Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK8875

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
25-02-2010
Zaaknummer
296999 / HA ZA 07-3021
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

schade aan tomatenplanten- eerst toepasselijkheid algemene voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010, 21

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer:296999 / HA ZA 07-3021

Uitspraak: 8 juli 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

Mr. Johannes Adrianus DULLAART, handelende in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Triple Quality Nurseries B.V. ,

wonende te den Haag,

eiser,

advocaat mr. J.A. Möhlmann,

- tegen -

1.de commanditaire vennootschap PLANTENKWEKERIJ GROOTSCHOLTEN C.V,,

gevestigd te Vierpolders, gemeente Brielle,

2.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid JEGE B.V.

gevestigd te Vierpolders, gemeente Brielle,

3.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PEGE B.V.

gevestigd te Vierpolders, gemeente Brielle,

4.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VEGE B.V.

gevestigd te Honselersdijk, gemeente Westland

gedaagden,

advocaat mr. W.J. Hengeveld.

Partijen worden hierna aangeduid als "de curator" dan wel ”Triple Quality” zijdens eiser en, alle gedaagden tezamen, in enkelvoud, als ”Grootscholten”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 5 november 2007 en de door de curator overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 9 april 2008, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 11 juni 2008;

- conclusie van repliek, met producties;

- conclusie van dupliek, met producties;

- de stukken van de gelegde conservatoire beslagen.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang - het volgende vast:

2.1

Grootscholten is een leverancier van onder meer kweekgoed, planten ten behoeve van de productieteelt van groenten. Grootscholten en Triple Quality deden sinds 2003 zaken.

2.2

a. Een brief van Grootscholten aan Triple Quality d.d. 31 oktober 2006 houdt voor zover thans van belang in:

“(…)

Hierbij sturen wij u in tweevoud de specificaties van de door u bij ons 24 oktober geplaatste order. Wij danken u voor uw opdracht (…)

Wilt u deze orderbevestiging controleren en eventuele onvolkomenheden direct melden (…)

Orderspecificatie:

Soort plant: Tomatenplanten geënt en getopt op 2 bladeren

Rassen hoofdras Valdeza, Ingar en E33.037 (ENZA)

(….)

Aantal planten 48.220 ( 1 plant per pot) waarvan 30.000 Valdeza op Eldorado, 10.0000 E 33.037 op Eldorado en 8.200 Ingar op Maxifort.

(….)

Verdere opmerkingen:

. Plantenkwekerij Grootscholten rekent erop dat alle hygiëneprotocollen door uw bedrijf worden nageleefd. Dit betreft onder andere: het melden van “teelt”-problemen op uw bedrijf (…)”.

b. Onderaan de bladzijde van deze brief is op het briefpapier vermeld:

“Op al onze offertes, verkopen, leveringen en/of bewerkingen zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden Sierteelt en Voedingstuinbouw Opkweek van Plantum NL, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Rotterdam op 19 september 2002 inclusief de bijlage conform artikel 14. Deze Algemene Voorwaarden worden op aanvraag ter beschikking gesteld. De voorwaarden en de bijlage kunt u vinden op internet: www.plantum.nl/wetgeving.htm kopje “Algemene Voorwaarden Sierteelt en Voedingstuinbouw Opkweek”.

2.3

Deze brief is, onder vermelding van de datum (3 november 2006) en de plaats (Naaldwijk) voor akkoord ondertekend door Triple Quality en per fax retour gezonden aan Grootscholten.

2.4

Op 4 en 5 januari 2007 heeft Grootscholten aan Triple Quality 48.220 tomatenplanten van de in de onder 2.2 genoemde brief bedoelde rassen geleverd, om door Triple Quality te worden opgekweekt.

2.5

Voor deze leveringen is een factuur d.d. 14 februari 2007 voor een totaalbedrag van

€ 86.462,13, vermeerderd met € 36.001,84 aan entkosten gezonden, die onderaan de bladzijde dezelfde tekst vermeldt als hiervoor onder 2.2b geciteerd.

2.6

Eind januari 2007 heeft Triple Quality aan Grootscholten melding gemaakt van planten met slappe bladeren. Omdat het vermoeden bestond dat dit veroorzaakt werd door fytophora is daartegen een bespuiting uitgevoerd.

2.7

Op 17 februari 2007 heeft Grootscholten aan Triple Quality gemeld dat de tomatenplanten van enkele afnemers van haar mogelijk besmet waren met Clavibacter Michiganensis (Clavibacter), de bacterie die bacteriekanker ofwel bacterieverwelkingsziekte veroorzaakt. Het betreft hier een aandoening met quarantainestatus binnen de EU.

2.8

In februari 2007 is op het bedrijf van Triple Quality een besmetting van de tomatenteelt met Clavibacter vastgesteld. De besmetting heeft zich snel over het bedrijf uitgebreid.

2.9

In mei 2007 is de productie door Triple Quality gestaakt en de tomatenteelt verloren gegaan.

2.10

Triple Quality heeft Grootscholten bij fax d.d. 28 juni 2007 aansprakelijk gesteld.

2.11

Triple Quality en Grootscholten zijn, ter beperking van de schade, overeengekomen dat Grootscholten aan Triple Quality ruim 40.000 komkommerplanten zou leveren. Deze zijn op 20 en 21 juli 2007 geleverd en Grootscholten heeft aan Triple Quality uitstel van betaling ter zake van de betreffende facturen verleend.

2.12

Aan Triple Quality is op 24 augustus 2007 surseance van betaling verleend, waarna zij op 27 augustus 2007 failliet is verklaard, met benoeming van de curator tot curator.

2.13

De curator heeft Grootscholten bij brief d.d. 4 oktober 2007 aansprakelijk gesteld voor de teeltschade van Triple Quality.

2.14

De Algemene Voorwaarden Sierteelt en Voedingstuinbouw Opkweek van Plantum NL (hierna: de Plantumvoorwaarden) luiden, voor zover van belang als volgt:

“(…)

Artikel 11 Aansprakelijkheid

1.Alle aansprakelijkheid met betrekking tot niet tijdige levering (…)

3.Verkoper is niet aansprakelijk voor schade veroorzaakt door overmacht als bedoeld in artikel 8, lid 1.

4.De vergoeding door verkoper van de eventueel door koper geleden schade in het geval van een conform artikel 10 ingediende klacht zal niet hoger zijn dan de factuurwaarde van het geleverde, waar de klacht, die terecht blijkt te zijn betrekking op heeft, mits er sprake is van verwijtbaarheid of bewuste nalatigheid van de verkoper.

(…)”.

2.15

Grootscholten is door een aantal andere afnemers in binnen- en buitenland aansprakelijk gesteld in verband met Clavibacterbesmetting. Zij is verwikkeld in een Franse procedure op dat punt.

Grootscholten heeft in de relevante periode zaad van het ras Ursula betrokken van een Franse telerscoöperatie, Saveol, die zij in die procedure betrokken heeft in het kader van een vrijwaring.

3 Het geschil

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat Grootscholten hoofdelijk aansprakelijk is voor de door de curator, althans Triple Quality geleden schade als gevolg van de door Grootscholten geleverde tomatenplanten, nader op te maken bij staat;

-Grootscholten hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van die schade;

te vermeerderen met rente, en Grootscholten te veroordelen in de proceskosten.

3.1

Tegen de achtergrond van (een deel van) de vaststaande feiten heeft de curator aan de vordering, kort en zakelijk weergegeven de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

De onder 2.8 bedoelde Clavibacter-besmetting op het bedrijf van Triple Quality is veroorzaakt door het door Grootscholten geleverde materiaal. Bedoelde besmetting heeft geleden tot grote schade, in het bijzonder het verloren gaan van de teelt en uiteindelijk het faillissement. Grootscholten is uit hoofde van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad aansprakelijk voor de schade.

3.2

Grootscholten heeft gemotiveerd verweer gevoerd; het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van de curator in de kosten van het geding. Op de stellingen in dat kader zal hierna, voor zoveel nodig, worden teruggekomen.

4 De beoordeling

4.1

Partijen twisten over de vraag, of Grootscholten aansprakelijk is voor de schade. Vanzelfsprekend zal daaromtrent eerst een beslissing genomen moeten zijn alvorens van belang wordt of een exoneratieclausule uit Algemene Voorwaarden tussen partijen geldt en of Grootscholten daarop een beroep toekomt.

Met partijen is echter, uit proceseconomische overwegingen (met name samenhangend met de invloed van de toepasselijkheid van zo’n clausule op de hoogte van een eventuele schadevergoeding en daarmee op de mogelijkheden tot schikking) afgesproken, dat over deze laatste vraag eerst beslist zal worden.

4.2

Grootscholten stelt zich op het standpunt dat op de overeenkomst de Plantumvoorwaarden van toepassing zijn.

Dat betwist de curator niet, doch hij heeft, ingevolge art. 6:233 sub b BW, deze voor zover het de exoneratieclausule van art. 11 lid 4 aangaat, vernietigd, nu de voorwaarden niet aan Triple Quality ter hand zijn gesteld. De curator stelt zich daarbij op het standpunt, dat de overeenkomst eerst tot stand is gekomen doordat Triple Quality op 3 november 2006 de offerte van Grootscholten bij de fax van 31 oktober 2006 heeft geaccepteerd.

Grootscholten stelt echter dat de overeenkomst reeds op 24 oktober 2006 mondeling tot stand is gekomen -de rechtbank begrijpt: inclusief de Plantumvoorwaarden- , zonder dat een voorafgaande offerte was uitgebracht en dat het daarom redelijkerwijs voor Grootscholten niet mogelijk was om voor of bij het sluiten van de overeenkomst de voorwaarden aan Triple Quality ter hand te stellen.

4.3.1

In geschil is dus, of de overeenkomst reeds op 24 oktober 2006 mondeling tot stand gekomen is of niet. Voor zover de curator met het beroep op art. 3.2 van de Plantumvoorwaarden heeft bedoeld dat dit artikel in de weg staat aan de mogelijkheid van het sluiten van een mondelinge overeenkomst faalt dit beroep; zelfs als de situatie die daar wordt voorzien thans aan de orde is kan deze bepaling in redelijkheid niet zo worden begrepen dat deze in de weg staat aan de mogelijkheid van het, met instemming van beide partijen, mondeling sluiten van een overeenkomst.

4.3.2

Als juist is dat de overeenkomst -inclusief de Plantumvoorwaarden- mondeling tot stand is gekomen op 24 oktober 2006 is de rechtbank met Grootscholten van oordeel, dat terhandstelling op dat moment in redelijkheid niet mogelijk was. Tussen partijen staat vast, dat er tussen Triple Quality en Grootscholten meerdere vergaderingen zijn geweest over de door Triple Quality te plaatsen order voor tomatenplanten en dat niet concreet was afgesproken dat juist op 24 oktober 2006 definitief de knoop zou worden doorgehakt. Grootscholten heeft voorts onbetwist gesteld, dat haar vertegenwoordiger toen geen exemplaar van de Plantumvoorwaarden bij zich had. In die situatie was het natuurlijk in absolute zin niet onmogelijk om de voorwaarden ter hand te stellen -Grootscholten had ze bijvoorbeeld kunnen gaan halen- maar de wettelijke norm vergt ook geen volstrekte onmogelijkheid. Voldoende is, dat het ter hand stellen redelijkerwijs niet mogelijk is; gelet op de gebruikelijke gang van zaken bij normale zakelijke transacties, waartoe het wachten met het sluiten van de overeenkomst totdat de gebruiker de Algemene Voorwaarden is gaan halen niet behoort, is de rechtbank van oordeel dat daarvan sprake is. Wel vereist de wet in dat geval, dat Grootscholten voor het tot stand komen van de overeenkomst aan Triple Quality heeft medegedeeld dat de Plantumvoorwaarden bij haar ter inzage lagen dan wel bij de KvK waren gedeponeerd en op verzoek zullen worden toegezonden, doch Grootscholten stelt dat ook aan die voorwaarde is voldaan.

Grootscholten zal dus worden toegelaten tot het aangeboden bewijs ter zake.

4.3.3

Daarbij zij, ter voorkoming van misverstanden, opgemerkt dat, als vast komt te staan dat de overeenkomst mondeling op 24 oktober 2006 is gesloten, maar niet dat toen mededeling is gedaan omtrent het gedeponeerd zijn van de voorwaarden en de bereidheid tot toezending daarvan, de latere orderbevestiging zonder belang is. Dat stuk is dan immers niet voor het tot stand komen van de overeenkomst aan Triple Quality bekend geworden.

Wel kan, in dit verband, een mededeling van die strekking op een (veel) eerder moment dan 24 oktober 2006 voldoende zijn voor het bewijs; de rechtbank begrijpt, dat de stelling van Grootscholten is dat daarvan (ook) sprake is geweest. Voor zover het daarbij gaat om mededelingen die zijn gedaan aan (één van) de directeuren van Triple Quality in een andere hoedanigheid dan die van directeur van Triple Quality geldt echter, dat die in dit verband niet voldoende zijn, want de wet vereist (in art. 6 234 lid 1 b BW) expliciet bekendmaking aan de wederpartij.

4.4

Als Grootscholten niet slaagt in het onder 4.3.2 bedoelde bewijs moet worden aangenomen dat de overeenkomst tot stand is gekomen doordat Triple Quality op 3 november 2006 de orderbevestiging van oktober 2006 voor akkoord retour heeft gezonden.

4.4.1

In die orderbevestiging werd weliswaar verwezen naar de Plantumvoorwaarden, maar zij zijn niet meegezonden. De vermelding van een vindplaats op internet kan niet gelijk gesteld worden met het meezenden van de tekst. De wetgever heeft immers bij de vaststelling van de regelgeving rond de Algemene Voorwaarden een afweging gemaakt, die erop neer komt dat enerzijds al snel kan worden aangenomen dat Algemene Voorwaarden van toepassing zijn, ook als de wederpartij van de gebruiker de inhoud van die voorwaarden niet kent, maar anderzijds, en bij wijze van tegenwicht, dat de gebruiker dan ook gehouden is om te bewerkstelligen dat zijn wederpartij zonder moeite van die inhoud op de hoogte komt door hem de Algemene Voorwaarden ter hand te stellen. Zelfs als, anders dan in dit geval, de overeenkomst electronisch tot stand komt dient de gebruiker de Algemene Voorwaarden ter hand te stellen. Uit dit systeem, zoals dat ook door de Hoge Raad wordt gezien, blijkt dat een verwijzing naar een vindplaats op een site, hoe nauwkeurig ook, niet gelijk gesteld kan worden met ter hand stellen; ook het raadplegen van die site vergt immers actie van de wederpartij.

Dat betekent, dat in dat geval niet is voldaan aan de eisen van de artt. 6:233 jo. 234 BW voor wat betreft de ter hand stelling. De door de curator ingeroepen vernietiging stuit dus niet af op die verwijzing en heeft effect, zodat de exoneratieclausule in beginsel niet geldt.

4.4.2

Grootscholten heeft zich, voor dat geval, op het standpunt gesteld dat voor een uitzondering op dat beginsel in dit geval plaats is, omdat Triple Quality de inhoud van de Plantumvoorwaarden, en in het bijzonder de exoneratieclausule van art. 11 lid 4, ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst kende.

Een redelijke, met de eisen van de praktijk overeenstemmende interpretatie van de wettelijke regeling brengt, zoals door de Hoge Raad bevestigd in het arrest d.d. 1 oktober 1999 (NJ 2000, 207) inderdaad mee, dat als de wederpartij bekend is met de betreffende algemene voorwaarden er geen plaats is voor de vernietiging als bedoeld in de artt. 6:233 jo. 234 BW. Nu Grootscholten stelt en de curator betwist dat daarvan sprake is zal Grootscholten, op grond van proceseconomische redenen reeds thans, ook tot bewijs op dat punt worden toegelaten.

4.4.3

In dat verband wordt opgemerkt, dat pas na de bewijslevering en de daarop volgende conclusiewisseling definitief zal kunnen worden vastgesteld in hoeverre kennis die één van de leden van de directie van Triple Quality uit anderen hoofde bezat toegerekend kan worden aan Triple Quality (en dus nu de curator kan worden tegengeworpen). Ook al beroept Grootscholten zich niet op vereenzelviging van de rechtspersonen waarvoor één of meer van de directeuren in het verleden hebben opgetreden met Triple Quality maar op toerekening van de kennis van de betreffende directeur aan Triple Quality, het betreft hier een uitzondering op de regel van art. 6:233 jo 234 BW die dient ter bescherming van Triple Quality (als wederpartij van Grootscholten als gebruiker van Algemene Voorwaarden); dat betekent dat ruime toerekening niet zonder meer in de rede ligt. Anders dan bij de bekendmaking bedoeld in art. 6: 234 lid 1 b BW, hiervoor in 4.3.3. besproken, bestaat er echter geen (al dan niet wettelijke) eis die vergt dat de kennis het gevolg is van mededelingen aan Triple Quality. In beginsel behoeft dus voor de bekendheid niet ter zake te doen hoe deze is verkregen, zodat ook bekendheid met de Plantumvoorwaarden op grond van toezending daarvan door derden of algemene berichtgeving door Plantumvoorwaarden zelf relevant zou kunnen zijn.

De curator heeft echter nog niet kunnen reageren op de eerst bij dupliek nader ontwikkelde en met stukken onderbouwde stellingen van Grootscholten op dat punt. De rechtbank zal derhalve elk oordeel op dit punt opschorten tot nadat de curator zich daaromtrent nader -bij conclusie na enquête- heeft uitgelaten. Uit proceseconomische overwegingen zal echter aan de vraag wanneer en in welke hoedanigheid de betreffende directeur de kennis in kwestie heeft opgedaan bij de getuigenverhoren wel aandacht worden besteed.

4.4.4

In de branche werden eerder andere standaardvoorwaarden, de NVP-voorwaarden, gebruikt.

Deze luiden voor zover thans van belang als volgt:

“(...)

artikel 6 Afname voor of na afleveringsdatum

(…)

artikel 9 Reclame en schadevergoeding

(..)

5.Uitsluitend ingeval artikel 6 niet van toepassing is, en uitsluitend in geval de mislukking van de oogst te wijten is aan de kwaliteit van het door verkoper geleverde plantaardig materiaal en de verkoper ten aanzien van deze kwaliteit grove schuld verweten kan worden, kan koper aanspraak maken op een schadevergoeding.

6. de door de verkoper uit welken hoofde ook (…) verschuldigde vergoeding van door de koper geleden schade zal de koopprijs nimmer te boven gaan (…)”.

Voor het te leveren bewijs als bedoeld onder 4.4.2 is niet voldoende dat bekendheid zijdens Triple Quality met de NVP-voorwaarden en de daarin vervatte exoneratieclausule komt vast te staan. Hoewel kennelijk de Plantumvoorwaarden worden gezien als de opvolger van de NVP-voorwaarden, ook door Plantum zelf (de brancheorganisatie die deze opstelt), bestaan er onmiskenbare verschillen tussen beide, niet alleen in de structuur van de voorwaarden maar ook in de reikwijdte van de exoneratie. Partijen hebben die ook onderkend. Daarbij doet niet ter zake dat de Plantumvoorwaarden voor de wederpartij wellicht gunstiger zijn; het gaat immers in dit stadium slechts om het beroep op vernietiging en daarmee om de bekendheid met de voorwaarden. In dat kader is het enkele bestaan van verschillen, tegen de hiervoor geschetste achtergrond van het doel van de regeling, voldoende voor het oordeel dat bekendheid met de oude regeling niet gelijk gesteld mag worden aan bekendheid met de nieuwe.

Datzelfde geldt, mutatis mutandis, voor eventuele bekendheid met een versie van de Plantumvoorwaarden in een andere taal.

4.5

Als Grootscholten ook in het onder 4.4.2 bedoelde bewijs niet slaagt dient zich de vraag aan of het beroep van de curator op vernietiging van de exoneratieclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Voorshands valt niet in te zien waarom dat het geval zou zijn.

Dat de curator een redelijk belang heeft bij dat beroep is evident. De omstandigheid dat, zoals tussen partijen eigenlijk in confesso is, de Plantumvoorwaarden in de branche zijn te beschouwen als een gebruikelijk beding maakt wel, dat Triple Quality rekening moest houden met de toepasselijkheid van de exoneratieclausule en in dat verband dat het beroep op vernietiging weinig redelijk is, maar dat is onvoldoende om dat beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten. Een andere opvatting zou immers betekenen, dat de regeling omtrent de vernietiging van Algemene Voorwaarden op de grond dat geen behoorlijke mogelijkheid tot kennisname is geboden een dode letter zou zijn zodra de voorwaarden in kwestie in de branche gebruikelijk zijn. Die vergaande consequentie valt niet te rijmen met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever (tegen de achtergrond van de Europese regelgeving) en de uitleg in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Datzelfde geldt, op vergelijkbare gronden, voor de omstandigheid dat partijen vaker zaken met elkaar hadden gedaan en dat deze Algemene Voorwaarden tussen partijen eerder toepasselijk waren geweest, hoezeer deze omstandigheden onder de oude wettelijke regeling ook plachten te leiden tot toepasselijkheid van een dergelijke exoneratieclausule. De wetgever heeft immers uitdrukkelijk een ander regime in het leven willen roepen zoals hiervoor besproken.

Voor wat betreft de eerdere besmetting met fytophotra staat inmiddels vast, dat de gevolgen daarvan tussen partijen commercieel zijn opgelost, zonder dat een beroep op de exoneratieclausule en/of vernietiging daarvan aan de orde is geweest. Dat incident is dus voor de bekendheid met de clausule zonder belang.

4.6

Het voorgaande betekent, dat als Grootscholten op geen van beide punten slaagt in het haar opgedragen bewijs naar het zich nu laat aanzien de exoneratieclausule vernietigd is, zodat Grootscholten aansprakelijk is voor de volledige schade van Grootscholten, als aan de overige voorwaarden voor aansprakelijkheid is voldaan en behoudens eventuele medeschuld van Triple Quality.

Om de aansprakelijkheid van Grootscholten vast te stellen zal te zijner tijd in elk geval een deskundigenbericht noodzakelijk zijn en mogelijk ook nadere bewijslevering.

4.7

Als Grootscholten slaagt in het onder 4.3.2 of in het onder 4.4.2 bedoelde bewijs gelden de Plantumvoorwaarden tussen partijen, inclusief de exoneratieclausule, en is voor vernietiging geen plaats.

Voor dat geval heeft de curator zich op het standpunt gesteld dat het beroep dat Grootscholten doet op de exoneratieclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Op dat beroep kan thans nog niet beslist worden, omdat op dit moment onduidelijk is hoe de besmetting is ontstaan en in hoeverre Grootscholten daarvan een verwijt is te maken; zoals partijen ook hebben onderkend zal, met name als sterk verwijtbaar handelen en/of nalaten van Grootscholten komt vast te staan, dat wellicht aan een beroep op de exoneratie in de weg staan. Daarbij zal dan echter ook meegewogen moeten worden de wijze waarop Triple Quality zelf met de besmetting is omgegaan en de verwijten die haar mogelijk te maken zijn, alsmede alle andere relevante omstandigheden, waaronder de mogelijkheid van verzekering door Triple Quality en de (volgens Grootscholten beperkte) verzekeringsdekking bij Grootscholten; in dat kader zal de curator ook kunnen reageren op de ten dele eerst bij dupliek volledig ontwikkelde en onderbouwde stellingen van Grootscholten daaromtrent.

De rechtbank merkt echter reeds thans op, dat de aan te leggen maatstaf een zeer strenge is. Een exoneratie als deze vindt immers zijn rechtvaardiging in de -voor beide partijen, als ervaren marktdeelnemers, kenbare- disproportioneel grote schade die kan voortvloeien uit de levering van een gebrekkige partij kweekgoed. Dergelijke exoneratieclausules dienen derhalve een zwaarwegend zakelijk belang en kunnen voor het voortbestaan van de toeleveranciersbranche moeilijk gemist worden; daarmee dienen zij indirect ook het belang van de afnemers van kweekgoed, de handel en uiteindelijk de samenleving als geheel. Een beroep daarop zal dus niet licht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

4.8

Ter comparitie is aan de orde geweest dat in de Franse procedure ook een deskundigenonderzoek is gelast. Aan partijen wordt verzocht in hun conclusies na enquête de resultaten daarvan alsmede andere relevante gegevens over te leggen. Partijen kunnen zich daarbij voorts uitlaten over de in deze procedure te benoemen deskundige(n) en de voor te leggen vragen, bij voorkeur nadat zij daarover onderling overleg hebben gepleegd en zo mogelijk overeenstemming hebben bereikt.

4.9

Zoals ter comparitie besproken zal het debat over de omvang van de schade in beginsel worden uitgesteld totdat over de aansprakelijkheid is beslist.

5 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

draagt Grootscholten op het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat

-de overeenkomst, inclusief de toepasselijkheid van de Plantumvoorwaarden, mondeling tot stand is gekomen op 24 oktober 2006 en dat voor het tot stand komen van die overeenkomst aan Triple Quality bekend is gemaakt dat de Plantumvoorwaarden gedeponeerd waren en dat ze op verzoek zouden worden toegezonden;

-Triple Quality ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bekend was met de inhoud van de exoneratieclausule zoals opgenomen in de Plantumvoorwaarden;

bepaalt dat indien Grootscholten dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. Hofmeijer-Rutten;

bepaalt dat de advocaat van Grootscholten binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan eigen zijde in de maanden augustus tot en met december 2009 en dat de advocaat van de curator binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan eigen zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hofmeijer-Rutten.

Uitgesproken in het openbaar.

106/204