bij het opleggen van een straf worden bepaald dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan de bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.

2 Op 5 mei 2007 is een ambtsedig proces-verbaal opgemaakt onder nummer 2007156031 2. Dit proces-verbaal vermeldt als ondertekenaars: en , allen politieambtenaar. Bij alle namen is een ondertekening geplaatst. Vaststaat dat en eiser bij hun eigen naam hebben getekend en dat eiser tevens een paraaf heeft gesteld op de plaats waar had moeten ondertekenen. Niet in geschil is dat de door eiser gezette paraaf zijn eigen paraaf is en dat geen poging is ondernomen om deze te laten lijken op de paraaf of handtekening van .

3.1 Verweerder stelt zich samengevat en zakelijk weergegeven op het standpunt dat eiser zich met het plaatsen van de paraaf schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim, dat anders dan de commissie meent in beginsel onvoorwaardelijk strafontslag rechtvaardigt. Eiser heeft het willen doen voorkomen dat de inhoud van het proces-verbaal (mede) voor haar rekening heeft genomen. De feiten en omstandig¬heden waaronder het plichtsverzuim is gepleegd, de staat van dienst van eiser en het feit dat er nog wel vertrouwen in eiser bestaat, geven echter aanleiding eiser een laatste kans te geven en het strafontslag voorwaardelijk op te leggen.

3.2 Eiser bestrijdt dat hij met het plaatsen van een paraaf op het desbetreffende proces-verbaal de suggestie heeft willen wekken dat de inhoud daarvan mede voor rekening van is gekomen. Eiser heeft in een werksituatie waarbij te weinig personeel voor te veel werkzaamheden werd ingezet en derhalve een onevenredige werkdruk ontstond, een handeling verricht waarvan hij meende dat hij deze kon verrichten om ‘de vaart’ erin te houden. Verweerder is voorbijgegaan aan de feiten en omstandigheden waaronder eiser tot zijn daad is gekomen. Waar de commissie het handelen van eiser heeft geplaatst in de context van het feit dat verweerder te kennen heeft gegeven nadrukkelijk niet te twijfelen aan de integriteit van eiser, eiser in alle openheid tot de verweten gedraging is gekomen, de inhoud van het proces-verbaal niet is gewijzigd, eiser volledig doordrongen en bewust is van de onaanvaardbaarheid van de hem verweten gedraging en zijn misstap op zichzelf staat en als eenmalig dient te worden gekenschetst, is verweerder aan deze omstandigheden ten onrechte voorbijgegaan. Eiser betoogt dat het bestreden besluit een toereikende grondslag ontbeert en dat dit derhalve wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven. Voorts is het besluit genomen in strijd met artikel 3:4 van de Awb.

4 De rechtbank oordeelt als volgt.

4.1 Door het plaatsen van de paraaf wordt voor diegenen die kennis nemen van het proces-verbaal, de suggestie gewekt dat akkoord is gegaan met de inhoud van het proces-verbaal. Gelet op de bijzondere bewijskracht van een proces-verbaal heeft verweerder eiser deze handelswijze mogen verwijten en de gedraging als zeer ernstig plichtsverzuim kunnen kwalificeren. Bij dit oordeel is in aanmerking genomen dat sprake is geweest van het bewust plaatsen van een paraaf bij de naam van een collega en het geen kennelijke verschrijving of vergissing betreft. Dat eiser in alle openheid, in bijzijn van collega’s, onder wie een leiding¬gevende, en onder tijdsdruk heeft gehandeld, doet niet af aan het feit dat hij iets heeft gedaan dat een goed ambtenaar ook in die omstandig¬heden behoort na te laten.

4.2 Eiser heeft de toerekenbaarheid van het hem verweten plichtsverzuim niet betwist. Gelet hierop, en gelet op het geconstateerde plichtsverzuim, was verweerder bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire maatregel.

4.3.1 De recht¬bank is van oordeel dat de strafmotivering in het bestreden besluit onbegrijpelijk is. Met name de bespiegelingen over welk signaal (kennelijk: in het algemeen) wordt afgegeven met de oplegging van een voorwaardelijke straf zijn niet te volgen, evenmin als de conclusie dat dit bij een voorwaardelijk strafontslag anders is. Bovendien staan deze bespiegelingen met name die over het vertrouwen in de bestrafte ambtenaar in schril contrast met het door verweerder in eiser uitgesproken vertrouwen.

4.3.2 Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb.

4.4 Ter zitting heeft verweerder een nadere toelichting gegeven bij de keuze voor het voorwaardelijk strafontslag. De recht¬bank begrijpt deze toelichting aldus, dat zij strekt ter vervanging van de in het bestreden besluit neergelegde toelichting. In het belang van finale geschilbeslechting zal de recht¬bank onderzoeken of deze toelichting als motivering het bestreden besluit zou kunnen dragen. Indien zulks het geval is, bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid,van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

4.4.1 Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de wijziging met betrekking tot het benoemen van eisers gedraging in die zin dat hem niet langer wordt verweten zaken opzettelijk anders te doen voorkomen, voor verweerder geen aanleiding was om een andere - lagere - sanctie aan eiser op te leggen. Het plaatsen van een paraaf onder een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal bij de naam van een collega levert volgens verweerder per definitie zeer ernstig plichtsverzuim op waarbij in beginsel onvoorwaardelijk strafontslag een passende sanctie is. Gelet evenwel op de omstandigheden dat het incident op zichzelf staat en geen ernstige twijfel heeft opgeroepen aan de betrouwbaarheid van eiser of aan andere aspecten van zijn geschiktheid voor de politiedienst, en daarnaast dat eiser slechts de bedoeling heeft gehad om een formeel gebrek te repareren en de gedraging in alle openheid heeft plaatsgevonden zonder dat de inhoud van het proces-verbaal is gewijzigd, heeft verweerder ervoor gekozen eiser de sanctie van voorwaardelijk strafontslag met een proeftijd op te leggen. Met het opleggen van deze straf heeft verweerder naar buiten en naar het hele politiekorps willen uitstralen dat het gedrag van eiser onacceptabel is doch dat, gelet op de geschetste omstandigheden eiser, een laatste kans is geboden op behoud van zijn dienstverband. Wel is gekozen voor de maximale proeftijd.

4.4.2 De recht¬bank stelt voorop dat het opmaken van processen-verbaal tot de kerntaken van een politieambtenaar behoort en dat, gezien de bijzondere bewijskracht die aan een proces-verbaal toekomt, het onjuist opmaken ervan een zwaar vergrijp is. Dat geldt niet alleen wanneer de onjuistheid niet is gelegen in de weergave van de feiten die in het proces-verbaal worden beschreven, maar ook wanneer de onjuistheid is gelegen in de ondertekening van het proces-verbaal. Immers, eerst door de ondertekening van het proces-verbaal door de daartoe bevoegde ambtenaren verkrijgt het document zijn status als proces-verbaal. Daarom moet er in het rechtsverkeer onvoorwaardelijk op kunnen worden vertrouwd dat de ondertekening juist is; met de ondertekening geven de ondertekenaars immers aan de inhoud van het proces-verbaal voor hun rekening te nemen en tevens dat zij bevoegd zijn het proces-verbaal op ambtseed of belofte op te maken. Derhalve is het uitgangspunt van verweerder dat in beginsel onvoorwaardelijk strafontslag op zijn plaats is, juist.

Dit uitgangspunt doet evenwel niet af aan de mogelijkheid om, indien de omstandig¬heden daartoe aanleiding geven, deze sanctie voorwaardelijk op te leggen. In de omstandig¬heden dat eiser van meet af aan zaken niet anders heeft doen voorkomen dan ze zijn, hij zijn paraaf in alle openheid heeft gezet teneinde een formeel gebrek te repareren om de voortgang van de zaak niet te belemmeren, de inhoud van het proces-verbaal niet is gewijzigd, eiser een lange en goede staat van dienst heeft en nog immer het vertrouwen van de korpsleiding geniet, kan aanleiding worden gezien het strafontslag voorwaardelijk op te leggen en daaraan een proeftijd te verbinden.

Hoewel het standpunt dat twee jaar de maximale proeftijd is, onjuist is artikel 78, eerste lid, van het Barp vermeldt eenvoudigweg geen maximum , doet dit er niet aan af dat een substantiële proeftijd gerechtvaardigd wordt door de ernst van het feit.

4.4.3 Eisers stellingen dat hij niet de ‘stok achter de deur’ van een voorwaardelijk ontslag nodig heeft en dat verweerder zulks ook heeft erkend door het uitspreken van het vertrouwen in eiser, laat de recht¬bank verder onbesproken, nu deze de ter zitting gegeven motivering niet aantasten en deze diende ter vervanging van de motivering in het bestreden besluit.

4.4.4 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de ter zitting gegeven motivering het bestreden besluit zou kunnen dragen. Hierin ziet de recht¬bank aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

4.5 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het door eiser betaalde griffierecht te worden vergoed en ziet de recht¬bank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken voor de behandeling van zijn beroep. Deze kosten zijn, overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, vastgesteld op € 644, (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 322, per punt en wegingsfactor 1).

Voor vergoeding van de proces¬kosten in bezwaar bestaat geen aanleiding, nu het ontslagbesluit niet is herroepen.

III Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit;

3 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

4 bepaalt dat de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond aan eiser het betaalde griffierecht van € 145,-- vergoedt;

5 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,-- en wijst de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan door mr. H. van den Heuvel, voorzitter, mr. E.A. Poppe - Gielesen en

mr. J. van den Bos, leden, in tegenwoordigheid van mr. G. Buijtenhek, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 17 april 2009.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA te Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: