Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK6019

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-11-2009
Datum publicatie
10-12-2009
Zaaknummer
10/691096-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promisvonnis stalking; aanvangstijdstip; dwang om niet gewenste contacten te dulden; stoornis van Asperger leidt niet tot volledige ontoerekenbaarheid.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/691096-09

Datum uitspraak: 27 november 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsman mr. G.E. Toxopeus, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2009.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer].

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van Kuilenburg heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een werkstraf van 160 uur subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarden:

a. dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de Stichting Reclassering Nederland, ook als die aanwijzingen inhouden dat de verdachte zich zal laten behandelen bij De Waag, en

b. dat de verdachte geen contact zal hebben met [slachtoffer].

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Van de volgende, niet-betwiste, feiten en omstandigheden wordt uitgegaan.

De verdachte heeft [slachtoffer] leren kennen in september 2006. Zij hebben in de weken daarna een aantal keren contact gehad. Op 25 januari 2007 heeft [slachtoffer] per email aan verdachte kenbaar gemaakt dat het niets zou worden tussen hen. De verdachte is daarna contact met haar blijven zoeken. Hij belde haar in 2007 elf maal. Hij stuurde haar e-mails op 25 oktober 2007, 2 november 2007 en 10 december 2007. [slachtoffer] heeft in vrijwel alle gevallen niet op de e-mails van de verdachte gereageerd en nam de telefoon niet meer op als de verdachte belde. De verdachte heeft [slachtoffer], buiten haar medeweten, opgegeven voor evenementen op 13 september 2007 en 31 oktober 2007. In november 2007 heeft hij [slachtoffer] een DVD gestuurd. Hij heeft in de periode van 2007 tot en met 2009 boeken, chocoladerepen, kranten- en tijdschriftartikelen, foto’s, brieven en knutselwerkjes op haar huisadres bezorgd. [slachtoffer] heeft daar naar de verdachte toe niet op gereageerd. Voorts is de verdachte in november 2007 drie maal bij het huisadres van [slachtoffer] langs gegaan. Hij heeft daar aangebeld. [slachtoffer] heeft toen tegen de verdachte gezegd dat hij moest stoppen en dat hij ook geen contact meer met haar moest zoeken per e-mail of per telefoon.

Ook in 2008 heeft de verdachte [slachtoffer] een aantal maal gebeld. Hij heeft haar tevens e-mails gestuurd op 19 februari 2008, 10 mei 2008, 19 mei 2008 (tweemaal) en 22 mei 2008. Ook toen heeft [slachtoffer] daarop steeds niet gereageerd. Verder is de verdachte bij het huisadres van [slachtoffer] langs gegaan op 1 januari 2008 en nog een aantal maal in 2008. Medio 2008 heeft hij haar een dierenencyclopedie gestuurd. Op 5 juni 2008 heeft een vriend van [slachtoffer] tegen de verdachte gezegd dat hij moest stoppen met het blijven opnemen van contact met [slachtoffer], omdat ze dat super vervelend vond. Kort daarna zijn, op verzoek van de verdachte, enige goederen die de verdachte bij [slachtoffer] door de brievenbus had gedaan, retour gegaan naar de verdachte. De verdachte heeft na 5 juni 2008 wederom op verschillende manieren contact met [slachtoffer] gezocht door haar te e-mailen op 6 juni 2008, 20 augustus 2008, 8 december 2008, 22 december 2008, 23 december 2008, 24 december 2008, 19 januari 2009 en 30 januari 2009 en post aan haar te bezorgen.

Nadat er op 1 september 2008 een map met inhoud van de verdachte op haar werkadres was bezorgd heeft [slachtoffer] op 4 september 2008 aangifte gedaan tegen de verdachte. Op 10 december 2008 heeft de verdachte een bekende van [slachtoffer] aangesproken en getracht informatie over haar te verkrijgen. Laatstelijk heeft de verdachte op 30 januari 2009 een e-mail aan [slachtoffer] gestuurd. Alle bovengenoemde handelingen vonden plaats te Rotterdam.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte door bovengenoemde gedragingen het slachtoffer heeft belaagd van eind januari 2007 tot en met 30 januari 2009. In die periode heeft [slachtoffer het door haar niet gewenste contact door de verdachte moeten dulden.

De verdachte heeft ontkend dat hij door zijn handelen [slachtoffer] vrees heeft aangejaagd, zoals is tenlastegelegd. [slachtoffer] heeft immers verklaard de emails niet te hebben gelezen en de telefoonoproepen niet te hebben beantwoord. De persoonlijke bezoeken van de verdachte en de spullen die zijn bezorgd heeft [slachtoffer] weliswaar moeten dulden, maar deze zijn zo onschuldig van aard dat ze niet geschikt zijn om vrees aan te jagen. Voorts heeft de verdachte aangevoerd dat er veel tijd verstreek tussen de verschillende contacten en dat voor hem pas op 5 juni 2008, toen hij werd aangesproken door een vriend van [slachtoffer], duidelijk was dat zij de contacten met hem echt niet wilde.

De rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie behalve wat betreft het aanvangstijdstip van de belaging. Het verweer van de verdachte wordt verworpen. Dit oordeel wordt als volgt gemotiveerd.

Zoals hiervoor onder de niet-betwiste feiten en omstandigheden is aangegeven, heeft [slachtoffer] op 25 januari 2007 een email aan de verdachte gestuurd waarin ze kenbaar maakte dat het niets zou worden tussen hen. In november 2007 heeft zij hem, toen hij bij haar huisadres was langsgegaan, gezegd dat hij daarmee moest stoppen en dat hij geen contact meer met haar moest zoeken per telefoon of e-mail.

Op 13 december 2007 heeft [slachtoffer] bij de politie een melding gedaan van belaging door de verdachte. Hoewel de verdachte dit op de zitting heeft ontkend, wordt er van uitgegaan dat een wijkagent of andere politiemedewerker naar aanleiding van die melding aan de verdachte heeft verzocht geen contact meer met [slachtoffer] te zoeken. Hiervan blijkt genoegzaam uit de betreffende mutaties in het bedrijfsprocessensysteem van de politie Rotterdam-Rijnmond.

Daarnaast heeft, zoals hierboven reeds is vermeld, een vriend van [slachtoffer] op 5 juni 2008 in persoon tegen de verdachte gezegd dat hij geen contact meer moest opnemen met [slachtoffer]. Voorts heeft die vriend dit op 12 juni 2008 per email nog eens duidelijk herhaald.

Mede gezien het feit dat [slachtoffer] in vrijwel alle gevallen niet heeft gereageerd op de e-mails en post die zij in deze van de verdachte ontving, zij bovendien de telefoon niet opnam als de verdachte belde, moet het derhalve voor de verdachte vanaf in ieder geval november 2007 en daarna in steeds toenemende mate duidelijk zijn geweest dat [slachtoffer] geen contact meer met hem wilde. De stelling van de verdachte dat hem pas op 5 juni 2008, na de expliciete boodschap van een vriend van [slachtoffer], duidelijk was dat zij geen contact met hem wilde wordt verworpen. Dit nog daargelaten dat ook deze boodschap de verdachte er niet van heeft weerhouden ook daarna nog door te gaan met zijn pogingen om in contact te komen met [slachtoffer].

Door [slachtoffer] niettemin te blijven benaderen heeft de verdachte mitsdien vanaf november 2007 opzettelijk inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Voorts heeft de verdachte door zijn handelwijze aan [slachtoffer] geen keuze gelaten in het al dan niet aanvaarden van contacten met hem en heeft hij haar daarom feitelijk gedwongen om die contacten te dulden. Het verweer van de verdachte dat hij [slachtoffer] geen vrees heeft aangejaagd behoeft geen bespreking nu dit onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen wordt geacht. Gelet op de duur en frequentie van de contacten is sprake geweest van stelselmatige inbreuken op de levenssfeer van [slachtoffer]. Gegeven het feit dat de verdachte zonder eigen, door het recht erkend, subjectief belang handelde is het in de tenlastelegging opgenomen bestanddeel ’wederrechtelijk’ eveneens genoegzaam komen vast te staan.

Gelet op al het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van november 2007 tot en met 30 januari 2009 te Rotterdam wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer]

met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te dulden immers heeft hij, verdachte, toen en daar meermalen telkens - zakelijk weergegeven -

- die [slachtoffer] aangemeld voor diverse events en

- post bij de woning en het kantoor/werkadres van die [slachtoffer] laten bezorgen en

- die [slachtoffer] e-mails gestuurd en

- die [slachtoffer] gebeld en

- brieven en boeken en tijdschrift- en krantenartikelen en foto's en een dvd

en repen chocola bezorgd bij/gestuurd naar de woning en het kantoor/werkadres van

die [slachtoffer] en

- verschenen en aangebeld bij de

woning van die [slachtoffer] en

- contact gezocht met een kennis van die [slachtoffer] en een kennis van die [slachtoffer]

aangesproken om informatie over die [slachtoffer] te verkrijgen;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

Belaging

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Volgens het rapport van de psychiater A.M.M. van der Reijken van 23 juni 2009 heeft de verdachte een autismespectrumstoornis in de vorm van de stoornis van Asperger. Volgens de psychiater hebben mensen die hieraan lijden vaak veel moeite met het inleven in de gevoelens en gedachten van anderen. Hiervan was ook bij de verdachte sprake toen hij het onderhavige delict pleegde.

Namens de verdachte is betoogd dat de aard van deze stoornis in combinatie met het bijzondere karakter van het delict belaging betekent dat de verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt.

Dit verweer wordt verworpen. Het psychiatrisch onderzoek is gericht geweest op de beoordeling van de geestvermogens van de verdachte in relatie tot de aan hem ten laste gelegde belaging. Met beide aspecten is dus rekening gehouden. De psychiater komt op basis van dat onderzoek tot de conclusie dat er sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Gelet op de gronden waarop deze conclusie is gebaseerd maakt de rechtbank deze tot de hare. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte door zijn stoornis helemaal geen inzicht had in zijn handelen en de gevolgen daarvan. Dit klemt te meer nu aan de verdachte naar eigen zeggen, ondanks zijn stoornis, na 5 juni 2008 wel duidelijk was dat het slachtoffer geen contact wenste en hij niettemin is doorgegaan met het benaderen van het slachtoffer.

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft ruim een jaar lang stelselmatig een vrouw lastig gevallen die daarvan verstoken wenste te blijven. Hij heeft niet kunnen accepteren dat zij geen verder contact met hem wilde. Nadat hem dit duidelijk was, is hij haar op diverse wijzen blijven benaderen, ook op haar werkadres. De gedragingen van de verdachte moeten voor het slachtoffer buitengewoon storend zijn geweest. De verdachte heeft zich daar niet om bekommerd. Hij heeft zich laten leiden door zijn eigen verlangens.

De verdachte is blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 30 september 2009 in 2007 een keer eerder veroordeeld, maar niet voor strafbare feiten als de onderhavige.

In het hiervoor reeds aangehaalde rapport van psychiater A.M.M. van der Reijken van 23 juni 2009 stelt zij dat het bewezenverklaarde als gevolg van de stoornis van de verdachte in verminderde mate aan hem kan worden toegerekend. Voorts wordt aangegeven dat het voor de verdachte van belang is dat hij goede uitleg krijgt wat de bij hem geconstateerde autismespectrumstoornis inhoudt en hoe dit bij hem tot uiting komt. Daarbij kan een sociale vaardigheidstraining nuttig zijn, als hij daarvoor gemotiveerd is. Zij ziet een risico dat er zich bij de verdachte een depressie ontwikkelt. Daarom is het van belang dat hij snel geholpen kan worden door een gespecialiseerd centrum zoals het SARR (Expertise Centrum Autisme Rotterdam) met als alternatief, gelet op de lange wachttijden van die instelling behandeling door De Waag. Bij goede begeleiding is de recidivekans gering. Bij slechte begeleiding is de recidivekans groter, aangezien de verdachte niet in de gaten heeft wat het effect is van zijn gedrag op andere mensen. Omdat de verdachte het waarschijnlijk moeilijk zal hebben bij het horen van eerdergenoemde diagnose, is hij zeer waarschijnlijk niet echt gemotiveerd om deze behandeling te ondergaan. Dit zal daarom moeten plaatsvinden als een bijzondere voorwaarde bij een vervangend strafdeel. Tevens zullen er reclasseringscontacten moeten zijn.

Op 9 september 2009 heeft ook de Stichting Reclassering Nederland een rapport over de verdachte uitgebracht. Ook daarin wordt verplicht reclasseringscontact geadviseerd, mede om aldus te bewerkstelligen dat de verdachte, die inmiddels in het kader van de straf die hem in 2007 is opgelegd in behandeling is bij De Waag, die behandeling zal blijven volgen.

Over de verdachte is voorts een afloopbericht van het toezicht door Reclassering Nederland opgesteld van 2 november 2009. Volgens dit afloopbericht is de verdachte na zijn veroordeling van 2007 waarbij dat reclasseringstoezicht aan hem is opgelegd een behandeling gestart bij Het Dok. Deze was gericht op introductie van de stoornis bij verdachte. De behandeling is vastgelopen. De verdachte heeft geconcludeerd dat hij bij Het Dok geen behandeling heeft gehad en er bij hem geen autismestoornis aanwezig is. Daarna is een behandeling gestart bij De Waag. De verdachte heeft daar thans om de week een gesprek. Doel van de gesprekken is om de verdachte inzicht te verschaffen in zijn gedrag en manier van contact zoeken en maken. De Waag is tevreden over het verloop van de behandeling. Het reeds opgelegde reclasseringscontact loopt tot 4 januari 2010. De Waag verwacht de lopende behandeling voor deze datum af te kunnen ronden. De Waag acht een nieuw verplicht reclasseringscontact niet geïndiceerd omdat de verdachte voldoende behandeling heeft gehad bij De Waag en zijn ervaring met justitie een behoorlijke impact op hem heeft gehad.

De rechtbank kan zich vinden in de adviezen van de psychiater en de reclassering met betrekking tot de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en het geadviseerde reclasseringstoezicht, inclusief behandeling bij De Waag en maakt die tot de hare. Er wordt daarmee afgeweken van het advies in het afloopbericht van 2 november 2009. Reden daarvoor is dat uit de houding van de verdachte op de terechtzitting niet is gebleken van innerlijk besef van de inbreuk die zijn gedrag heeft gemaakt op het slachtoffer, die in ieder geval gedeeltelijk te verklaren is vanuit de bij de verdachte gediagnosticeerde gedragstoornis. Ter voorkoming van recidive wordt daarom verdere behandeling van de stoornis van de verdachte in een verplicht kader wel aangewezen geacht, hetzij bij De Waag hetzij bij een andere daarvoor in aanmerking komende behandelinstelling.

Gelet op dit alles zal aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf, zij het van beperkte duur, en een werkstraf worden opgelegd, waarbij aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bovenbedoelde bijzondere voorwaarde zal worden verbonden.

Tevens zal aan die straf als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer worden verbonden. Hoewel de verdachte sinds 30 januari 2009 geen contact meer heeft gezocht met het slachtoffer, bestaan er, gezien de houding van de verdachte op de terechtzitting, aarzelingen dat hij dit ook zonder strafdreiging vol zal houden.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf wordt aanleiding gezien naar beneden af te wijken van de eis van de officier van justitie, omdat de belaging over een kortere periode bewezen is verklaard dan waarvan de officier van justitie in zijn requisitoir is uitgegaan.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 2 (twee) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast

indien de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig

maakt of de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere

voorwaarden niet naleeft;

stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt, welke aanwijzingen mede kunnen inhouden dat de verdachte een ambulante behandeling zal ondergaan gericht op de stoornis van Asperger bij De Waag of een andere daartoe in aanmerking komende instelling;

- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact zal hebben, direct of indirect, met het slachtoffer [slachtoffer];

verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en

steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden;

legt de verdachte een taakstraf op bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uur, waarbij de Stichting Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 72 (tweeënzeventig) uur te verrichten werkstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 36 (zesendertig) dagen;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. Van Dort en Schreuder, rechters,

in tegenwoordigheid van Meulendijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 november 2009.

Bijlage bij vonnis van 27 november 2009:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 01 september 2006 tot en met 30 maart 2009 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft / is hij, verdachte, (zich) toen en daar

meermalen, althans eenmaal, (telkens) - zakelijk weergegeven -

- die [slachtoffer] aangemeld voor diverse events en/of

- post bij de woning en/of het kantoor/werkadres van die [slachtoffer] laten bezorgen en/of

- die [slachtoffer] e-mails gestuurd en/of

- die [slachtoffer] gebeld en/of

- brieven en/of boeken en/of tijdschrift- en/of krantenartikelen en/of foto's en/of een dvd

en/of repen chocola bezorgd bij/gestuurd naar de woning en/of het kantoor/werkadres van

die [slachtoffer] en/of

- verschenen en/of aangebeld en/of (gedurende) enige/langere tijd opgehouden bij de

woning van die [slachtoffer] en/of

- contact gezocht met kennissen van die [slachtoffer] en/of kennissen van die [slachtoffer]

aangesproken om informatie over die [slachtoffer] te verkrijgen;

(art. 285 B Sr)