Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BL1879

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
332251 / FT RK 09-415 en 04/118 F
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 67 en 69 Fw; hoger beroep; het verzoek is gedaan vanuit persoonlijk belang en niet vanuit schuldeisersbelang; bekrachtiging beschikking onder verbetering van gronden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2010, 16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rekestnummer: 332251 / FT RK 09-415

Insolventienummer: 04/118 F

Uitspraak: 18 september 2009

Beschikking van de meervoudige kamer op het hoger beroep van:

[appellant],

wonende te Rotterdam,

appellant,

advocaat: mr. drs. M. Vissers,

tegen de beschikking van de rechter-commissaris mr. W.E. Merens, hierna te noemen: “de rechter-commissaris”, van 14 mei 2009 in het faillissement van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHAAPBRUINVANVLIET C.S. B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

curator: mr. J.R. Maas.

Appellant wordt hierna aangeduid als “[appellant]”, SchaapBruinVanVliet c.s. B.V. als “SBV” en mr. J.R. Maas als “de curator”.

1 Het verloop van de procedure

1.1 De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

- het beroepschrift van 18 mei 2009, met bijlage;

- het aanvullend beroepschrift van 22 juni 2009, met bijlagen;

- de brief van de curator van 17 augustus 2009, met bijlagen;

- de door de curator bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het hoger beroep overgelegde pleitnota.

1.2 De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2009. Op de zitting zijn verschenen [appellant], mr. Vissers en de curator. Schaap, mr. Vissers en de curator hebben hun standpunten nader toegelicht.

1.3 De rechtbank heeft de uitspraak van deze beschikking nader bepaald op heden.

2 De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:

2.1 Bij vonnis van 24 februari 2004 van deze rechtbank is SBV in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. A.B.H.M. van Thiel als rechter-commissaris en met aanstelling van mr. J.G. Princen als curator. Bij beschikkingen van 6 oktober 2006 en 21 juni 2007 zijn de rechter-commis¬saris respectievelijk de curator als zodanig benoemd.

2.2 Mr. Princen heeft in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van SBV in september 2006 een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Amsterdam tegen mevrouw N.B. Brink-Vleeschdrager, Anrodata N.V. en Businessrisks.net B.V. (hierna: “Brink c.s.”). In deze procedure vorderde mr. Princen q.q. een schadevergoeding nader op te maken bij staat en een voorschot van € 750.000,--. Verkort weergegeven verweet mr. Princen q.q. Brink c.s. jegens SBV onrechtmatig te hebben gehandeld met het faillissement van SBV tot gevolg. Na zijn aanstelling heeft de curator de procedure in eerste instantie voortgezet, maar eind 2008 is de curator met Brink c.s. tot een minnelijke regeling gekomen. Onderdeel van deze regeling vormt een betaling van € 300.000,-- door Brink c.s. aan de curator tegen finale kwijting met royement van voornoemde procedure. Van deze regeling is melding gemaakt in het tiende faillissementsverslag. Deze regeling is inmiddels uitgevoerd.

2.3 In mei 2008 heeft [appellant] de rechtbank Amsterdam verzocht om het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor. Bij beschikking d.d. 11 december 2008 heeft de rechtbank Amsterdam dit verzoek ingewilligd. Ten tijde van de mondelinge behandeling van dit hoger beroep was voor het horen van de getuigen een regiezitting gepland en waren er nog geen getuigen gehoord.

2.4 De curator heeft bij dagvaarding van 23 januari 2009 een procedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank, waarin hij [appellant] als bestuurder van SBV onder meer aansprakelijk stelt voor het tekort in het faillissement (hierna: “de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure”). [appellant] heeft in deze procedure een incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring genomen. De zaak stond ten tijde van de mondelinge behandeling van dit hoger beroep voor conclusie van antwoord in het incident.

2.5 Recentelijk heeft [appellant] deze rechtbank verzocht om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten, in welke procedure de curator verweerder is. De behandeling van dit verzoekschrift had ten tijde van de mondelinge behandeling van dit hoger beroep nog niet plaatsgehad.

2.6 Bij brief van 29 april 2009 heeft mr. Vissers zich namens [appellant] gericht tot de rechter-commissaris met het verzoek de curator opdracht te geven tot het afgeven aan [appellant] van afschriften van niet-openbare gedeelten van het faillissementsdossier, althans een afschrift van de regeling met Brink c.s.. Voorts werd in die brief verzocht de curator opdracht te geven voor het verlenen van uitstel voor het nemen van de conclusie van antwoord in de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure, totdat de getuigen van [appellant] zijn gehoord in genoemd voorlopig getuigenverhoor bij de rechtbank Amsterdam.

2.7 De curator heeft zich bij faxbericht van 11 mei 2009 aan de rechter-commissaris uitgelaten over het verzoek van [appellant]. De curator geeft hierin aan dat het ‘inzageverzoek’ slechts ten doel heeft een aan verzoeker persoonlijk toekomend recht tegenover de boedel geldend te maken. Afgifte van alle niet-openbare stukken in het faillissementsdossier, inclusief administratie, is gezien de omvang feitelijk onmogelijk. Voorts geldt dat het openbaar maken van vertrouwelijke correspondentie tussen de rechter-commissaris en de curator de taakuitoefening van hem zou kunnen frustreren. De schikking met Brink c.s. zal via de faillissementsverslagen aan de crediteuren kenbaar worden gemaakt. Ten aanzien van het ‘uitstelverzoek’ geeft de curator aan dat [appellant] voldoende gelegenheid heeft gekregen zijn verweer voor te bereiden en dat uitstel niet in het belang van de gezamenlijke crediteuren is.

2.8 Bij beschikking van 14 mei 2009 (hierna: “de bestreden beschikking”) heeft de rechter-commissaris het verzoek van [appellant] afgewezen. De rechter-commissaris overweegt dat, beide onderdelen van, het verzoek van [appellant] slechts ten doel hebben een, alleen aan hem persoonlijk, toekomend (gepretendeerd) recht tegenover de boedel geldend te maken. Een dergelijk verzoek valt buiten de reikwijdte van artikel 69 Faillissementswet (hierna: “Fw”), te weten het beheer en de vereffening van de failliete boedel in het gezamenlijk belang van de schuldeisers, zodat het verzoek daarom moet worden afgewezen. De rechter-commissaris overweegt tevens dat gesteld noch gebleken is dat bij het beheer van de boedel ten aanzien van het ‘inzageverzoek’ en het ‘uitstelverzoek’ fouten worden gemaakt die hersteld moeten worden, of moeten worden voorkomen. Ook op die grond worden beide onderdelen van het verzoek afgewezen. Ten overvloede heeft de rechter-commissaris ten aanzien van het verzoek om uitstel opgemerkt dat een vertraging in de procedure tussen [appellant] en de curator zou leiden tot benadeling van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.

2.9 In een door hem bij deze rechtbank aanhangig gemaakt kort geding heeft [appellant] onder meer gevorderd de curator te bevelen tot afgifte van alle niet openbare stukken uit het faillissementsdossier. Bij vonnis van 24 juni 2009 is [appellant] in zijn vordering niet ontvankelijk verklaard.

3 De beoordeling

3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld en [appellant] is aan te merken als partij die het verzoek heeft gedaan dat heeft geleid tot de bestreden beschikking. In zoverre is [appellant] dan ook ontvankelijk in het hoger beroep.

3.2 Het beroep van [appellant] strekt ertoe dat de bestreden beschikking wordt vernietigd en dat, opnieuw rechtdoende:

a. de curator alsnog wordt bevolen medewerking te verlenen aan aanhouding van de bestuur¬dersaansprakelijkheidsprocedure, totdat de getuigen van [appellant] zijn gehoord in de hiervoor onder 2.3 bedoelde voorlopige getuigenverhoren;

b. de curator alsnog wordt bevolen [appellant] inzage te geven in de niet-openbare stukken van het faillissementsdossier,

zulks met veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure.

3.3 [appellant] heeft in appel vier grieven geformuleerd. Grief I richt zich tegen de vaststelling door de rechter-commissaris dat gesteld noch gebleken is dat er ten aanzien van het ‘inzageverzoek’ en het ‘uitstelverzoek’ bij het beheer van de boedel fouten zijn gemaakt. Grief II richt zich tegen de overweging van de rechter-commissaris dat [appellant] louter en alleen een aan [appellant] toekomend (gepretendeerd) recht tegenover de boedel geldend wil maken. Grief III richt zich tegen de overweging van de rechter-commissaris dat uitstel voor het nemen van de conclusie van antwoord zou leiden tot een benadeling van het collectief van de schuldeisers. Grief IV richt zich op de weigering van de rechter-commissaris om de curator te bevelen [appellant] afgifte van danwel inzage in de niet-openbare gedeelten van het faillissementsdossier te geven.

3.4 Onderliggend aan de grieven is het betoog van [appellant] dat - verkort weergeven - de curator een schikking heeft getroffen met Brink c.s. voor een te laag bedrag en dat de curator ten onrechte [appellant] heeft gedagvaard. Gebruikmakend van het door [appellant] aangedragen bewijsmateriaal had de curator zelf getuigen moeten doen horen in een voorlopig getuigenverhoor en had hij de procedure tegen Brink c.s. moeten doorzetten, aldus [appellant]. Ten aanzien van het verzoek tot medewerking aan uitstel heeft [appellant] daarnaast meer specifiek aangevoerd dat hij de mogelijkheid dient te krijgen zijn stellingen te kunnen bewijzen door middel van getuigenverhoren, voordat hij voor antwoord concludeert in de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure. Op deze manier heeft de curator bij de vereffening en het beheer twee fouten gemaakt, te weten het intrekken van de aansprakelijkstelling van Brink c.s. en het belemmeren van [appellant] om wettig bewijs te verzamelen in de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure. Met betrekking tot zijn verzoek om afgifte van dan wel inzage in de niet-openbare gedeelten van het faillissementsdossier, voert [appellant] aan dat hij niet louter vanuit eigen belang de verzochte informatie wenst te ontvangen en dat deze informatie beslissend zou kunnen in de bestuurders¬aansprakelijk¬heids¬procedure.

3.5 De curator heeft geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [appellant], omdat [appellant] met zijn verzoeken een persoonlijk belang najaagt. Daarnaast geeft de curator aan dat openbaarmaking van het niet-openbare gedeelte van het faillissementsdossier de taak van de curator zou kunnen frustreren. De curator voert verder aan dat voor het verkrijgen van een aanhouding in de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure andere wegen openstaan. [appellant] heeft bovendien geen belang meer bij zijn verzoek omdat inmiddels een vrijwaringsincident is opgeworpen, waarin de curator voor conclusie van antwoord staat op 2 september 2009.

3.6 De grieven strekken er toe om het verzoek van [appellant] in volle omvang te laten beoordelen door de rechtbank en lenen zich voor gezamenlijk behandeling.

3.7 Bij de beoordeling moet vooropgesteld worden dat de procedure van artikel 69 Fw een schuldeiser uitsluitend de mogelijkheid biedt op te komen voor zijn belangen die hij in zijn hoedanigheid van schuldeiser heeft bij de wijze waarop het beheer en de vereffening van de boedel plaatsvinden en niet om op te komen voor aan hem persoonlijk toekomende rechten die tegenover de boedel (mogelijk) geldend gemaakt kunnen worden.

3.8 Ten aanzien van het verzoek tot het geven van een bevel om mee te werken aan uitstel in de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure wordt als volgt overwogen. Met de rechter-commissaris is de rechtbank van oordeel dat dit verzoek niet kan worden gehonoreerd. Het

- kennelijke - betoog van [appellant] dat de weigering door de curator om mee te werken aan dit uitstel een fout is in het beheer van de boedel die langs de weg van artikel 69 Fw, waarvan thans hoger beroep, dient te worden rechtgezet, miskent dat artikel 69 Fw niet bedoeld is om een gedaagde invloed te geven op de wijze waarop een tegen hem aanhangig gemaakte procedure wordt afgewikkeld. Het betreft slechts een (gepretendeerde) persoonlijke aanspraak van [appellant] als gedaagde en niet valt in te zien dat [appellant] in zijn hoedanigheid van schuldeiser van SBV belang heeft bij dit uitstel, noch dat de overige schuldeisers er belang bij hebben dat dit uitstel wordt verleend. Integendeel, de rechtbank is van oordeel dat het niet in het belang van de boedel is dat er uitstel wordt verleend omdat dit in ieder geval leidt tot vertraging van de afwikkeling van het faillissement.

3.9 Ten aanzien van het verzoek om inzage in de niet-openbare stukken van het faillis¬sementsdossier geldt het navolgende. Blijkens de toelichting van [appellant] gaat het hem er met name om inzage te krijgen in de voorwaarden van de schikking tussen de curator en Brink c.s.. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek dient te worden afgewezen omdat dit verzoek door [appellant] wordt gedaan om zijn processuele positie als gedaagde in de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure te waarborgen. Dit blijkt uit het inleidende verzoekschrift, uit het aanvullend beroepschrift en - in het bijzonder - uit de toelichting van [appellant] op de mondelinge behandeling. Zo vermeldt het inleidend verzoekschrift onder meer het volgende:

“[na een omschrijving van diverse beschikbare bewijsmiddelen aangaande de rol van Brink c.s. bij het failliet gaan van SBV:]

Mr. Maas heeft deze documenten, alsook het verweerschrift van mr Prins ontvangen en nog veel meer documenten, waaruit de ernstig onrechtmatige handelswijze van Brink c.s. bleek, ruim vóór de dag waarop hij plotseling cliënt dagvaardde.

Vast staat nu dat er een oorzakelijk verband is tussen de regeling die curator Maas heeft getroffen met mevrouw Brink c.s. en het feit dat nu cliënt ineens geheel aansprakelijk is gehouden voor het faillissement van SBV c.s. (..)

Tegen de achtergrond van het feit dat mr. Maas over vele schriftelijke bewijzen beschikte waaruit in ieder geval een groot deel van de stellingen van Brink c.s. onderuit wordt gehaald, begrijpt cliënt er helemaal niets van dat mr. Maas in de dagvaarding slechts 7 regels aan zogenaamd “verweer” van cliënt besteedt, die ook nog eens aantoonbaar onjuist is. Cliënt moet dan ook in de gelegenheid worden gesteld zich tegen deze onterechte aantijgingen te verweren.

(..)

Cliënt is door de curator aansprakelijk gesteld voor het faillissement van SBV c.s. B.V. in plaats van Brink c.s. in ruil voor een betaling aan de boedel. Een ernstige en onterechte beschuldiging. Cliënt is van mening dat hij in deze procedure in de gelegenheid moet worden gesteld om bewijs door middel van getuigen te kunnen leveren.(..)

Het is om deze redenen dat ik u namens cliënt verzoek om de curator opdracht te geven om zowel afgifte te doen van de niet-openbare gedeelten van het faillissementsdossier althans van de regeling met Brink c.s. (..).”

Voorts vermeldt de toelichting van [appellant] op grief IV:

“[na een verwijzing naar de grieven I - III:] [[appellant]] wil daar nog aan toevoegen dat hij kennis wil nemen van hetgeen deze Curator met mevrouw Brink c.s. is overeengekomen en niet wil openbaren, omdat hij (in plaats van Brink c.s.) op basis van deze regeling ineens aansprakelijk wordt gesteld voor het faillissement.

De Curator onthoudt hem dan ook belangrijke informatie om zich tegen de beschuldigingen van de Curator zelf te kunnen verdedigen. De Rechter-Commissaris stelt dan ook ten onrechte dat de heer [appellant] dat verzoek om inzage c.q. afschrift heeft gedaan omdat hij “hier louter en alleen een aan verzoeker alleen toekomend (gepretendeerd) recht tegenover de boedel geldend wil maken”.

Integendeel. De Curator onthoudt de heer [appellant] relevante informatie. Informatie die voor de heer [appellant] beslissend kan zijn voor deze zaak. (..)”.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [appellant], op een rechtstreekse vraag van de rechtbank, aangegeven dat hij inzage wil in de regeling met Brink c.s. omdat hij dit als verweermiddel wil gebruiken in de bestuurders¬aansprakelijkheidsprocedure.

3.10 Weliswaar voert [appellant] aan dat hij ook in zijn hoedanigheid als schuldeiser belang heeft bij de gevraagde inzage, maar uit alles blijkt dat het [appellant] er eigenlijk om te doen is verweer te kunnen voeren in de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure, welke procedure naar zijn oordeel ten onrechte wordt gevoerd. Zoals hiervoor is overwogen, vormt dit geen belang dat beschermd wordt door artikel 67 Fw.

3.11 Ten slotte zij nog overwogen dat de motivering van de rechter-commissaris, voor zover daarin wordt overwogen dat gesteld noch gebleken is dat ten aanzien van het ‘inzageverzoek’ en het ‘uitstelverzoek’ bij het beheer van de boedel fouten worden gemaakt die hersteld dienen te worden, of moeten worden voorkomen, niet juist is. [appellant] heeft in zijn verzoek namelijk wel stellingen van die aard en strekking geponeerd, zij het dat die door de rechtbank anders worden gewaardeerd, en dat op grond daarvan zijn verzoeken moeten worden afgewezen. In zoverre wordt de beschikking van de rechter-commissaris dan ook verbeterd.

3.12 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door [appellant] gedane verzoeken dienen te worden afgewezen en dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd, met verbetering van gronden, als hiervoor onder 3.11 bedoeld.

3.13 Volledigheidshalve wordt nog overwogen dat [appellant] op de mondeling behandeling heeft verklaard dat hij in deze procedure mede optreedt namens een aantal schuldeisers. Dit betoog leidt echter niet tot een andere beoordeling, omdat het verzoek aan de rechter-commissaris en het hoger beroep daartegen uitsluitend zijn gedaan c.s. ingesteld door [appellant] en niet door [appellant] mede namens andere schuldeisers.

3 De beslissing

De rechtbank,

- bekrachtigt de beschikking van de rechter-commissaris van 14 mei 2009 onder verbetering van gronden.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.W. Vogels, mr. P. de Bruin en mr. N. Doorduijn en in aanwezigheid van mr. L.T.A. van Eck als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 september 2009.

2057/1954/2009/1876

(de griffier is niet in staat om deze

beschikking mee te tekenen)