Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK9064

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-12-2009
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
344887/ FT-EA 09.1388 en 344889/ FT-EA 09.1389
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoekschrift ex artikel 287b Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Rechtsbijstand en schuldhulpverlening 2009/202 met annotatie van mr. G.H. Lankhorst
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Rekestnummer: 344887/ FT-EA 09.1388

Rekestnummer: 344889/ FT-EA 09.1389

Beschikking van 31 december 2009

In de zaak van

A,

wonende Rotterdam,

hierna verzoeker,

is op 18 december 2009 door verzoeker een verzoekschrift ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet (hierna: Fw) ingediend alsmede een verzoek tot het geven van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287b, eerste lid, Fw.

De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek bepaald op 21 december 2009 te 14:00 uur. De griffier van deze rechtbank heeft op 18 december 2009 verzoeker schriftelijk opgeroepen en de heer B, werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: KBR) en Evides N.V. (hierna: Evides) per faxbericht van eveneens 18 december 2009 opgeroepen om te worden gehoord op genoemd verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw.

Ter zitting van 21 december 2009 is verschenen:

- De heer A.

Voorafgaand aan de zitting is namens de KBR telefonisch aan de griffier van de rechtbank doorgegeven dat niemand namens de KBR ter zitting zal verschijnen.

De rechtbank heeft na afloop van de behandeling mondeling uitspraak gedaan en de schriftelijke uitspraak bepaald op heden.

1. Het verzoek

De gevraagde voorziening houdt in om:

- gedurende een termijn van 6 maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en van 23 december 2009 tot 23 juni 2010 te verbieden de nakoming van zijn verbintenis die voortvloeit uit een overeenkomst tot het geregeld afleveren van gas, water, electriciteit jegens verzoeker op te schorten.

In de begeleidende brief d.d. 16 december 2009 van de KBR is het verzoek nader toegelicht. Uit die brief blijkt onder meer dat de schuldenaar zich al 16 maanden geleden, namelijk op18 augustus 2008 voor schuldhulpverlening bij de KBR heeft gemeld. Eind maart 2009 is zijn dossier overgedragen aan het achterstandsteam met het verzoek het dossier op te pakken. Cliënt heeft op 11 augustus 2009 een intakegesprek gehad. Vanaf dat moment is het achterstandsteam in samenwerking met de schuldenaar bezig geweest om het dossier

compleet te krijgen teneinde de feitelijke schuldsanering te kunnen starten. Eerst op 25 november 2009 is aan schuldeisers verzocht om opgave te doen van hun vordering.

Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij gedurende zes jaar een eenpersoonshuishouding voert en dat hij zich al lang geleden bij de KBR voor schuldhulpverlening heeft aangemeld. Volgens verzoeker verloopt de schuldhulpverlening bij de KBR enorm traag.

Verzoeker heeft via een uitzendbureau bij een slachterij gewerkt en ontvangt thans een uitkering.

3. De beoordeling

Ter zitting is gebleken dat er geen sprake is van een bedreigende situatie als bedoeld in artikel 287b Fw, maar dat verzoeker met het aanvragen van een voorziening beoogt te voorkomen dat zijn inboedel op 23 december 2009 openbaar verkocht zal worden

als gevolg van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 augustus 2009 van de kantonrechter waarin verzoeker is veroordeeld tot betaling van € 527,22 te vermeerderen met rente en kosten aan drinkwaterleverancier Evides. Van een dreigende afsluiting is evenwel geen sprake.

Een voorziening zoals door eiser bedoeld, kan alleen worden toegewezen op grond van artikel 287, vierde lid, Fw. Deze voorziening, hangende toelating, is evenwel uitsluitend beschikbaar in het kader van een reguliere aanvraagprocedure voor het wettelijk traject. Daarvan is in het onderhavige geval nog geen sprake. De rechtbank stelt vast dat de wetgever geen voorziening heeft geboden voor gevallen waarin weliswaar door een enorm tijdsverloop de schuldennood steeds groter is geworden, maar niettemin door een uiterst trage werkwijze van de schuldhulpverlening na 16 maanden nog geheel geen duidelijkheid bestaat met betrekking tot de vraag of de schuldenproblematiek al dan niet met een minnelijke regeling kan worden opgelost. De opmerking van de KBR dat cliënt werd en wordt gebudgetteerd door de KBR en dat de achterstand bij KBR in het oppakken van dossiers aan cliënt niet kan worden aangerekend, maakt dit niet anders. Dit laatste kan namelijk ook de schuldeisers niet worden aangerekend.

Het verzoekschrift ex artikel 284, tweede lid, Fw zal gelet op het hiervoren overwogene in samenhang met het bepaalde in artikel 288, eerste lid, sub f, Fw worden afgewezen nu het minnelijk traject nog niet is aangevangen.

4. Beslissing

De rechtbank

- wijst het verzoek ex artikel 287b, eerste lid, Fw af;

- wijst het verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw, af.

Aldus gegeven door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, lid van de enkelvoudige kamer, en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 december 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.