Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK7104

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-12-2009
Datum publicatie
18-12-2009
Zaaknummer
10/632206-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BO3350, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Rotterdam heeft een rapper veroordeeld terzake van bedreiging van een lid van de Tweede Kamer. De bedreiging vond plaats in de vorm van een raptekst met de titel "wie iz de volgende?". In de tekst wordt onder meer verwezen naar de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Het verweer dat de raptekst geen bedreiging inhoudt omdat - kort gezegd - het ging om een aanslag met woorden en in een droom, slaagt niet. Deze nuanceringen in de raptekst doen niet af aan het bedreigende karakter van de tekst als geheel. Verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 80 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en tevens is de tenuitvoerlegging gelast van een eerdere voorwaardelijke veroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: [parketnummer]

Parketnummer van vordering TUL: [parketnummer]

Datum uitspraak: 18 december 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres] te [woonplaats],

raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 juli 2008 (zulks op de voet van artikel 377, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering) en van 4 december 2009.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte de heer [slachtoffer] (verder: [slachtoffer]) heeft bedreigd door middel van een videoclip genaamd “Wie iz de volgende” met daarin een raptekst waarin - onder meer - wordt verwezen naar de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh en waarin bij herhaling wordt gevraagd wie de volgende is.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Swaak heeft gerequireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, met aftrek, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van twee jaren.

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van de werkstraf van 32 uren die aan de verdachte voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis d.d. 1 juni 2007 van de kinderrechter in deze rechtbank en wel in die zin dat ex art 77 k Wetboek van Strafrecht de vervangende jeugddetentie zal worden omgezet in vervangende hechtenis.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Aanhouding en inverzekeringstelling onrechtmatig?

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Hij stelt daartoe dat de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte onrechtmatig zijn. De verdachte is vrijwillig bij de politie verschenen op het tijdstip dat hem was gevraagd daar te verschijnen. Er was dan ook geen enkele reden om hem aan te houden. De daarop volgende inverzekeringstelling vond alleen plaats om de verdachte te horen; ander onderzoek vond op dat moment niet plaats en er was dan ook geen noodzaak om de verdachte van zijn vrijheid te beroven. De politie en het openbaar ministerie hebben hiermee de aanhouding en inverzekeringstelling misbruikt om druk op de verdachte uit te oefenen, in strijd met het pressieverbod.

Dit betoog slaagt niet. De verdachte is op 2 april 2008 aangehouden, nadat hij niet had gereageerd op eerdere verzoeken om zich op het politiebureau te melden. De aanhouding en inverzekeringstelling waren daarom niet onrechtmatig.

BRUIKBAARHEID VAN HET BEWIJS

Salduz-jurisprudentie: recht op overleg met een advocaat voor het eerste verhoor.

Verder heeft de raadsman betoogd dat verdachte niet voorafgaand aan zijn eerste verhoor op 2 april 2008 is gewezen op zijn recht om voor het eerste verhoor te overleggen met een advocaat. Als gevolg hiervan is die verklaring niet bruikbaar voor het bewijs, aldus de raadsman.

De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding is om rechtsgevolgen te verbinden aan een mogelijk verzuim van de verhorende politieagenten om de verdachte op dit recht te wijzen. De verdachte is niet in zijn belangen geschaad. Hij heeft immers niet alleen bij de politie, maar ook ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd, met betrekking tot het vervaardigen en verspreiden van de verweten tekst. Niet aangenomen kan worden dat deze verklaring ter terechtzitting het gevolg is van het mogelijke vormverzuim bij het eerste verhoor (de raadsman heeft dit ook niet betoogd). Daarbij komt dat op de zitting vast is komen te staan dat verdachte reeds voor het eerste politieverhoor contact heeft gehad met zijn raadsman over deze zaak. Weliswaar was dit contact langer tevoren, maar de zaak is destijds wel door de verdachte met zijn raadsman besproken.

De door verdachte bij de politie en ter terechtzitting afgelegde verklaringen zijn dus bruikbaar voor het bewijs.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Vast staat - de verdachte erkent dit ook - dat de verdachte een raptekst heeft gemaakt met de titel “wie iz de volgende?. De verdachte heeft deze raptekst op video opgenomen en op een cd gezet, waarvan hij circa 250 exemplaren heeft gemaakt. Deze zijn door de verdachte verkocht, deels via Good Velvet Music, een winkel in Rotterdam , en deels bij gelegenheid van optredens van de verdachte. De video-opname is op de website youtube geplaatst. Het is onbekend wie de opname op youtube heeft geplaatst. [Slachtoffer] heeft op 29 augustus 2007 aangifte gedaan van bedreiging. In de aangifte wordt vermeld dat aangever de betreffende videoclip heeft bekeken en beluisterd en dat hij zich door de afzender c.q. maker bedreigd heeft gevoeld .

Aangever heeft ter terechtzitting aangegeven de raptekst als erg bedreigend te hebben ervaren en te hebben gevreesd voor zijn leven.

De vraag is of de verdachte zich met de raptekst en de verspreiding daarvan schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer]. De officier van justitie en de raadsman beklemtonen in dit verband ieder voor zich verschillende delen van de raptekst. De officier van justitie wijst vooral op die delen van de tekst die hij als bedreigend beschouwt, zoals ten laste gelegd. Dit omvat onder meer de volgende tekst:

"Pim Fortuyn praat over moslims, wordt afgeknald,

Theo van Gogh praat over moslims, wordt neergeknald,

Wie is de volgende? Wie is de volgende? Wie is de volgende?

Als ik begin, vraag ik om stilte, ben van plan om een aanslag te plegen op [slachtoffer]”.

De raadsman betoogt dat de tekst als geheel bezien niet bedreigend is. Zo bevat de raptekst tekstfragmenten die duidelijk maken dat de verdachte [slachtoffer] niet bedreigt. Zo rapt hij onder meer dat hij om stilte zou vragen als hij een “aanslag met woorden” zou plegen op [slachtoffer] en dat hij hem “wurgt met fucking letters”. Verder geeft hij in de raptekst aan dat het om een droom zou gaan en dat hij geen terrorist is, maar slechts een onschuldige rapper. Bovendien wordt in de raptekst met zoveel woorden aangegeven dat het geen bedreiging is, maar dat het een vrije meningsuiting vormt en dat dit in Nederland is toegestaan. Aldus de raadsman.

Door de verdachte en de raadsman is daarnaast betoogd dat de tekst dient te worden aangemerkt als een niet strafbare kunstuiting (exceptio artis). In dit verband is onder meer een beroep gedaan op de vrijheid van meningsuiting, als bedoeld in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM).

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

Voor de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging, moet niet alleen gekeken worden naar de tekst in de tenlastelegging, maar eveneens naar het geheel van de tekst, bezien in het licht van alle omstandigheden van het geval. Dit in aanmerking nemend, is de rechtbank van oordeel dat de tekst van de rap en de tekst zoals deze ten laste is gelegd, in zijn geheel genomen bedreigend is.

De ernst van de bedreiging zit in het bijzonder in de verwijzing naar de, nog betrekkelijk recente, moorden op Pim Fortuyn (2002) en Theo van Gogh (2004), zoals deze in de tenlastelegging zijn opgenomen. Niet kan worden volgehouden dat een dergelijke verwijzing geen bedreigend karakter heeft of zou vallen onder de noemer van scherts en spel. Verder bevat de tekst zoals ten laste gelegd onder meer een opmerking van de strekking dat [slachtoffer] zijn uitspraken moet terugnemen als hij wil blijven leven. Dit kan en mag het slachtoffer dan ook als een ernstige en serieuze bedreiging aan zijn adres opvatten.

Het verweer dat de eventueel op zichzelf bedreigende onderdelen van de tekst steeds worden “geneutraliseerd” door daarop volgende nuanceringen, zoals dat verdachte het slachtoffer alleen wil bedreigen met woorden of dat een en ander is voorgevallen tijdens een droom, wordt verworpen.

Na iedere nuancering wordt steeds weer een nieuwe bedreiging geformuleerd. De neutraliserende opmerkingen worden op deze wijze steeds als het ware weer ongedaan gemaakt. Mede gelet op de onderlinge samenhang tussen de op zichzelf bedreigende onderdelen van de tekst, zijn de afzwakkende teksten onvoldoende om het bedreigende karakter van de tekst als geheel weg te nemen. Ook de omstandigheid dat rapteksten wel vaker gewelddadige teksten bevatten, doet niet af aan het bedreigende karakter van deze raptekst.

Namens de verdachte is een beroep gedaan op de vrijheid van meningsuiting, als bedoeld in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Daarbij is onder meer aangegeven dat een kunstenaar de ruimte moet krijgen om te confronteren en shockeren. Verder is in dit verband aangevoerd dat van een politicus, zeker een politicus die zelf ferme uitspraken voor zijn rekening neemt, een dikkere huid verwacht mag worden dan van een andere burger.

Ofschoon dit een krachtig argument is, treft dit geen doel in geval van een bedreiging, zoals dat in dit geval aan de orde is.

Dat de verdachte de raptekst niet zelf op internet heeft geplaatst, doet niet af aan het oordeel van de rechtbank dat hij [slachtoffer] heeft bedreigd. Immers, de verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij 250 cd’s met de video-opname heeft verkocht. Hiermee heeft hij de raptekst in de openbaarheid gebracht. Gelet op de inhoud van de tekst en mede gelet op de bekendheid van [slachtoffer], moest hij er dan ook rekening mee houden dat de tekst bekend zou worden bij [slachtoffer]. Dat was ook kennelijk zijn bedoeling. Hij heeft immers op de zitting verklaard dat hij het debat met [slachtoffer] wilde aangaan.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 22 augustus 2007,

in Nederland,

[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer]

(in een op de internetsite "www.youtube.com" geplaatste video-/muziekclip van een door hem, verdachte,

gemaaktgesproken rapnummer)

dreigend de tekstfragmenten/woorden toegevoegd:

Pim Fortuyn praat over moslims, wordt afgeknald,

Theo van Gogh praat over moslims, wordt neergeknald,

Wie is de volgende? Wie is de volgende? Wie is de volgende?

Als ik begin, vraag ik om stilte om een aanslag te plegen op [slachtoffer],

Ik vind het zo'n etter.

Ik pak je beet, laat je niet los,

En als je [bijnaam verdachte] tegenkomt, ben je de klos.

Iedere...(onverstaanbaar)...die over moslims praat, wordt omgelegd,

Motherfucker.

T is een zelfmoordpoging, [voornaam slachtoffer] je kan liever van de dak springen

Of wil je liever kogels in je lijf hebben.

Ik ben geen terrorist maar een onschuldige rapper, die waarschuwt.

Wil je blijven leven, moet je al je uitspraken terugnemen.

Luister [voornaam slachtoffer], dit is geen grap,

Gisteravond droomde ik, dat ik je kop had afgehakt.

Je moet paraat staan, ik ken je kop niet uitstaan,

Zet je tegen [achternaam slachtoffer], bam, bam.

Als je buiten loopt, blijf achterom kijken.

Als je zo blijft doorgaan, ben jij de volgende.

Niet door mij hoor, misschien wel door iemand anders,

althans tekstfragmenten/woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandig¬heden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in 2007 schuldig gemaakt aan bedreiging van een lid van de Tweede Kamer, [slachtoffer], door het vervaardigen en openbaren van de raptekst “Wie iz de volgende?”. Blijkens zijn verklaring ter zitting heeft hij de raptekst geschreven als reactie op politieke uitlatingen van [slachtoffer] zelf. Zoals blijkt uit de aangifte en uit de getuigenverklaring van [slachtoffer] op de terechtzitting, voelde deze zich door de verdachte ernstig bedreigd.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij [slachtoffer] heeft bedreigd naar aanleiding van diens politieke standpunten. In een democratisch rechtssysteem moeten volksvertegenwoordigers hun werk kunnen doen. Bovendien brengt het openlijke karakter van het bewezenverklaarde feit het risico met zich dat derden worden geïnspireerd tot geweldpleging jegens politici en bovendien worden daardoor de heersende gevoelens van onrust en onveiligheid bij het slachtoffer en in de samenleving versterkt. Dat [slachtoffer] jaarlijks veel meer bedreigingen ontvangt en in verband daarmee al geruime tijd persoonsbeveiliging heeft, is niet (of beter gezegd: niet alleen en niet in belangrijke mate) aan de verdachte toe te rekenen, maar de rechtbank rekent het de verdachte wel aan dat hij aldus bijdraagt aan het voortduren van die situatie.

Het betoog van de verdachte dat hij een debat met [slachtoffer] wilde aangaan, maar dat deze daar niet voor openstaat, doet aan de verwijtbaarheid van zijn handelen niet af. Als de verdachte dit doel wilde bereiken, dan had hij daarvoor een strafrechtelijk niet relevant middel moeten kiezen.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 juni 2008 reeds eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Ook één van die eerdere veroordelingen hield verband met een strafrechtelijk relevante

video-opname van de verdachte.

Nu de verdachte zichzelf beschouwt als een professionele rapper en zich ook thans nog hiermee bezighoudt, acht de rechtbank het van belang aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, als waarschuwing om de verdachte in te scherpen dat hij bij het maken van rapteksten de grenzen van de wet in acht moet nemen. Gezien de oplegging van dit voorwaardelijke strafdeel, ziet de rechtbank aanleiding het onvoorwaardelijk op te leggen strafdeel enigszins te matigen.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij op tegenspraak gewezen vonnis d.d. 1 juni 2007 van de kinderrechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 32 uren, met een proeftijd van twee jaren.

De proeftijd is op grond van artikel 14b, derde lid van het Wetboek van Strafrecht ingegaan op 16 juni 2007, als blijkend uit de justitiële documentatie van verdachte.

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd.

Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf, met dien verstande dat deze zal worden omgezet overeenkomstig artikel 77k Wetboek van Strafrecht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14g, 22c, 22d en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

- verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarbij de Stichting Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 76 uren te verrichten werkstraf resteert;

- beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 38 dagen;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden,

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

- stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis d.d. 1 juni 2007 van de kinderrechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 32 uren, waarbij de Stichting Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan, met bevel dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 16 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. van der Groen, voorzitter,

en mrs. van Lieshout en Doorduijn, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. van Wingerden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 december 2009.

Bijlage bij vonnis van 4 december 2009:

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 22 augustus 2007, althans in het jaar 2007,

te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg en/of te Rotterdam, althans in

Nederland,

[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans

met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer]

(in een op de internetsite "www.youtube.com" en/of (een) ander(e)

internetsite(s) geplaatste video-/muziekclip van een door hem, verdachte,

gemaakt/gezongen/gesproken rap-/muzieknummer)

dreigend de tekstfragmenten/woorden toegevoegd:

"Pim Fortuyn praat over moslims, wordt afgeknald,

Theo van Gogh praat over moslims, wordt neergeknald,

Wie is de volgende? Wie is de volgende? Wie is de volgende?

Als ik begin, vraag ik om stilte om een aanslag te plegen op [slachtoffer],

Ik vind het zo'n etter.

Ik pak je beet, laat je niet los,

En als je [bijnaam verdachte] tegenkomt, ben je de klos.

Iedere...(onverstaanbaar)...die over moslims praat, wordt omgelegd,

Motherfucker.

'T is een zelfmoordpoging, [voornaam slachtoffer] je kan liever van de dak springen

Of wil je liever kogels in je lijf hebben.

Ik ben geen terrorist maar een onschuldige rapper, die waarschuwt.

Wil je blijven leven, moet je al je uitspraken terugnemen.

Luister [voornaam slachtoffer], dit is geen grap,

Gisteravond droomde ik, dat ik je kop had afgehakt.

Je moet paraat staan, ik ken je kop niet uitstaan,

Zet je tegen [achternaam slachtoffer], bam, bam.

Als je buiten loopt, blijf achterom kijken.

Als je zo blijft doorgaan, ben jij de volgende.

Niet door mij hoor, misschien wel door iemand anders,"

althans tekstfragmenten/woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(Artikel 285 Wetboek van Strafrecht) (Parketnummer [parketnummer])