Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK6866

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-09-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
954259
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In deze zaak draait het om aansprakelijkheid voor schade in verband met verdwijning van een kast uit een garagebox van een werkgever. De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van aansprakelijkheid. Er is geen overeenkomst van bewaarneming voor dergelijke opslag van privé-goederen van een werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0967
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

vonnis

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. drs. S.A. Gerritsen,

tegen

de naamloze vennootschap

Fortis Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. A.J. Donath.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]’ respectievelijk “Fortis”.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

• het exploot van dagvaarding van 15 januari 2009, met producties;

• de conclusie van antwoord, met producties;

• de conclusie van repliek, met één productie;

• de conclusie van dupliek, met producties.

De uitspraak van het vonnis is door de kantonrechter bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1 [eiser] is sinds 1997 werkzaam voor Fortis. In november 2005 heeft [eiser] van de toenmalige kantoordirecteur toestemming gekregen om een aantal persoonlijke eigendommen, waaronder een waardevolle kaaskast, om niet op te slaan in de garagebox van het kantoor van Fortis te `s-Gravensande.

2.2 In februari 2006 heeft [eiser], na een sms-bericht van Fortis, in verband met een aanstaande verbouwing, de meeste van zijn opgeslagen goederen verwijderd uit de garagebox met uitzondering van onder andere voornoemde kaaskast. In maart 2007 is de verbouwing van het kantoor van Fortis te ’s-Gravensande van start gegaan. Op 23 mei 2006 was deze verbouwing voltooid.

2.3 Eind augustus 2006 kwam [eiser] er achter dat de kaaskast zich niet langer in de garagebox bevond. Na onderzoek is gebleken dat de kast vernietigd is.

3. De stellingen van partijen

3.1 [eiser] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Fortis te veroordelen aan hem te betalen een schadevergoeding van € 3.250,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening en vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten en met veroordeling van Fortis in de kosten van het geding.

3.2 Aan de eis is naast de onder 2 genoemde vaststaande feiten -samengevat weergegeven- het volgende ten grondslag gelegd.

Tussen partijen was sprake van een overeenkomst van bewaarneming waarbij [eiser] bewaargever is en Fortis bewaarnemer. Op grond van artikel 7:600 juncto 7:602 BW is Fortis verplicht de zorg van een goed bewaarder in acht te nemen en de kaaskast op verzoek van [eiser] in goede orde aan hem terug te geven. De kast is op onverklaarbare wijze verdwenen uit de garagebox waardoor Fortis tekort is geschoten in haar zorgplicht als bewaarnemer. Hierdoor is Fortis aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade van

€ 3.250,00; de waarde van de verdwenen kaaskast.

Indien er geen sprake is van een overeenkomst tot bewaarneming is [eiser] van mening dat er sprake is van een onrechtmatige daad aan de zijde van Fortis. Het verloren laten gaan van andermans kostbare kast is in strijd met de in het maatschappelijke verkeer betamelijke zorgvuldigheid. Fortis heeft onzorgvuldig gehandeld door [eiser] niet duidelijk te informeren over de ontruiming van de garage en de vernietiging van de goederen. Tevens had Fortis moeten onderzoeken of de eigenaar van de kast daadwerkelijk akkoord ging met vernietiging van de kast.

3.3 Fortis heeft -eveneens samengevat- tegen de vordering het volgende aangevoerd.

Fortis is niet aansprakelijk voor de schade van [eiser]. Er is geen sprake van een overeenkomst van bewaarneming. Indien er wel sprake is van een overeenkomst van bewaarneming is Fortis van mening dat zij niet tekort is geschoten in de nakoming van deze overeenkomst.

Er is voorts geen sprake van een onrechtmatige daad aan de zijde van Fortis zodat er voor schadevergoeding ook geen plaats is. Fortis heeft niet onzorgvuldig gehandeld en er is geen sprake van een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. [eiser] heeft zelf de nodige risico’s genomen en onzorgvuldig gehandeld.

Fortis betwist dat [eiser] buitengerechtelijke kosten gemaakt heeft.

3.4 Voor de verdere stellingen van partijen wordt verwezen naar de uitgewisselde processtukken, die als hier herhaald en ingelast worden beschouwd en voor zover nodig zullen die stellingen worden besproken in het kader van de beoordeling van de vordering.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Ter beoordeling van voorliggende vordering dient in de eerste plaats de vraag beantwoord te worden of partijen een overeenkomst van bewaarneming hebben gesloten op grond waarvan [eiser] onder meer de kaaskast aan Fortis in bewaring heeft gegeven.

4.2 Ingevolge artikel 7:600 BW is bewaarneming de overeenkomst waarbij de ene partij, de bewaarnemer, zich tegenover de andere partij, de bewaargever, verbindt, een zaak die de bewaargever hem toevertrouwt of zal toevertrouwen, te bewaren en terug te geven.

Het element “toevertrouwen” dient de strekking te hebben dat de bewaarnemer de verplichting op zich neemt om de zaak te bewaren en te verzorgen.

4.3 Uit de stellingen van [eiser] kan slechts worden afgeleid dat Fortis hem het gebruik om niet heeft verschaft van de garagebox. Gesteld noch gebleken is dat partijen overeen zijn gekomen dat Fortis de opgeslagen zaken van [eiser] ook onder haar hoede zou nemen of, anders gezegd, er ook voor zou zorgen. Integendeel, uit de stelling van [eiser] dat de sleutel van de garage in een keukenla lag en gebruikt kon worden door ieder personeelslid, valt af te leiden dat Fortis akkoord was met de opslag van privé-goederen in haar garagebox maar geen verdergaande verplichting aanvaardde. Dit brengt mee dat de gestelde overeenkomst tussen partijen een voor bewaarneming in de zin van artikel 7:600 BW, kenmerkend en essentieel element ontbeert. De vordering van [eiser] kan daarom niet op de primaire grondslag worden toegewezen.

4.4 De vordering van [eiser] kan evenmin op de subsidiaire grondslag worden toegewezen.

Feiten of omstandigheden op grond waarvan een schending van het ongeschreven recht kan worden aangenomen zijn niet gesteld. Van onzorgvuldigheid aan de zijde van Fortis is geen sprake. Fortis heeft immers [eiser] tijdig geïnformeerd omtrent de voorgenomen verbouwing en heeft [eiser] daardoor tijdig in de gelegenheid gesteld om zijn zaken weg te halen. Meer heeft Fortis niet hoeven doen. De vermissing van de kaaskast is veeleer het gevolg van de keuze van [eiser] om deze in de garagebox achter te laten, dan van enige nalatigheid of onzorgvuldigheid van Fortis.

4.5 De slotsom is dat de vordering van [eiser] als ongegrond wordt afgewezen, met veroordeling van [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

de kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding aan de zijde van Fortis tot op heden vastgesteld op nihil aan verschotten en op € 350,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken in het openbaar.