Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BL1882

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-12-2009
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
335393 / HA ZA 09-2031
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koop woning. Verkopers zijn erfgenamen woonachtig in Letland, bij de koopovereenkomst vertegenwoordigd door een gemachtigde. Koper stelt te hebben gedwaald ten aanzien van persoon van zijn wederpartij. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 335393 / HA ZA 09-2031

Uitspraak: 23 december 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [eiser 1],

2. [eiser 2],

3. [eiser 3],

allen wonende te Riga, Letland,

eisers,

advocaat mr. B. Korvemaker,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. A.C. Hansen.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eisers]" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 24 juli 2009 met producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 28 oktober 2009, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- brieven met bijlagen d.d. 12 november 2009 en 1 december 2009 van mr. Korvemaker;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 4 december 2009.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1 [eisers] zijn de wettelijke erfgename[X], overleden op 22 november 2008 (hierna: [X]). Zij was op haar beurt enig erfgename van [Y], overleden op 2 juli 2008 (hierna: [Y]).

2.2 In de nalatenschap van [X] en [Y] bevindt zich onder meer een woning gelegen aan de [adres] te Leeuwarden (hierna: de woning).

2.3 [eisers] hebben de heer [gevolm[gevolmachtigd] (hierna: [gevolmachtigd]) gevolmachtigd om de nalatenschap van Rudkosvka en [Y] af te wikkelen.

2.4 Door tussenkomst van de heer [Z] is met betrekking tot de woning in februari 2009 een koopovereenkomst tot stand gekomen. De koopakte vermeldt [gevolmachtigd] als verkoper en [gedaagde] als koper. De overeengekomen koopprijs bedraagt € 245.000,=. Voor zover relevant luidt de koopovereenkomst voor het overige als volgt:

“artikel 10 ingebrekestelling, ontbinding

[…]

10.2 […] Bij ontbinding van de overeenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van 10% van de koopsom verbeuren, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en vergoeding van kosten en verhaal.

[…]

artikel 18 Schriftelijke vastlegging

[…]

18.2 De partij die deze akte als eerste ondertekent, doet dit onder voorbehoud dat hij uiterlijk op de eenentwintigste werkdag nadat hij de akte ondertekend heeft (een kopie van) de door beide partijen ondertekende akte heeft ontvangen. Indien de eerste ondertekenaar niet tijdig (een kopie van) de door beide partijen ondertekende akte heeft ontvangen, heeft hij het recht zich op het voorbehoud te beroepen, waardoor hij niet (meer) gebonden is. Dit recht vervalt als daar niet uiterlijk op de tweede werkdag nadat alsnog (een kopie van) de door beide partijen ondertekende akte is ontvangen, gebruik van is gemaakt.

[…]

Artikel 20

Bijzondere bepaling

Het is partijen bekend dat verkoper inzake deze verkoop namens de erven van de heer [Y] […] zal optreden. Verkoper verklaart hiertoe op rechtsgeldige wijze te zijn gemachtigd door de feitelijke rechthebbenden.”

2.5 [gedaagde] heeft deze koopovereenkomst – als eerste – op 16 februari 2009 ondertekend. Op dat moment had hij kennis van de notariële verklaring van erfrecht ten aanzien van het overlijden van [Y], waarin [X] als enige erfgename wordt aangewezen.

2.6 Op 6 maart 2009 is een notariële verklaring van erfrecht opgemaakt ten aanzien van het overlijden van [X].

2.7 [gedaagde] heeft de woning niet afgenomen. [eisers] hebben de koopovereenkomst per 1 juli 2009 ontbonden een aanspraak gemaakt op de in artikel 10 neergelegde boete.

3 De vordering

De vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 24.500,= met rente en kosten. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten hebben [eisers] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [gedaagde] is in gebreke gebleven met zijn verplichting aan de levering van de woning mee te werken. [eisers] hadden aldus het recht de overeenkomst te ontbinden.

3.2 Gelet op de tekortkoming van [gedaagde] hebben [eisers] tevens aanspraak op de overeengekomen boete.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eisers] in de kosten van het geding. [gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst wist [gedaagde] niet dat [X] inmiddels ook was overleden. Hij ging aldus uit van de onjuiste situatie dat [X] zijn wederpartij was. Zou hij van de juiste stand van zaken hebben geweten, dan zou hij de overeenkomst nooit hebben gesloten. Aldus komt hem een beroep op dwaling toe.

4.2 [gedaagde] heeft de door beide partijen getekende koopakte pas gekregen op 7 mei 2009. Dat is ruimschoots buiten de termijn van 21 dagen als bedoeld in artikel 18 van de koopakte. [gedaagde] heeft zich bij brief van 9 mei 2009 op het voorbehoud van die bepaling beroepen. Hij is dus hoe dan ook aan de overeenkomst niet gebonden.

4.3 Nu [gedaagde] de door beide partijen ondertekende koopakte pas bij brief van 7 mei 2009 heeft ontvangen, hebben [eisers] niet voldaan aan hun verplichting die koopakte tijdig ter beschikking te stellen. Zij verkeerden dus in schuldeisersverzuim.

4.4 Ten slotte bestaat aanleiding een eventuele boete te matigen.

5 De beoordeling

5.1 Partijen hebben debat gevoerd over de vraag of [eisers] bevoegdelijk door [gevolmachtigd] zijn vertegenwoordigd. Ter voorbereiding op de comparitie van partijen hebben [eisers] de in 2.5 en 2.6 bedoelde verklaringen van erfrecht in het geding gebracht, met inbegrip van de daarbij behorende volmachten. Op grond van die stukken heeft [gedaagde] ter comparitie zijn aanvankelijke standpunt inzake onbevoegde vertegenwoordiging laten varen. Aldus moet als vaststaand worden aangenomen dat [eisers] bij gelegenheid van de koopovereenkomst bevoegdelijk door [gevolmachtigd] zijn vertegenwoordigd. De overeenkomst is dus gesloten tussen [eisers] als verkopers en [gedaagde] als koper.

5.2 Als meest verstrekkende verweer heeft [gedaagde] zich op dwaling beroepen. De rechtbank begrijpt dit verweer aldus dat [gedaagde] de vernietiging van de overeenkomst inroept, zodat de rechtsgrond aan de vordering komt te ontvallen. Ter onderbouwing van het beroep op dwaling heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst niet op de hoogte was van het overlijden van [X]. Ook heeft hij gesteld dat hij de overeenkomst niet zou hebben gesloten als hij zou hebben geweten dat in werkelijkheid [eisers] de verkopers waren. In dat verband heeft hij onder meer gewezen op de woonplaats van [eisers] en de complicaties die dat zou hebben gegeven als omtrent de koop van de woning een geschil zou zijn ontstaan. [eisers] hebben de dwaling aan de zijde van [gedaagde] gemotiveerd betwist. De rechtbank overweegt als volgt.

5.3 Voor een geslaagd beroep op dwaling is allereerst vereist dat de desbetreffende partij bij het totstandkomen van de overeenkomst is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken. Daarvan is volgens [gedaagde] sprake, omdat hij ervan uitging dat [X] zijn wederpartij was terwijl in werkelijkheid [eisers] als verkopers optraden. [gedaagde] heeft dus – in zijn visie – gedwaald ten aanzien van de persoon van zijn wederpartij. Vast staat dat ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst door [gedaagde] slechts de verklaring van erfrecht ten aanzien van [Y] beschikbaar (en bij [gedaagde] bekend) was. De verklaring van erfrecht ten aanzien van [X] is pas opgesteld na de totstandkoming van de overeenkomst. Vast staat ook dat de koopakte slechts verwijst naar de erven van [Y] en niet mede naar de erven van [X]. Uit de verklaringen van erfrecht noch uit de koopakte kan dus worden afgeleid of [gedaagde] ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst een juiste voorstelling van zaken heeft gehad. [eisers] hebben evenwel betwist dat [gedaagde] van een onjuiste voorstelling van zaken is uitgegaan, zo leidt de rechtbank af uit hun stelling dat [gevolmachtigd] bij gelegenheid van de bezichtiging van de woning door [gedaagde] het overlijden van [X] wel degelijk heeft genoemd.

5.4 Aldus staat bij de huidige stand van zaken nog niet vast dat [gedaagde] daadwerkelijk van een onjuiste voorstelling van zaken is uitgegaan. De bewijslast ter zake rust op [gedaagde]. Hij beroept zich immers op het rechtsgevolg van de gestelde onjuiste voorstelling van zaken, te weten vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling. De rechtbank zal hem dan ook toelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst niet op de hoogte was van de erfopvolging door [eisers]

5.5 In rechte te honoreren dwaling vergt voorts dat de dwalende bij een juiste voorstelling van zaken de onderhavige overeenkomst niet zou hebben gesloten. [gedaagde] heeft gesteld dat dit causaal verband aanwezig is. [eisers] hebben ter comparitie verklaard de geloofwaardigheid van het betoog van [gedaagde] op dit punt in twijfel te trekken. Ter onderbouwing hebben zij aangevoerd dat [gedaagde] weliswaar heeft gesteld dat hem het overlijden van [X] pas bleek uit de verklaring van erfrecht gevoegd bij de brief van 7 mei 2009, terwijl bij die brief de verklaring van erfrecht niet was gevoegd. De rechtbank begrijpt dit als een betwisting van het door [gedaagde] gestelde causaal verband tussen dwaling en overeenkomst. Dat causaal verband staat dus nog niet vast. Uit het enkele feit dat [eisers] in het buitenland woonachtig zijn, kan niet worden afgeleid dat dit aspect voor [gedaagde] van (wezenlijk) belang is geweest. Zou dat wel zo zijn geweest dan zou voor de hand gelegen hebben dat hij op dit punt vragen zou hebben gesteld omtrent de woon- en verblijfplaats van [X], nu immers uit de hem bekende verklaring van erfrecht met betrekking tot [Y] al blijkt dat zij afkomstig is uit Letland. De rechtbank zal [gedaagde] dan ook toelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat hij bij een juiste voorstelling van zaken de onderhavige overeenkomst niet zou hebben gesloten.

5.6 Slaagt [gedaagde] in beide bewijsopdrachten, dan geldt het volgende. De rechtbank begrijpt het standpunt van [gedaagde] aldus dat hij zich beroept op de vernietigingsgrond van artikel 6:228 lid 1 onder b BW, te weten schending van een mededelingsplicht van de wederpartij. Dat standpunt is juist. In het algemeen heeft te gelden dat een gevolmachtigde ermee rekening behoort te houden dat kennis omtrent de persoon van zijn volmachtgever voor de andere partij van belang is voor het al dan niet aangaan van de(ze) overeenkomst. Van een gevolmachtigde mag dus worden verwacht dat hij de wederpartij hieromtrent informeert. Dat geldt te meer in een situatie waarin te verwachten valt dat die wederpartij van een onjuiste voorstelling van zaken uitgaat. Een dergelijke situatie doet zich hier voor, nu immers de verklaring van erfrecht ten aanzien van [X] nog niet beschikbaar was en de koopakte slechts verwijst naar [Y]. Daarbij komt nog dat [gevolmachtigd] – als degene belast met de afwikkeling van de nalatenschappen van [Y] en [X] – bij uitstek op de hoogte was van de juiste stand van zaken. Op [gevolmachtigd] – als gevolmachtigde van [eisers] – rustte dus de plicht [gedaagde] te informeren omtrent het overlijden van [X]. Anders dan [eisers] ter comparitie hebben betoogd, is bij de hier weergegeven stand van zaken niet van belang dat [gedaagde] de dwaling wellicht had kunnen voorkomen door zelf nadrukkelijker na te gaan wie de erven precies waren. Volgens vaste rechtspraak prevaleert immers in beginsel een mededelingsplicht van de ene partij boven een onderzoeksplicht van de andere partij, waarbij van belang is dat dit uitgangspunt mede strekt ter bescherming van een onvoorzichtige wederpartij. Een en ander betekent dat – in het geval [gedaagde] slaagt in zijn bewijsopdrachten – het beroep op dwaling slaagt. In dat geval komt de overeenkomst voor vernietiging in aanmerking en zal de vordering worden afgewezen.

5.7 Slaagt [gedaagde] niet in (één van) de hiervoor bedoelde bewijsopdrachten, dan kan niet worden vastgesteld dat hij van een onjuiste voorstelling van zaken is uitgegaan. In dat geval faalt zijn beroep op dwaling. Gevolg daarvan is dat de overeenkomst geldig is. De rechtbank overweegt voor dat geval als volgt.

5.8 Bij wijze van verweer tegen de vordering heeft [gedaagde] verder een beroep gedaan op artikel 18 van de overeenkomst. Hij heeft daartoe gesteld dat hij een door beide partijen ondertekende versie van de overeenkomst pas bij brief van 7 mei 2009 heeft ontvangen, dat wil zeggen ruimschoots na de 21ste dag na ondertekening, waarna hij zich bij brief van 9 mei 2009 op het voorbehoud van artikel 18 heeft beroepen. Aldus meent [gedaagde] niet meer aan de overeenkomst te zijn gebonden. Rutkovskis c.s. hebben de lezing van [gedaagde] weersproken. Zij hebben gesteld dat [gedaagde] de door beide partijen ondertekende koopakte al op 26 februari 2009 uit handen van Narain heeft ontvangen, zodat hem een beroep op artikel 18 niet toekomt.

5.9 Aldus staat nog niet vast wanneer [gedaagde] de door beide partijen ondertekende koopakte heeft ontvangen, welke vaststelling van belang is voor het antwoord op de vraag of [gedaagde] zich op 9 mei 2009 nog op artikel 18 kon beroepen. De bewijslast ter zake rust op [gedaagde]. Hij beroept zich immers op de rechtsgevolgen van zijn stelling, te weten het niet langer gebonden zijn aan de overeenkomst. De rechtbank zal [gedaagde] toelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij de door beide partijen ondertekende koopakte niet eerder dan bij brief van 7 mei 2009 heeft ontvangen. Om proceseconomische reden kan deze bewijsvoering gelijktijdig plaatsvinden met de hiervoor bedoelde bewijsvoering.

5.10 Slaagt [gedaagde] in deze bewijsopdracht, dan moet worden geoordeeld dat hem op 9 mei 2009 nog een beroep op artikel 18 toekwam. Als gevolg van dat beroep is hij niet langer aan de overeenkomst gebonden. Dat betekent dat hij in dat geval ook niet gehouden is de uit die overeenkomst voortvloeiende boete te voldoen. Slaagt [gedaagde] niet in de hier bedoelde bewijsopdracht, dan geldt het volgende.

5.11 Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] niet heeft meegewerkt aan de levering van de woning en dat hij aldus met de nakoming van de overeenkomst in gebreke is gebleven. Evenmin staat – in het hier bedoelde geval – ter discussie dat [eisers] de overeenkomst per 1 juli 2009 rechtsgeldig hebben ontbonden. De in dat verband gevorderde verklaring voor recht kan dus worden toegewezen. In het hier bedoelde geval is ook geen punt van discussie dat [eisers] in beginsel aanspraak hebben op de contractuele boete van € 24.500,=. Ook die vordering is dus in beginsel toewijsbaar.

5.12 [gedaagde] heeft als verweer nog een beroep op matiging van de boete gedaan. In dat verband heeft hij gewezen op de verwarring rond de partijaanduiding. Verder heeft hij gesteld dat [eisers] na ondertekening van de koopakte hebben stil gezeten. Deze omstandigheden zijn onvoldoende om tot matiging over te gaan. Voor matiging kan slechts aanleiding bestaan indien de billijkheid zulks klaarblijkelijk eist (artikel 6:94 lid 1 BW). Vragen omtrent de partijaanduiding staan op zichzelf los van de omvang van een verschuldigde boete. Zou voorts komen vast te staan dat [eisers] enige tijd hebben getreuzeld – hetgeen zij overigens ter comparitie hebben betwist – dan nog is dat onvoldoende voor matiging. Dat zou misschien anders zijn indien de omvang van de boete van het tijdsverloop afhankelijk is, maar dat is niet aan de orde. Ten slotte wijst de rechtbank op de (onbetwiste) stelling van [eisers] ter comparitie dat de woning nog altijd niet is verkocht, zodat hun schade als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] voortduurt. Dat [eisers] mogelijk hun schade enigszins zouden kunnen beperken door tijdelijke verhuur van de woning, is – daargelaten de daartegen ter comparitie ingebrachte bezwaren – onvoldoende concreet om matiging van de boete te rechtvaardigen. Gelet op dit alles bestaat geen grond tot matiging over te gaan.

5.13 [gedaagde] heeft nog gesteld dat [eisers] in schuldeisersverzuim verkeerden, nu zij hem niet tijdig een door beide partijen ondertekende koopakte hebben doen toekomen. Dit verweer is niet relevant voor de beoordeling van de vordering. Vast staat dat [gedaagde] in elk geval op 7 mei 2009 alsnog de beschikking kreeg over een door beide partijen ondertekende koopakte. Eventueel schuldeisersverzuim is in elk geval op dat moment geëindigd. De vorderingen hebben alle betrekking op verzuim van [gedaagde] dat (pas) daarna is ontstaan.

5.14 In afwachting van de hierboven bedoelde bewijsvoering zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.

6 De beslissing

De rechtbank,

laat [gedaagde] toe tot het bewijs van

1. zijn stelling dat hij ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst niet op de hoogte was van de erfopvolging door [eisers];

2. zijn stelling dat hij bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet zou hebben gesloten;

3. zijn stelling dat hij de door beide partijen ondertekende koopakte niet eerder dan bij brief van 7 mei 2009 heeft ontvangen;

bepaalt dat indien [gedaagde] dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. Th. Veling;

bepaalt dat de advocaat van [gedaagde] binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in de maanden februari tot en met april 2010 en dat de advocaat van [eisers] binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling.

Uitgesproken in het openbaar.

1980/204