Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BL0559

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
26-01-2010
Zaaknummer
08/2120
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of eiseres ten tijde van het primaire besluit was aangesteld in tijdelijke dienst, dan wel dat het dienstverband van eiseres moet worden aangemerkt als een aanstelling voor onbepaalde tijd op grond van artikel 6, zesde lid aanhef en onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). In dit artikel is - voor zover hier van belang - bepaald dat de aanstelling in tijdelijke dienst geldt als een aanstelling in vaste dienst vanaf de dag waarop meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar zijn opgevolgd.

Bepalend voor de beantwoording van deze vraag is de uitleg van het besluit van verweerder van 6 november 2006. De rechtbank leidt uit de bewoordingen van voornoemde brief af dat verweerder met deze mededelingen eiseres slechts heeft willen informeren hoe het traject met betrekking tot de opleiding van eiseres verder zou lopen. In dat kader acht de rechtbank van belang dat uitdrukkelijk wordt gesteld dat bij het niet toelaten van eiseres tot de opleiding de tijdelijke aanstelling eindigt op 1 november 2007 en dat bij het wel toelaten van eiseres tot de opleiding eiseres een schriftelijk besluit zal ontvangen. Uit het vorenstaande volgt dat een opleidingsaanstelling op dat moment (6 november 2006) nog niet werd verleend. Dat volgt eveneens uit de verdere gang van zaken. Dat leidt ertoe dat eiseres naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van het primaire besluit was aangesteld in tijdelijke dienst tot 1 november 2007. Ter beoordeling staat derhalve of verweerder die aanstelling, die van rechtswege is geëindigd, op goede gronden niet heeft voortgezet. In het dossier bevinden zich twee verslagen van functioneringsgesprekken van 23 april 2007 en 6 juni 2007. Verder zijn overgelegd een aantal verslagen van voortgangsgesprekken, de beoordeling van eiseres over de periode januari 2007 - juli 2007 in het kader van de opleiding en een memo van 23 augustus 2007 van haar opleider, waarin de kritiek op het functioneren van eiseres is samengevat. Op grond van deze stukken is naar het oordeel dan de rechtbank voldoende onderbouwd dat eiseres niet naar behoren functioneerde. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/2120 AW

Uitspraak in het geding tussen

, wonende te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde mr. Chr.W.L. Veen,

en

De Minister van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. L. de Wit.

1 Ontstaan en loop van de procedure

1.1 Bij besluit van 28 augustus 2007 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder eiseres medegedeeld dat haar aanstelling voor bepaalde tijd per 1 november 2007 van rechtswege zal eindigen.

1.2 Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 24 september 2007 bezwaar gemaakt.

1.3 Bij uitspraak van 9 april 2008 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen (AWB 08/241 AW).

1.4 Bij brief van 16 mei 2008 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.

1.5 Bij besluit van 21 mei 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.6 Verweerder heeft op 16 september 2008 een verweerschrift ingediend.

1.7 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2009. Aanwezig waren eiseres en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren namens verweerder aanwezig H.P.A van der Kolk en

P.M.L. van de Rijt.

2 Overwegingen

2.1.1 Ten aanzien van het beroep van eiseres gericht tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar overweegt de rechtbank als volgt.

2.1.2 De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen processueel belang meer heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het niet tijdig nemen van een besluit, nu verweerder hangende de beroepsprocedure alsnog op het bezwaar heeft beslist. Het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.1.3 De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 80,50 (1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 322,= en wegingsfactor 0,25) aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

2.2 Ten aanzien van het beroep van eiseres gericht tegen het bestreden besluit overweegt de rechtbank als volgt.

2.2.1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres is als assistent psycholoog niet in opleiding (APNIO) tweemaal tijdelijk aangesteld bij de Penitentiaire Inrichtingen (PI) Noord-Brabant Noord, van 21 maart 2005 tot 21 maart 2006 en van 21 maart 2006 tot 21 maart 2007. Met ingang van 1 november 2006 is zij aangesteld bij de PI Vught als APNIO.

2.2.2 In geschil is of eiseres ten tijde van het primaire besluit was aangesteld in tijdelijke dienst, dan wel dat het dienstverband van eiseres moet worden aangemerkt als een aanstelling voor onbepaalde tijd op grond van artikel 6, zesde lid aanhef en onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). In dit artikel is - voor zover hier van belang - bepaald dat de aanstelling in tijdelijke dienst geldt als een aanstelling in vaste dienst vanaf de dag waarop meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar zijn opgevolgd.

2.2.3 Bepalend voor de beantwoording van deze vraag is de uitleg van het besluit van verweerder van 6 november 2006. Verweerder stelt dat eiseres daarin enerzijds een tijdelijke aanstelling als APNIO is verleend voor de periode van 1 november 2006 tot

1 november 2007 en anderzijds een traject is aangegeven indien eiseres zou worden toegelaten tot de opleiding voor GZ-psycholoog. Eiseres stelt daarentegen dat in het besluit van 6 november 2006 ook een vierde aanstelling is verleend als GZ-psycholoog in opleiding voor de periode 1 januari 2007 tot 1 januari 2009 op voorwaarde van de toelating van eiseres tot de opleiding, dan wel dat dit besluit als een zodanige toezegging kan worden gezien waarop zij zich in rechte kan beroepen.

2.2.4 De rechtbank overweegt dat partijen niet van mening verschillen dat het besluit van 6 november 2006 in ieder geval een tijdelijke aanstelling inhoudt van 1 november 2006 tot

1 november 2007.

2.2.5 Ten aanzien van de opleiding van eiseres is in het besluit van 6 november 2006 het volgende opgenomen:

“Inmiddels heb ik u voorgedragen bij het RINO. Mits er een akkoord is tussen alle betrokkenen partijen - u, uw leidinggevende, en het RINO - start u met de 2-jarige opleiding GZ-psycholoog op 1 januari 2007. (…) U wordt op die datum aangesteld als psycholoog in opleiding.”

“Indien u niet wordt toegelaten, eindigt de tijdelijke aanstelling op 1 november 2007 en blijft de aanstellingsduur van 18 uur per week ongewijzigd.”

“Zodra het RINO uw aanmelding voor de GZ-opleiding akkoord bevonden heeft, ontvangt u een schriftelijk besluit inclusief restitutieverplichting die u dient te tekenen en te retourneren.”

De rechtbank leidt uit de bewoordingen van voornoemde brief af dat verweerder met deze mededelingen eiseres slechts heeft willen informeren hoe het traject met betrekking tot de opleiding van eiseres verder zou lopen. In dat kader acht de rechtbank van belang dat uitdrukkelijk wordt gesteld dat bij het niet toelaten van eiseres tot de opleiding de tijdelijke aanstelling eindigt op 1 november 2007 en dat bij het wel toelaten van eiseres tot de opleiding eiseres een schriftelijk besluit zal ontvangen. Uit het vorenstaande volgt dat een opleidingsaanstelling op dat moment (6 november 2006) nog niet werd verleend.

2.2.6 Dit blijkt ook uit het vervolg: verweerder heeft op 1 februari 2007 het toegezegde besluit aan eiseres ter ondertekening gezonden. Eiseres heeft evenwel het besluit niet ondertekend, naar zij stelt vanwege haar weigering de restitutieverplichting aan te gaan. Partijen verschillen van mening over de vraag of eiseres heeft gevraagd om intrekking van het besluit. Wat daarvan ook zij, bij brief van 26 maart 2007 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat de brief van 1 januari 2007 (moet zijn 1 februari 2007) als niet geschreven moet worden beschouwd. Toegezegd wordt dat indien eiseres als psycholoog in opleiding voldoende functioneert verweerder haar per 1 november 2007 in vaste dienst zal aanstellen. Voor zover eiseres het niet eens zou zijn geweest met deze nadere afspraken dan had van haar mogen worden verwacht dat zij tegen die afspraken bezwaar had gemaakt. Aan eiseres moet duidelijk zijn geweest welke gevolgen de brief had voor haar rechtspositie. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat eiseres zich in de strekking van de brief van

26 maart 2007 kon vinden. De stelling van eiseres dat zij de brief niet heeft ‘herkend’ als intrekking, maar alleen als mededeling dat zij per 1 januari 2007 is toegelaten tot de opleiding en derhalve met ingang van die datum is aangesteld en dat verweerder de restitutieverplichting zal wijzigen gaat niet op, nu in voornoemde brief uitdrukkelijk is gesteld dat verweerder eerst per 1 november 2007 een vaste aanstelling zal verlenen mits eiseres als psycholoog voldoende functioneert. Aan de stelling van eiseres dat de intrekking ongeoorloofd is, gaat de rechtbank voorbij, nu niet is gebleken dat eiseres bezwaar heeft gemaakt tegen de intrekking. Hoewel er geen rechtsmiddelenclausule onder de brief staat, kan eiseres worden tegengeworpen dat zij geen bezwaar heeft gemaakt. Ingevolge vaste jurisprudentie is het enkele ontbreken van een rechtsmiddelenclausule onvoldoende voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 1 november 2006, LJN: AZ1585.

2.2.7 Gelet op het vorenstaande is eiseres naar het oordeel van de rechtbank bij besluit van 6 november 2006 slechts een tijdelijke aanstelling verleend van

1 november 2006 tot 1 november 2007.

2.2.8 Ten aanzien het beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank dat verweerder wel de bedoeling heeft gehad een volgende aanstelling te verlenen, maar dat verweerder daartoe pas wilde overgaan op het moment dat aan alle voorwaarden werd voldaan. Verweerder heeft dit ook gedaan bij het besluit van 1 februari 2007, dat later vanwege de afspraken met eiseres is ingetrokken. Eiseres kan zich dan ook niet beroepen op een toezegging, omdat verweerder zijn voornemen is nagekomen door het besluit te nemen zoals beoogd, maar dit besluit door toedoen van eiseres weer is ingetrokken, althans dat eiseres daartegen geen bezwaar heeft gemaakt.

2.2.9 De stelling van eiseres dat sprake is van een stilzwijgende vierde aanstelling omdat eiseres per 1 januari 2007 is begonnen met haar opleiding gaat evenmin op. Eiseres beroept zich daarbij op een uitspraak van de President van de CRvB van 15 mei 2000, LJN:AF1618. Uit die uitspraak volgt dat bij gebreke van een aanstellingsbesluit de bedoeling van het bestuursorgaan kan worden geduid. In dit geval is er wel een aanstellingsbesluit genomen, zodat die uitspraak hier niet van toepassing is. Overigens blijkt uit de samenhang van de brief van 6 november 2006 en het besluit van 1 februari 2007 dat verweerder de toelating tot de opleiding en de daaruit voortvloeiende functie van GZ-APIO uitdrukkelijk met een schriftelijk besluit heeft willen vastleggen en dit ook zo heeft gedaan. Voor het aannemen van een stilzwijgende aanstelling is dan ook op grond van de feiten en omstandigheden geen ruimte.

2.2.10 Dat leidt ertoe dat eiseres naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van het primaire besluit was aangesteld in tijdelijke dienst tot 1 november 2007. Ter beoordeling staat derhalve of verweerder die aanstelling, die van rechtswege is geëindigd, op goede gronden niet heeft voortgezet. Op grond van vaste jurisprudentie dient te worden beoordeeld of verweerder heeft kunnen oordelen dat eiseres niet voldoet aan de in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen.

2.2.11 In het dossier bevinden zich twee verslagen van functioneringsgesprekken van

23 april 2007 en 6 juni 2007. Verder zijn overgelegd een aantal verslagen van voortgangsgesprekken, de beoordeling van eiseres over de periode januari 2007 - juli 2007 in het kader van de opleiding en een memo van 23 augustus 2007 van haar opleider, waarin de kritiek op het functioneren van eiseres is samengevat. Daarin staat - onder meer- vermeld dat eiseres over onvoldoende competenties beschikt voor de functie, met name op het belangrijke punt van adviseren aan leidinggevenden over de benadering van gedetineerden met psychische stoornissen. Daarnaast is er een gebrek aan organisatiesensitiviteit, probleemanalyse, samenwerking en flexibiliteit. Dat uit zich in de aansturing van het team, het vormgeven en coördineren van overleggen en het invulling geven aan het duaal leiderschap van het team en de advisering van de directie. Op al deze punten is het functioneren beneden de maat geacht.

2.2.12 Eiseres heeft deze verslagen betwist, zowel wat betreft de wijze van totstandkoming als ook de inhoud daarvan. Voorts stelt eiseres dat zij door twee beoordelaars had moeten worden beoordeeld, dat er geen beoordelingsgesprek heeft plaatsgevonden en dat de beoordeling niet is vastgesteld. Verder acht zij haar gestelde gebrek aan de benodigde competenties onvoldoende onderbouwd en stelt zij dat haar geen verbeterkansen zijn geboden.

2.2.13 De rechtbank overweegt dat de stellingen van eiseres zijn gebaseerd op haar standpunt dat sprake is van ontslag uit een vast dienstverband vanwege ongeschiktheid voor de functie. Ook de jurisprudentie waarnaar eiseres verwijst ziet grotendeels op deze ontslaggrond. Zoals hierboven is uiteen gezet, volgt de rechtbank dit standpunt niet. De eisen die aan ongeschiktheidsontslag worden gesteld zijn zwaarder dan in dit geval bij het van rechtswege aflopen van een tijdelijke aanstelling.

2.2.14 De rechtbank stelt het volgende vast.

In het gespreksverslag van 19 maart 2007 is gesignaleerd dat de rol van eiseres als de psycholoog van de Verslavingsbegeleidingsafdeling (VBA) nog niet goed uit de verf komt. Afgesproken is dat eiseres meer aanwezig zal zijn op de afdeling, dat zij zich meer zal profileren en initiatief zal nemen tot meer structureel overleg met het afdelinghoofd. Uit de email van 23 april 2007 van dit afdelingshoofd aan de opleider volgt dat er inderdaad meer frequenter contacten zijn tussen hem en eiseres. Hij signaleert evenwel dat haar adviezen nog erg summier zijn en zelden concreet genoeg zijn om acties op uit te zetten.

In het functioneringsgesprek van 23 april 2007 is aan de orde gesteld dat eiseres krampachtig omgaat met informatieverstrekking over gedetineerden aan de begeleiders. Ook is ter sprake gekomen dat eiseres het moeilijk vindt de opinie te vragen van de andere psychologen over de vragen die zij heeft op diagnostisch terrein en over doorverwijzing, uitplaatsing en nazorg. Afgesproken is dat zij zich vaker over deze drempel zal zetten omdat dit haar kennis zal verbreden en verdiepen.

In het verslag van het functioneringsgesprek van 6 juni 2007 staat dat het diagnostisch overleg dat eiseres weer nieuw leven in zou blazen na enkele pogingen alweer is verwaterd. Van duaal management met de afdelingshoofden bij de aansturing van de begeleiders is geen sprake. Eiseres heeft aangegeven dat zij de aanwezigheid van een stagiaire als een storende factor beschouwt omdat de stagiaire - meer dan zijzelf - als de psycholoog van de afdeling wordt gezien. Verweerder heeft daarop toegezegd dat de stagiaire haar werkzaamheden op de afdeling zal afbouwen om eiseres de ruimte te geven zich te profileren. Verweerder heeft opgemerkt dat eiseres zich meer diende te verdiepen in de organisatie. Eiseres heeft aangegeven dat zij geen enkele instantie van de ketenpartners kende. Afgesproken is dat eiseres om te beginnen op bezoek zou gaan bij een van hen. Omdat eiseres het niet eens was met dit verslag is een tweede gesprek gehouden op

19 juni 2007, waarvan eveneens een verslag is opgemaakt. Hierin zijn de belangrijkste kritiekpunten van verweerder nogmaals aan de orde gekomen.

Tenslotte is een beoordeling opgemaakt over het eerste halfjaar van 2007 ten behoeve van de opleiding. Hierin staat dat eiseres heeft aangegeven dat zij voortdurend in tijdnood komt terwijl de normering in orde is. Opgemerkt is dat eiseres bij de diagnosestelling te weinig samenwerkt met de psychiater, waardoor geen dialoog ontstaat over de differentiaaldiagnose. Voorts mailt eiseres haar bevindingen van een gesprek met een gedetineerde aan de groepsleiding. In de meeste van deze gespreksverslagen ontbreken diagnose, conclusies, advies en onderbouwing. Eiseres heeft voorgesteld het diagnostisch overleg af te schaffen terwijl dit volgens verweerder een belangrijk overleg is. Het afdelingshoofd heeft herhaaldelijk geklaagd over de afwezigheid van eiseres en het gebrek aan aansturing van de begeleiding van de gedetineerden. Het afgeproken bezoek aan de ketenpartner is niet afgelegd.

2.2.15 Op grond van deze stukken is naar het oordeel dan de rechtbank voldoende onderbouwd dat eiseres niet naar behoren functioneerde. Hoewel in aanmerking moet worden genomen dat eiseres de verslagen, afgezien van het functioneringsgesprek van

23 april 2007, niet voor akkoord heeft getekend en ook heeft betwist, ziet de rechtbank in de achtereenvolgende verslagen toch een patroon waarin dezelfde punten van kritiek steeds terugkomen. Een deel van deze kritiek is niet alleen afkomstig van de opleider maar ook van het afdelingshoofd. Ter zitting heeft de opleider nader toegelicht dat zij gebruik heeft gemaakt van informanten bij de opstelling van - onder meer - de beoordeling. Tevens volgt uit de opsomming dat verweerder eiseres tijdig heeft geinformeerd over de kritiek op haar functioneren en voldoende kansen heeft geboden om zich te verbeteren. Hoewel de onderbouwing van de kritiekpunten op zich niet heel concreet is, heeft eiseres in haar betwisting ook geen concrete feiten genoemd die niet juist zouden zijn, maar slechts in algemene bewoordingen verklaard dat zij het daarmee het niet eens was. Gelet op het van toepassing zijnde criterium is de onderbouwing naar het oordeel van de rechtbank voldoende te achten.

2.2.16 Eiseres heeft aangevoerd dat haar ten onrechte geen gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het bestreden besluit haar zienswijze naar voren te brengen. De rechtbank overweegt dat in dit geval bij het van rechtswege eindigen van de aanstelling in principe geen besluitvorming van verweerder is vereist. Er is dan ook geen aanleiding een zienswijze noodzakelijk te achten. Uit oogpunt van zorgvuldigheid wordt in de jurisprudentie wel een tijdige informatieplicht van verweerder aangenomen. Met het primaire besluit heeft verweerder daaraan voldaan. In dit geval is eiseres bovendien de dag vóór het besluit in een gesprek in kennis gesteld van het besluit haar geen verdere aanstelling te verlenen. Eiseres is uitgenodigd voor een gesprek op 10 september 2007 voor een nadere toelichting. Op verzoek van eiseres is dit gesprek enkele keren uitgesteld. Uiteindelijk heeft op 22 oktober 2007 een gesprek plaatsgevonden. De rechtbank ziet dan ook in de beroepsgrond geen reden voor vernietiging van het besluit.

2.2.17 Het beroep is - voor zover gericht tegen het bestreden besluit - ongegrond.

2.2.18 De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar niet- ontvankelijk;

2 bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 145,= vergoedt;

3 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 80,50;

4 verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A. van ‘t Laar, voorzitter, en mr. H. van den Heuvel en

mr. E.A Poppe-Gielesen, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.M.L.J. Spierings, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 26 augustus 2009.

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.