Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK9381

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-10-2009
Datum publicatie
15-01-2010
Zaaknummer
08/5178
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit het bestreden besluit, dat is genomen door de Minister van LNV, blijkt niet dat dit in overeenstemming is gebeurd met de Minister van VROM, zoals artikel 1, eerste lid, van de Wgb vereist. Reeds hierom dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd. Bij brief van 13 juli 2009 heeft de Minister van VROM evenwel verklaard dat het bestreden besluit in overeenstemming met hem is genomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten. Verweerder heeft, vanuit het oogpunt van normhandhaving en gelet op de aard en ernst van de overtreding, in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om een boete op te leggen. Verweerder heeft daartoe de standaardboetebedragen naar rato van de verantwoordelijkheden verdeeld tussen eiser en zijn werkgever. Eiser is voor één kwart verantwoordelijk gehouden en zijn werkgever voor driekwart. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten besluiten tot het opleggen van een lagere boete, dan wel had moeten volstaan met een waarschuwing. Dat de overtredingen zijn begaan in een zeer drukke periode, inmiddels voorzorgsmaatregelen zijn genomen en dat door eiser niet eerder overtredingen zijn begaan, biedt onvoldoende grond voor een andersluidend oordeel. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/5178 – BC – T3

Uitspraak in het geding tussen

[naam], wonende te [plaatsnaam], eiser,

gemachtigde [naam].

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde mr. T.I.A. van Weelden.

1 Ontstaan en loop van de procedure

1.1 Bij besluit van 18 september 2008 heeft verweerder eiser een boete van € 675,00 opgelegd wegens overtreding van bij of krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: de Wgb) gestelde voorschriften. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van

14 oktober 2008 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 november 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2 Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van

8 december 2008 beroep ingesteld.

1.3 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2009. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens was namens verweerder aanwezig

ing. P. Voogd. Het beroep is gelijktijdig behandeld met het beroep met procedurenummer AWB 08/5179 – BC – T3.

2 Overwegingen

2.1 Ten aanzien van de ontvankelijkheid overweegt de rechtbank als volgt. Het beroepschrift is ingediend door de heer [naam], in zijn hoedanigheid van algemeen directeur van [bedrijfsnaam] B.V.. Verweerder is van mening dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat [bedrijfsnaam], als werkgever van eiser, slechts een afgeleid belang heeft. De rechtbank stelt vast dat in het beroepschrift is gesteld ‘met dit beroepschrift willen wij tevens beroep aantekenen tegen de beslissing (...) tegen onze werknemer de heer [naam]’. Naar aanleiding van het beroepschrift is door de rechtbank verzocht om een volmacht waaruit blijkt dat de heer [naam] gerechtigd is beroep in te stellen namens eiser. Op 9 januari 2009 heeft de rechtbank een machtiging ontvangen, waarin door eiser is aangegeven dat de heer [naam], als algemeen directeur van [bedrijfsnaam] B.V., gemachtigd is namens hem op te treden in onderhavige procedure. Gezien de inhoud van het beroepschrift en de overgelegde machtiging, moet het ervoor worden gehouden dat het beroep door de heer [naam], als gemachtigde van eiser is ingesteld. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het beroep ontvankelijk is.

2.2.1 Ten aanzien van de vraag of het bestreden besluit door het bevoegde bestuursorgaan is genomen, overweegt de rechtbank als volgt.

2.2.2 Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wgb wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder Onze Minister, voor wat betreft gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van gewasbeschermingsmiddelen bestemd voor plantaardige producten die slechts een eenvoudige bewerking hebben ondergaan, verstaan: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Ingevolge artikel 90, eerste lid, van de Wgb kan, voor zover van belang, Onze Minister een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

2.2.3 Uit het bestreden besluit, dat is genomen door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, blijkt niet dat dit in overeenstemming is gebeurd met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zoals artikel 1, eerste lid, van de Wgb vereist. Reeds hierom dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd. Bij brief van 13 juli 2009 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer evenwel verklaard dat het bestreden besluit in overeenstemming met hem is genomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten.

2.3.1 Met betrekking tot opgelegde boete overweegt de rechtbank als volgt.

2.3.2 Ingevolge artikel 18 van de Wgb, voor zover hier van belang, is een ieder verplicht ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen of biociden of de tot die middelen behorende werkzame stoffen alsmede ten aanzien van lege verpakkingen voldoende zorg in acht te nemen (de zogenaamde zorgplicht).

Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Wgb is het verboden te handelen in strijd met de voorschriften die krachtens de artikelen 29 en 50 bij de toelating worden vastgesteld (de zogenaamde gebruiksvoorschriften).

Ingevolge artikel 90 van de Wgb, voor zover hier van belang, kan een bestuurlijke boete worden opgelegd ter zake van overtreding van voornoemde artikelen van de Wgb.

Ingevolge artikel 9.6, eerste lid, van de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: de Rgb) wordt de hoogte van de bestuurlijke boete die overeenkomstig artikel 90, eerste lid, van de Wgb kan worden opgelegd, vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat in bijlage XIII voor de desbetreffende overtreding is vermeld. Ingevolge het tweede lid kan in voorkomend geval een ander boetebedrag worden opgelegd dan vermeld in bijlage XIII, indien de omstandigheden van het geval of de ernst van de overtreding daartoe aanleiding geven

Volgens bijlage XIII van de Rgb, getiteld “beleidsregels bestuurlijke boete gewasbeschermingsmiddelen en biociden”, voor zover hier van belang, hanteert verweerder voor het in acht nemen van onvoldoende zorg met een gewasbeschermingsmiddel een standaardboete van € 700,- en voor overtreding van een door het College bij de toelating van een gewasbeschermingsmiddel gesteld voorschrift als bedoeld in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Wgb een standaardboete van € 2.000,-.

2.3.3 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is als leidinggevende werkzaam bij [bedrijfsnaam] B.V.. Op 20 mei 2008 heeft de Algemene Inspectiedienst (hierna: de AID) geconstateerd dat er op een perceel met boomkwekerijgewassen aan de [straatnaam] te [plaatsnaam] een open aanhanger stond met daarin voor een ieder toegankelijke gewasbeschermingsmiddelen. Nadat de AID eiser ter plaatse had aangetroffen en aangesproken, liet eiser zien dat hij met het middel Actara laurierstruiken aan het bespuiten was. Van deze bevindingen heeft de AID een boeterapport opgesteld. Bij besluit van 18 september 2008 heeft verweerder eiser wegens overtreding van de artikelen 18 en 22, eerste lid, van de Wgb, een boete van € 675.- opgelegd.

2.3.4.1 Eiser heeft de juistheid van de bevindingen en conclusies als vastgelegd in het boeterapport van 4 juli 2008 niet bestreden. Niet in geschil is dat voornoemde gedragingen overtredingen zijn van de artikelen 18 en 22, eerste lid, van de Wgb. Evenmin is in geschil dat eiser van de overtredingen een verwijt kan worden gemaakt.

2.3.4.2 Eiser heeft gesteld dat de verweten gedragingen hebben plaatsgevonden op een moment dat het bij de kwekerij erg druk was. De kwekerij is een seizoensbedrijf en vanwege de drukte zijn fouten gemaakt. Inmiddels zijn door eiser en zijn werkgever voorzorgsmaatregelen genomen. Hierom en ook omdat hij niet eerder overtredingen heeft begaan, is eiser van mening dat verweerder had dienen te volstaan met een waarschuwing of een voorwaardelijke boete.

2.3.4.3 De rechtbank is van oordeel dat verweerder, vanuit het oogpunt van normhandhaving en gelet op de aard en ernst van de geconstateerde overtredingen, in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om een boete op te leggen. Eiser heeft een boete opgelegd gekregen van in totaal € 675,-. Verweerder heeft daartoe de standaardboetebedragen naar rato van de verantwoordelijkheden verdeeld tussen eiser en zijn werkgever. Eiser is voor één kwart verantwoordelijk gehouden en zijn werkgever voor driekwart. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten besluiten tot het opleggen van een lagere boete, dan wel had moeten volstaan met een waarschuwing. Dat de overtredingen zijn begaan in een zeer drukke periode, inmiddels voorzorgsmaatregelen zijn genomen en dat door eiser niet eerder overtredingen zijn begaan, biedt onvoldoende grond voor een andersluidend oordeel.

2.4 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

4. bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 145,00 vergoedt.

Aldus gedaan door mr. E.A. Poppe-Gielesen, voorzitter, mrs. H. van den Heuvel en

J. de Gans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Snel-van den Hout, griffier.

De griffier: De voorzitter:

De griffier is niet in staat deze

uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op: 8 oktober 2009.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA te 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: