Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK8548

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
07-01-2010
Zaaknummer
10/661145-09 en 05/516771-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte is veroordeeld voor overtreding van artikel 6 WVW 1994. Hoewel de verdachte uiteindelijk niet bij het verkeersongeval betrokken was wordt aangenomen dat het verkeersongeval wel aan zijn schuld te wijten is, omdat hij voorafgaand aan het ongeval een van de daarbij betrokken auto's op roekeloze wijze heeft opgejaagd en achtervolgd.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 6, geldigheid: 2009-10-06
Wetboek van Strafrecht 141, geldigheid: 2009-10-06
Wetboek van Strafrecht 285, geldigheid: 2009-10-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/661145-09

Parketnummer van de vordering TUL VV: 05/516771-08

Datum uitspraak: 6 oktober 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum]1982 te [plaats] (Bondesrepubliek Duitsland),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsman mr. N.G. Cornelissen, advocaat te Groenlo.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2009.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het onder 1 primair ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte, rijdende in een bestelauto, op de snelweg een andere auto heeft achtervolgd, waarna die andere auto in aanrijding is gekomen met een andere auto, tengevolge waarvan de bestuurster van die andere auto zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.

Subsidiair, dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg is veroorzaakt.

2. Samen met anderen geweld plegen door tegen een auto, te slaan en/of schoppen.

3. Bedreiging van de bestuurder van die auto door hem op de rijksweg met hoge snelheid te achtervolgen en toen hij tot stilstand was gekomen tegen die auto te slaan en/of schoppen.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van Heemst heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen, met aftrek van voorarrest, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren.

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van het gedeelte van de ontzegging van de rijbevoegdheid, groot vier maanden, die aan de verdachte voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis d.d. 27 januari 2009 van de kantonrechter in het arrondissement Arnhem, zitting houdende te Tiel.

GELDIGHEID DAGVAARDING

De raadsman heeft de nietigheid van de dagvaarding bepleit ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit. Nu de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde en kan dit verweer onbesproken blijven.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Van het volgende wordt uitgegaan:

Ten aanzien van feit 1 (roekeloos rijden, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend).

Op 9 juli 2009 reed een vrachtauto op de vrachtautodoelgroepen-strook van de Van Brienenoordbrug op de snelweg A16 te Rotterdam. Er was vrij veel verkeer en men reed ongeveer 70 km/uur. Op de linkerrijstrook reed een witte bestelauto en op de rechterrijstrook een zwarte bestelbus met Duits kenteken. De chauffeur van voornoemde vrachtauto, genaamd [E], zag dat na de Van Brienenoordbrug de witte bestelauto op rustige wijze van de linker naar de rechter rijstrook reed en dat de zwarte bestelbus ineens vaart meerderde, kennelijk om het gat dicht te rijden. De zwarte bestelbus naderde hierdoor de witte bestelauto, stuurde naar rechts en kwam in aanraking met de oplegger van de vrachtauto. Er was schade aan de zwarte bestelbus. Vervolgens haalde de zwarte bestelbus de witte auto rechts in en kwam voor de witte auto te rijden. De zwarte bestelbus trapte vervolgens hard op zijn rem, waardoor het verkeer dat er achter reed ook zeer krachtig moest remmen. Er ontstond een kat-en-muis spel tussen de witte bestelauto en de zwarte bestelbus, waarbij iedere keer de zwarte auto de witte auto wilde afsnijden en remde. De ene keer reed hij links van de witte auto en dan weer rechts.

De verdachte was de bestuurder van de zwarte bestelbus VW Transporter. De medeverdachte [B] was een van zijn passagiers. Verdachte is, nadat zijn bestelbus schade had opgelopen door de aanrijding met de vrachtauto, achter de witte bestelauto aangereden. Hij was boos omdat zijn auto kapot was gereden. Hij wilde de witte bestelbus klemrijden en tot stoppen dwingen zodat de gegevens konden worden genoteerd voor de verzekering. Met handsignalen en lichtsignalen heeft hij geprobeerd de bestuurder tot stoppen te dwingen. De verdachte is achter de witte bestelbus aangereden, richting Gouda / Utrecht, op de A20.

De medeverdachte [B] zag dat de witte bestelauto de afslag naar Capelle aan den IJssel had genomen en zei dit tegen Verdachte. Vervolgens zijn zij via de vluchtstrook en over het gras die afrit opgereden en achter de witte bestelauto aangegaan. [B] heeft verdachte tijdens de rit aanwijzingen gegeven over waar die witte auto heen was gereden.

Toen de witte bestelauto op een gegeven moment voor een rood verkeerslicht stond te wachten en verdachte hem naderde, trok de witte bestelauto ineens op en reed door. Op het volgende stuk weg lukte het verdachte om de witte bestelauto in te halen. Weer wilde verdachte de weg blokkeren zodat de witte bestelauto moest stoppen. De witte bestelauto keerde echter en reed terug. Verdachte keerde even verder op en reed vervolgens terug in de richting waar hij vandaan kwam. [B] zag de witte bestelauto toen in een zijstraat en zei dit tegen verdachte. Toen verdachte keek, botste de witte auto vol op een kleine blauwe auto. Hij heeft die blauwe auto over de weg zien tollen.

[C], de bestuurder van de witte Nissan bestelauto, reed op 9 juni 2009 op de rijksweg A16, de Van Brienenoordburg toen hij zag dat een zwarte bestelbus in aanrijding kwam met een vrachtauto. Vervolgens haalde de zwarte bestelbus hem rechts in en stuurde naar links. Links van hem was de vangrail. Er ontstond een achtervolging. [C] nam de afslag richting Gouda en reed de A20 op. Op het allerlaatste moment heeft hij de afslag Capelle aan den IJssel genomen. [C] zag dat de zwarte bestelbus de vluchtstrook op reed en via de berm ook deze afrit nam en in volle vaart achter hem aan kwam. Bij een volgende kruising is [C] gekeerd. Ook de zwarte bestelbus keerde en reed nog steeds achter hem aan. [C] voelde zich hierdoor zodanig bang en bedreigd dat hij niet meer durfde te stoppen en door een rood verkeerslicht de kruising van de Hoofdweg is opgereden en in aanrijding is gekomen met een blauwe auto, waarna hij in de berm tot stilstand kwam.

[C] heeft tijdens het rijden, toen hij werd achtervolgd door de zwarte bestelbus, de meldkamer van de politie gebeld. De schriftelijke uitwerking van dit gesprek bevindt zich in het dossier en de geluidsopnamen zijn op de terechtzitting beluisterd. Daarop is te horen dat [C] zeer angstig en bang is, zeker als hij ziet dat verdachte hem via de berm blijft achtervolgen (hetgeen overigens ter zitting door verdachte is weersproken, die heeft staande gehouden dat dit voor [C] niet zichtbaar kon zijn) en dat na de aanrijding een manspersoon in de Duitse taal roept: “Ja, kommt draus sage ich, kommt draus sage ich dir” (fon.). Tevens zijn bonken te horen alsof er op de auto van [C] wordt geslagen en/of geschopt. Tussen de botsing en het contact tussen [C] en de Duitssprekende personen, zaten 24 seconden.

Het ongeval vond plaats op de kruising van de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de Hoofdweg met de Burgemeester van Dijklaan te Capelle aan den IJssel tussen een witte Nissan en een blauwe Fiat Seicento. De bestuurster van de Fiat is ter plaatse door ambulancepersoneel behandeld en overgebracht naar een ziekenhuis.

De bestuurster van de Fiat Seicento, mevrouw [slachtoffer] stond op 9 juni 2009 op de kruising Burgemeester van Dijklaan/Hoofdweg te Capelle aan den IJssel voor het rode verkeerslicht. Toen het groen werd trok zij op. Ze zag in een flits een witte bestelauto de kruising oprijden, heel hard, waarna zij aan haar linkerzijde door een witte bestelbus werd aangereden. Zij moest uit haar auto worden geknipt en is naar het ziekenhuis vervoerd. Daar werd geconstateerd dat haar schaambeen en bekken gebroken waren. Twee dagen later bleek dat haar milt gescheurd was. Deze is verwijderd waardoor zij voor de rest van haar leven medicijnen moet slikken. Van 9 juni tot en met 3 juli 2009 heeft zij in het ziekenhuis gelegen. en

De rechtbank is van oordeel dat uit deze bewijsmiddelen volgt dat de verdachte [C] op roekeloze wijze heeft achtervolgd waardoor uiteindelijk de aanrijding tussen de auto’s van [C] en [slachtoffer] heeft plaatsgevonden.

Door de raadsman is betoogd dat ongeval tussen [C] en het slachtoffer [slachtoffer] niet aan zijn cliënt kan worden toegerekend. [C] had na de aanrijding op de A16 al meteen moeten stoppen. Even later op de A20 is hij daarop nogmaals gewezen. Door dit niet te doen heeft hij zichzelf in een situatie gebracht die uiteindelijk heeft geleid tot het verkeersongeval. De gevolgen daarvan dienen voor rekening van [C] te blijven en komen niet voor rekening van cliënt.

De rechtbank kan de raadsman in zijn betoog niet volgen. Zelfs indien wordt aangenomen dat [C] is doorgereden na een door hem veroorzaakte aanrijding, rechtvaardigt dit niet de daarop gevolgde achtervolging zoals die hiervoor is beschreven. De verdachte heeft gehandeld uit boosheid en wilde de witte bestelauto absoluut tot stoppen dwingen om de bestuurder daarvan ter verantwoording te roepen. De rechtbank kwalificeert dit handelen als disproportioneel en volstrekt onverantwoord, gelet op het gevaar dat hierdoor teweeg is gebracht voor de overige verkeersdeelnemers, met een ernstig verkeersongeval als eindresultaat. Niet valt in te zien dat dit ongeval niet mede kan worden toegerekend aan het handelen van de verdachte. Dit verweer wordt dan ook verworpen.

Door de raadsman is voorts aangevoerd dat de verdachte de achtervolging al had gestaakt voordat het ongeval plaatsvond. Na het staken van de achtervolging is [C] nog twee keer door een rood stoplicht gereden, terwijl bij het tweede stoplicht de verdachte uit het zicht van [C] moet zijn geweest. Dat [C] er op dat moment voor heeft gekozen om toch door rood te rijden kan niet aan de verdachte worden toegerekend.

Ook dit verweer treft geen doel. Dat de verdachte de achtervolging al was gestaakt is niet aannemelijk geworden. Immers waren de verdachte en zijn medeverdachte [B] al na 24 seconden ter plaatse van het ongeval, zo blijkt uit de geluidsopnamen. De raadsman heeft in dit verband nog aangevoerd, dat binnen een tijdverloop van 24 seconden, in een auto, heel wat meters kunnen worden afgelegd. Gerekend moet echter ook worden met het keren, stoppen en uitstappen van de verdachte en zijn medeverdachte. Aldus bezien kan het niet anders dan dat zij dicht in de buurt van de plaats van het ongeval zijn geweest, hetgeen wordt bevestigd door de verklaring van de verdachte die de aanrijding heeft zien gebeuren. Ook de reactie van de verdachte naar [C] direct na het ongeval geeft er geen blijk van dat de verdachte van de achtervolging, teneinde [C] ter verantwoording te roepen, had afgezien.

Ten aanzien van feit 2 (openlijk geweld).

De witte bestelauto kwam na de aanrijding in de berm terecht en kort daarna parkeerde de zwarte bestelbus ook in de berm. [C] zag dat de inzittenden ervan uitstapten, naar zijn auto liepen en tegen de voorportieren van zijn auto schopten, waardoor er deuken in kwamen. De bestuurder van de zwarte bestelbus schreeuwde dat [C] de deur open moest maken.

In de beide portieren van de auto van [C] zijn deuken geconstateerd. Op beide portieren van de auto van [C] zijn moddersporen aangetroffen en op het rechterportier ook een afdruk van de profilering van een schoenzool. Het modderspoor op het rechter portier was aanzienlijk groter dan de afdruk van een schoenzool, waaruit geconcludeerd kan worden dat meer dan éénmaal tegen dit portier is geschopt.

De verdachte heeft op de terechtzitting erkend dat hij met zijn hand tegen de ruit van de auto van [C] heeft geslagen en dat hij gezegd heeft dat hij uit de auto moest komen. Hij heeft zijn eigen stem herkend op de geluidsopname van het meldkamergesprek. De medeverdachte [B] heeft verklaard dat hij tegen de auto heeft geduwd en een soort schuddende beweging heeft gemaakt, en dat het ook zo kan zijn dat hij met zijn voet tegen de deur aan is gekomen. Ook hij bevestigt dat ze hebben gezegd dat de inzittende uit zijn auto moest komen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen de bestelauto van [C]. Namens de verdachte is betoogd dat zijn opzet erop was gericht om [C] in het belang van de verkeersveiligheid niet meer door te laten rijden. Dat verweer wordt verworpen. Gelet op de boosheid van de verdachte, zijn bedoeling om [C] tot stoppen te dwingen vanwege de schade aan zijn bestelbus en de achtervolging die aan de botsing voorafging, gaat de rechtbank ervan uit dat het hem erom te doen was om verhaal te halen en niet om in het belang van de verkeersveiligheid te voorkomen dat [C] zou doorrijden. Als de verkeersveiligheid werkelijk het doel van de verdachte was, dan had hij de achtervolging direct moeten staken.

Ten aanzien van feit 3 (bedreiging).

Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van de feiten 1 en 2 is overwogen volgt voorts dat de verdachte zich samen met zijn medeverdachte [B] schuldig heeft gemaakt aan het bedreigen van [C]. Het op roekeloze wijze achtervolgen over de snelweg en daarna in Capelle aan den IJssel en het vervolgens slaan en schoppen tegen de auto van [C] nadat deze na een ernstig verkeersongeval tot stilstand was gekomen, is objectief gezien bedreigend. [C] heeft het ook als zeer bedreigend ervaren, hij dacht dat hij mishandeld zou worden.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 09 juni 2009 op voor het openbaar verkeer openstaande wegen te Rotterdam en Capelle aan den IJssel als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos, te rijden, welk roekeloos rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen

daar,

nadat op de Rijksweg A16 (op of ter hoogte van de Van Brienenoordbrug) onenigheid was ontstaan tussen hem, verdachte, en de bestuurder van een bestelbus, genaamd [C] (waardoor een aanrijding ontstond tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en een aldaar rijdende vrachtwagen),

die [C] op die Rijksweg A16 heeft achtervolgd en heeft getracht die [C] tot stoppen te dwingen door die [C] links en rechts in te halen en te snijden en klem te rijden en (kort) vóór die [C] te rijden en (vervolgens) (plotseling) hard te remmen en (aldus rijdend) die [C] verder is gaan (achter)volgen en opjagen op de Rijksweg A20 en (via de berm) de afrit naar Capelle aan den IJssel is opgereden om die [C] verder te (achter)volgen,

waardoor die [C] zich zodanig bedreigd en onveilig voelde dat hij zich genoodzaakt zag één of meer rode verkeerslichten te negeren en vervolgens op de kruising van de Hoofdweg met de Burgemeester van Dijklaan in aanrijding is gekomen met de bestuurder van een personenauto, genaamd [slachtoffer], die (inmiddels) die kruising (bij groen licht) was opgereden,

waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten een bekkenbreuk) werd toegebracht;

2.

hij op 09 juni 2009 te Capelle aan den IJssel, op of aan de openbare weg, de Hoofdweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de (bestel)auto van [C], welk geweld bestond uit het meermalen, met kracht schoppen en/of trappen en/of slaan op/tegen de (bestel)auto van die [C];

3.

hij op 09 juni 2009 te Rotterdam en Capelle aan den IJssel tezamen en in vereniging met een ander [C] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (met een (bestel)bus) (de (bestel)auto van) die [C] op die Rijksweg A16 achtervolgd en heeft getracht die [C] tot

stoppen te dwingen door die [C] links en rechts in te halen en te snijden en klem te rijden en (kort) vóór die [C] te rijden en (vervolgens) (plotseling) hard te remmen en (aldus rijdend) die [C] verder is gaan (achter)volgen en opjagen op de Rijksweg A20 en via de berm de afrit naar Capelle aan den IJssel is opgereden om die [C] verder te (achter)volgen,

en vervolgens nadat de (bestel)auto van die [C] (ten gevolge van een aanrijding) tot stilstand is gekomen (met kracht) schoppen en/of trappen en/of slaan op/tegen de (bestel)auto van die C. [C] en daarbij dreigend die [C] de woorden toegevoegd: 'kommt draus sage ich dir'.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1. overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, terwijl de schuld bestaat uit roekeloosheid en terwijl aan het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

2. openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen;

3. medeplegen van bedreiging met zware mishandeling.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstan¬digheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een bestelbus in de ochtendspits op roekeloze wijze een andere bestelbus achtervolgd, opgejaagd en geprobeerd deze tot stoppen te dwingen, onder meer door rechts in te halen, voor hem rijdend plotseling hard te remmen en hem klem te rijden. [C], de inzittende van de bestelauto, voelde zich hierdoor zo bedreigd en onveilig dat hij - opgejaagd door de verdachte - op een kruising een rood verkeerslicht heeft genegeerd en daarbij in aanrijding is gekomen met een andere personenauto. De inzittende van die personenauto heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel, een bekkenbreuk, opgelopen. In het ziekenhuis bleek dat ook haar milt zodanig beschadigd was dat deze diende te worden verwijderd. Het slachtoffer heeft bijna vier weken in het ziekenhuis gelegen en de gevolgen van dit ongeval zijn voor haar zeer ingrijpend. De inhoud van haar slachtofferverklaring geeft weer welk geestelijke en lichamelijke leed haar is aangedaan. De rechtbank rekent de verdachte deze achtervolging en de gevolgen daarvan zwaar aan.

Ook rekent de rechtbank het de verdachte zwaar aan dat hij na de botsing tussen [C] en [slachtoffer] de voor [C] zeer bedreigende situatie heeft doen voortduren door met medeverdachte [B] tegen de auto van [C] te slaan en schoppen en te roepen dat [C] uit de auto moest komen. Een dergelijk handelen jegens iemand die net betrokken was bij een ernstig ongeval, geeft er blijk van dat de verdachte geen inzicht heeft in de gevolgen van zijn handelen voor anderen en voor de extreme gevaarzetting van zijn handelen

Dat [C] zich zeer bedreigd voelde door de verdachte en zijn medeverdachte [B], is evident. Dit blijkt ook nog eens heel helder uit het telefoongesprek dat [C] met de meldkamer van de politie voerde tijdens en na de achtervolging. De verdachte heeft voor zijn handelen ook ter zitting geen verantwoordelijkheid genomen.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 11 juni 2009 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat hij al eerder is veroordeeld voor een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, ondermeer tot een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, waarvan de proeftijd nog loopt.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de persoonlijke belangen van de verdachte, zijn gezin in Duitsland en de bedrijfsvoering van zijn eenmanszaak. Alles overwegende is zij van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf of een (voorwaardelijke) werkstraf, zoals de raadsman heeft bepleit.

Alles afwegend worden na te noemen straffen, bestaande uit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, passend en geboden geacht.

VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

De vordering van de benadeelde [slachtoffer].

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd mevrouw [slachtoffer], wonende te [adres], ter zake van feit 1. Zij vordert vergoeding van materiële schade aan haar auto tot een bedrag van € 2.420,=, vergoeding van een aantal andere materiele kosten die zij niet heeft begroot en een door de rechtbank te bepalen bedrag aan immateriële schade. Ter zitting heeft mevrouw [slachtoffer] verklaard dat de jas die zij die dag aan had, kapot is geknipt. Deze jas was een jaar oud en had € 300,= gekost.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, alsmede tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft afwijzing van de vordering bepleit, aangezien hij vrijspraak heeft bepleit van het onderliggende feit.

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en dat de gevorderde schade¬vergoeding met betrekking tot de auto genoegzaam is onderbouwd. Dit deel van de vordering zal, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen. Ten aanzien van de kapot geknipte jas en de overige materiële schadeposten is de vordering onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij daarin niet ontvankelijk wordt verklaard.

Daarnaast is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde straf¬bare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid en gelet op algemene ervaringsregels worden vastgesteld op € 3.000,=, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige wordt de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in haar vordering, zodat die voor het overige slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aange¬bracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De vordering van de benadeelde [C].

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd de heer [C], wonende te [adres], ter zake van de feiten 1, 2 en 3. Hij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 240,= en als voorschot een bedrag aan immateriële schade tot een bedrag van € 300,=.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, alsmede tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft afwijzing van de vordering bepleit, aangezien hij vrijspraak heeft bepleit van de onderliggende feiten.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van [C] niet van zo eenvoudige aard is, dat die vordering zich leent voor behande¬ling in dit strafgeding. [C] zal daarin niet ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aange¬bracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij wordt afgewezen, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt. Deze kosten worden begroot op nihil.

VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij verstek gewezen vonnis d.d. 27 januari 2009 van de kantonrechter in het arrondissement Arnhem, zitting houdende te Tiel, is de verdachte terzake van overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld voor zover van belang tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht maanden, waarvan een gedeelte groot vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd is op grond van artikel 14b, derde lid van het Wetboek van Strafrecht ingegaan op 11 februari 2009.

De verdachte heeft aangevoerd dat hij niet op de hoogte was van de proeftijd van de voor¬waardelijke rijontzegging. Echter, de verdachte heeft ook verklaard dat hij wel op de hoogte was van het feit dat er een zitting zou plaatsvinden, maar dat hij ervoor gekozen heeft daarbij niet aanwezig te zijn. Het lag dan ook op de weg van de verdachte zich van de uitkomst van die zitting op de hoogte te stellen. Overigens is er, zoals blijkt uit het dossier, ook een mededeling voorwaardelijke veroordeling naar de verdachte uitgegaan.

De rechtbank constateert dat de hierboven bewezen verklaarde feiten na het wijzen van het vonnis d.d. 27 januari 2009 en voor het einde van de proeftijd zijn gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Daarom zal door de rechtbank de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijke gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14g, 36f, 47, 57, 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van tweehonderd (200) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twee (2) jaren;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 5.420,= (zegge: vijfduizend vierhonderd twintig euro) en veroor¬deelt de verdachte dit bedrag tegen kwij¬ting aan [slachtoffer], wonende te [adres];

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de bena¬deelde partij [slachtoffer] gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoer¬legging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 5.420,= (zegge: vijfduizend vierhonderd twintig euro), bij gebreke van volledige betaling en volle¬dig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 62 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hech¬tenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] en omgekeerd;

verklaart de benadeelde partij [C] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij [C] in de kosten door de verdachte ter verdedi¬ging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot vier maanden, van de bij vonnis d.d. 27 januari 2009 van de kantonrechter in het arrondissement Arnhem zitting houdende te Tiel aan de veroordeelde opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Franken, voorzitter,

en mrs. Wiersinga en Doorduijn, rechters,

in tegenwoordigheid van Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 oktober 2009.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 09 juni 2009 op voor het openbaar verkeer openstaande

wegen te Rotterdam en Capelle aan den IJssel als verkeersdeelnemer, namelijk

als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), zich zodanig heeft gedragen

dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

met dat motorrijtuig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onoplettend en/of onvoorzichtig te rijden, welk roekeloos en/of onoplettend

en/of onvoorzichtig rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen

daar,

nadat op de Rijksweg A16 (op of ter hoogte van de Van Brienenoordbrug)

onenigheid was ontstaan tussen hem, verdachte, en de bestuurder van een

bestelbus, genaamd [C] (waardoor een aanrijding ontstond tussen het

door hem, verdachte, bestuurde voertuig en een aldaar rijdende vrachtwagen),

(met hoge snelheid) die [C] op die Rijksweg A16 heeft achtervolgd en/of

heeft getracht die [C] tot stoppen te dwingen door die [C] links

en/of rechts in te halen en/of te snijden en/of klem te rijden en/of (kort)

vóór die [C] te rijden en (vervolgens) (plotseling) hard te remmen en/of

(aldus rijdend) die [C] verder is gaan (achter)volgen en/of opjagen op

de Rijksweg A20 en/of (via de berm) de afrit naar Capelle aan den IJssel is

opgereden om die [C] verder te (achter)volgen,

waardoor die [C] zich zodanig bedreigd en/of onveilig voelde dat hij

zich genoodzaakt zag één of meer rode verkeerslichten te negeren en

(vervolgens) op de kruising van de Hoofdweg met de Burgemeester van Dijklaan

in botsing of aanrijding is gekomen met de bestuurder van een personenauto,

genaamd [slachtoffer], die (inmiddels) die kruising (bij groen licht) was

opgereden,

waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten een

bekkenbreuk) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden

is ontstaan;

(artikel 6 jo artikel 175, lid 3, jo 179 van de Wegenverkeerswet 1994)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 juni 2009 op voor het openbaar verkeer openstaande

wegen te Rotterdam en Capelle aan den IJssel als bestuurder van een

motorrijtuig (bedrijfsauto), zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die

wegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op

die wegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

nadat op de Rijksweg A16 (op of ter hoogte van de Van Brienenoordbrug)

onenigheid was ontstaan tussen hem, verdachte, en de bestuurder van een

bestelbus, genaamd [C] (waardoor een aanrijding ontstond tussen het

door hem, verdachte, bestuurde voertuig en een aldaar rijdende vrachtwagen),

(met hoge snelheid) die [C] op die Rijksweg A16 heeft achtervolgd en/of

heeft getracht die [C] tot stoppen te dwingen door die [C] links

en/of rechts in te halen en/of te snijden en/of klem te rijden en/of (kort)

vóór die [C] te rijden en (vervolgens) (plotseling) hard te remmen en/of

(aldus rijdend) die [C] verder is gaan (achter)volgen en/of opjagen op

de Rijksweg A20 en/of (via de berm) de afrit naar Capelle aan den IJssel is

opgereden om die [C] verder te (achter)volgen,

waardoor die [C] zich zodanig bedreigd en/of onveilig voelde dat hij

zich genoodzaakt zag één of meer rode verkeerslichten te negeren en

(vervolgens) op de kruising van de Hoofdweg met de Burgemeester van Dijklaan

in botsing of aanrijding is gekomen met de bestuurder van een personenauto,

genaamd [slachtoffer], die (inmiddels) die kruising (bij groen licht) was

opgereden;

(artikel 5 jo artikel 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994)

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij

op of omstreeks 09 juni 2009

te Capelle aan den IJssel,

op of aan de openbare weg, de Hoofdweg, in elk geval op of aan een openbare

weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de (bestel)auto van

[C], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal (telkens)

(met kracht) schoppen en/of trappen en/of slaan op/tegen de (bestel)auto van

die [C];

[art. 141 Wetboek van Strafrecht]

3.

hij

op of omstreeks 09 juni 2009

te Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

[C] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans

met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

(met een (bestel)bus) (met hoge snelheid) (de (bestel)auto van) die [C]

op die Rijksweg A16 heeft achtervolgd en/of heeft getracht die [C] tot

stoppen te dwingen door die [C] links en/of rechts in te halen en/of te

snijden en/of klem te rijden en/of (kort) vóór die [C] te rijden en

(vervolgens) (plotseling) hard te remmen en/of (aldus rijdend) die [C]

verder is gaan (achter)volgen en/of opjagen op de Rijksweg A20 en/of (via de

berm) de afrit naar Capelle aan den IJssel is opgereden om die [C]

verder te (achter)volgen,

en/of

(vervolgens) nadat de ((bestel)auto van die [C] (ten gevolge van een

aanrijding) tot stilstand is gekomen (met kracht) schoppen en/of trappen en/of

slaan op/tegen de (bestel)auto van die [C] en/of

(daarbij) dreigend die [C] de woorden toegevoegd: 'kommt draus zage ich

dir', althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

[art. 285 Wetboek van Strafrecht]