Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK5733

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-12-2009
Datum publicatie
08-12-2009
Zaaknummer
343875 / KG ZA 09-1259 en 343806 / F2 RK 09-2867
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wet tijdelijk huisverbod. Beroep tegen huisverbod ongegrond. Verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Voorzieningenrechter

Reg.nrs.: 343875 / KG ZA 09-1259 en 343806 / F2 RK 09-2867 (hoofdzaak)

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

gedaan op 8 december 2009

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens mondelinge uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

in het geding tussen

[naam verzoeker], verzoeker, tevens eiser in de hoofdzaak, verder te noemen verzoeker,

wonende te [adres],

gemachtigde mr. J.C. Herrewijnen,

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

zetelende te Rotterdam,

in welke zaak belanghebbende is:

[naam vrouw], de vrouw,

wonende te [adres].

Mondelinge behandeling

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 december 2009.

Ter terechtzitting zijn verschenen verzoeker en zijn gemachtigde. Voor verweerder is verschenen mr. M.E. Kleiweg de Zwaan. Voorts is verschenen [naam echtgenote], echtgenote van verzoeker. Tevens waren aanwezig A.C.H. Vermonden, casemanager ASHG Rotterdam en S. Etty, GGD Rotterdam.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 7 december 2009 heeft de voorzieningenrechter aangezegd mondeling uitspraak te doen op 8 december 2009 om 10.00 uur. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

wijst af het verzoek tot het veroordelen van verweerder in de proceskosten.

Gronden

Bij besluit van 29 november 2009 heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen, geldend van 29 november 2009, 20.13 uur tot 9 december 2009, 20.13 uur.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoeker op 2 december 2009 beroep ingesteld, onder meer inhoudende het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen.

Voorts heeft verzoeker op 2 december 2009 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ertoe strekkende het bestreden besluit op te heffen en verweerder te veroordelen in de kosten van het geding.

Van de zijde van verweerder is een brief met bijlagen ingekomen, gedateerd 7 december 2009.

Op grond van artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

De voorzieningenrechter overweegt dat het bestreden besluit, waaraan drie risico-taxaties instrument huiselijk geweld (RIHG) ten grondslag zijn gelegd, voldoende deugdelijk is gemotiveerd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder ingevolge de daarin neergelegde informatie in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het opleggen van het huisverbod. Dat de vrouw ter zitting nuances heeft aangebracht op sommige van de door haar gedane verklaringen, welke zijn opgenomen in het RIHG van de Stichting Centrum voor Dienstverlening (CVD) Rotterdam Rijnmond, doet hieraan niet af aangezien zowel verzoeker als de vrouw de geweldsuitbarsting bij verzoeker hebben bevestigd en de in het bestreden besluit vermelde omstandigheid dat verzoeker volledig in de war was ten tijde van het incident niet is weersproken.

Ter zitting is gesteld dat verzoeker vlak voor het incident een aanvraag voor psychiatrische thuiszorg heeft gedaan alsmede dat hij tot een jaar geleden onder behandeling was bij het DOK. Hij heeft voorts verklaard dat zijn behandeling bij de BAVO Groep bij een psychiatrisch verpleegkundige, mevr. M. Vermeij, wel is doorgelopen. Voorts krijgt hij medicijnen van de huisarts en de dosering van deze kalmeringsmiddelen is thans verhoogd. Daarnaast heeft verzoeker aangegeven dat hij op 4 december jongstleden een intakegesprek heeft gehad bij het Illness Management & Recovery-team (IMR-team) van de BAVO Groep en dat hij daarvoor thans op de wachtlijst staat. Verder zal verzoeker op 8 december 2009 om 13.15 bij De Waag zijn eerste gesprek hebben.

De stelling van verzoeker dat hij thans reeds uitgebreide hulpverlening ontvangt en het huisverbod daarom geen redelijk doel meer dient volgt de voorzieningenrechter niet, aangezien de specifiek op de agressiebeheersing gerichte behandeling bij De Waag op 8 december 2009 eerst een aanvang neemt. Bovendien heeft de behandeling bij de BAVO Groep de geweldsuitbarsting niet kunnen voorkomen. Gezien het feitencomplex, waaronder de verklaring van verzoeker dat hij niet meer precies weet wat hij ten tijde van de geweldsuitbarsting heeft gedaan, zijn al langer durende psychische problemen en de aanwezigheid van twee jonge kinderen in het gezin, waarvoor verzoeker de dagelijkse zorg heeft, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor een minder ingrijpend middel dan het huisverbod ten tijde van het bestreden besluit geen plaats was. Gelet daarop is de voorzieningenrechter tevens van oordeel dat het opgelegde huisverbod niet disproportioneel is. De stelling van verzoeker dat hij, afgezien van het incident in 2006, geen gewelddadig verleden heeft, leidt niet tot een ander oordeel gelet op de ernst van het feitencomplex.

Ten aanzien van de vraag of er thans feiten en omstandigheden zijn die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn de opgelegde maatregel vóór het verstrijken van de termijn in te trekken, overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker eerst op 8 december 2009 om 13.15 uur begint met de op zijn agressie gerichte behandeling bij De Waag, zodat voor een opheffing van de maatregel thans nog geen grond bestaat. Dat de vrouw en verzoeker wensen dat verzoeker thuiskomt zodat de vrouw weer kan werken is in dit verband geen relevante omstandigheid te achten.

Ook hetgeen namens verzoeker overigens naar voren is gebracht leidt niet tot het oordeel dat het besluit dient te worden vernietigd.

Nu de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, brengt dit in het onderhavige geval mee dat verzoeker geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn verzoek om voorlopige voorziening, zodat dit verzoek wordt afgewezen

De voorzieningenrechter ziet ten slotte geen aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek en het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken.

Aldus gedaan door mr. Marseille, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, en door deze en mr. De Regt, griffier, ondertekend.