Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK5163

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
341831 - J1 RK 09-1559
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot machtiging plaatsing gesloten jeugdzorg voor minderjarige tot na haar meerderjarigheid. Verzoek is onverenigbaar met art. 5, lid 1, aanhef en onder d EVRM. Toch toewijzing van het verzoek omdat sprake is van een zeer bijzonder geval, waardoor een uitzondering op het verbod van artikel 5 EVRM gerechtvaardigd is. De minderjarige wenst zelf de machtiging. Machtiging wordt verleend voor zes maanden na het moment waarop betrokkene meerderjarig wordt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2010, 45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 2 december 2009

Zaak-/rekestnummer: 341831 / J1 RK 09-1559

Beschikking in de zaak van:

de stichting bureau jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

hierna: de stichting,

met betrekking tot de minderjarige:

[naam minderjarige], geboren op [datum] 1991 te [geboorteplaats],

kind van de met het gezag belaste ouder, [naam moeder],

wonende: [adres].

Het verloop van de procedure

Bij beschikking van 12 januari 2009 is - onder meer - de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd tot 11 december 2009 en is met ingang van 12 januari 2009 machtiging verleend tot plaatsing om de minderjarige in gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven.

Bij beschikking van 1 juli 2009 is de machtiging om de minderjarige in gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven verlengd tot 11 december 2009.

De stichting heeft op 04 november 2009 een verzoekschrift ingediend strekkende tot verlenging van de machtiging om de minderjarige in gesloten jeugdzorg te doen verblijven.

Het plan van aanpak en het indicatiebesluit zijn daarbij gevoegd.

Verzoeker heeft verklaard dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 29b, derde lid van de Wet op de jeugdzorg. Met deze verklaring heeft de gedragswetenschapper die de minderjarige met het oog daarop kort geleden heeft onderzocht, ingestemd.

Van de zijde van de stichting is op 23 november 2009 een faxbericht ingekomen, met als bijlage een instemmende verklaring van een gedragswetenschapper, gedateerd 20 november 2009.

Aan de minderjarige is als advocaat toegevoegd mr. J.A. van Gemeren, namens wie mr. S. Lodder is verschenen.

De zaak is behandeld op 23 november 2009.

De minderjarige is ter zitting bijgestaan door mr. Lodder, voornoemd (hierna: de raadsman van de minderjarige).

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De beoordeling

Aan de orde is de vraag of de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in gesloten jeugdzorg moet worden verlengd tot na de meerderjarigheid. De stichting heeft verzocht de machtiging te verlengen voor de duur van het indicatiebesluit, dat aanspraak geeft op behandeling van de minderjarige in gesloten jeugdzorg voor de duur van één jaar. Ter zitting heeft de stichting haar verzoek gewijzigd in die zin, dat thans wordt verzocht de machtiging te verlengen voor de verwachte duur van de behandeling van de minderjarige, zijnde zes maanden.

Standpunt van de stichting

De stichting heeft aan haar verzoek in hoofdlijnen het navolgende ten grondslag gelegd. Bij de minderjarige is sprake van een posttraumatische stressstoornis, een borderline persoonlijkheidstoornis en middelenafhankelijkheid. Voorts is er bij de minderjarige regelmatig sprake van dreiging met suïcide, zelfdestructief gedrag en heftige agressieve buien. De minderjarige heeft problemen in het omgaan met autoriteit, het opvolgen van regels en aanwijzingen en het omgaan met haar gevoelens, met name agressie.

In de vorige instelling waar zij verbleef - de Otto Gerhard Heldringstichting te Zetten, een orthopedagogische instelling - is zij tot vijfmaal toe met de groepsleiding in conflict gekomen. Tijdens het laatste conflict aldaar heeft zij een groepswerker meermalen met een stomp voorwerp op het hoofd geslagen, wat mede geleid heeft tot haar plaatsing in de huidige instelling, de Lindenhorst te Zeist.

In laatstgenoemde instelling blijkt de minderjarige goed op haar plaats; zij volgt er onderwijs bij de interne school op VMBO-TL niveau en staat open voor de haar geboden hulp.

Verlenging van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in gesloten jeugdzorg wordt verzocht, opdat de minderjarige haar scholing en behandeling kan afronden en omdat er geen (reëel) alternatief is voor haar huidige plaatsing, waar de minderjarige bovendien mee in kan stemmen, evenals haar moeder.

Standpunt van de gedragswetenschapper

De gedragswetenschapper die de minderjarige op 20 november 2009 heeft onderzocht, acht blijkens voormelde instemmingsverklaring voortzetting van de huidige behandeling van de minderjarige - ook na het bereiken van de meerderjarigheid - geïndiceerd, gezien de langdurig ontwrichte ernstige persoonlijkheidsontwikkeling, de forse grensoverschrijdende gedragingen en de moeizame behandelingsgeschiedenis van de minderjarige. Sinds de plaatsing van de minderjarige in de Lindenhorst, staat zij meer open voor behandeling, contact met groepsgenoten en groepsleiding en is er sprake van een geringe positieve groei en een goede schoolontwikkeling.

Standpunt van de minderjarige

De minderjarige wil graag dat de verlenging van de machtiging tot plaatsing verleend wordt, omdat zij aldus de gelegenheid heeft om haar opleiding te voltooien. Dat is voor haar de belangrijkste reden om ook na haar meerderjarigheid nog in de Lindenhorst te willen blijven. Over de ingezette behandeling merkt de minderjarige op dat zij tot op heden maar één behandelsessie heeft gehad. Met deze behandeling stemt de minderjarige in.

De raadsman van de minderjarige bepleit, niettegenstaande de wens van zijn cliënte, afwijzing van het verzoek. De machtiging zoals verzocht levert in zijn optiek strijd op met het bepaalde in artikel 5 van het EVRM.

In dit verband verwijst de raadsman van de minderjarige naar een uitspraak van het gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: het hof) van 26 maart 2009 (LJN: BH9207), meer in het bijzonder rechtsoverweging 4.4 waar het hof heeft overwogen dat een jeugdige van 18 jaar of ouder niet kan worden aangemerkt als minderjarige in de zin artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, EVRM, zodat vrijheidsbeneming in het kader van gesloten jeugdzorg ten aanzien van een dergelijke jeugdige met toepassing van artikel 29a, eerste lid van de Wet op de jeugdzorg (hierna: Wjz), niet verenigbaar is met deze een ieder verbindende verdragsbepaling.

Subsidiair bepleit de raadsman van de minderjarige toewijzing van het verzoek, uiterlijk tot 1 juni 2010, omdat alsdan de opleiding en de behandeling van de minderjarige naar verwachting zullen zijn voltooid en de machtiging niet voor langere duur mag worden verlengd dan strikt noodzakelijk.

Op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde overweegt de kinderrechter als volgt.

De verzochte machtiging strekt ertoe het verblijf van de minderjarige in de huidige instelling voor gesloten jeugdzorg te doen voortduren tot na haar meerderjarigheid, waarvoor de wettelijke basis gevormd wordt door artikel 29b Wjz in samenhang met artikel 29a lid 1 Wjz.

Gelijk de raadsman heeft betoogd, is in de jurisprudentie reeds een aantal malen uitgemaakt dat een dergelijke machtiging onverenigbaar is met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d EVRM. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan een machtiging toch worden verleend.

Bij de beantwoording van de vraag of dergelijke zeer bijzondere omstandigheden zich voordoen, dient te worden vastgesteld of (a) de minderjarige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft, die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en (b) die maken dat de verlenging van het verblijf in gesloten jeugdzorg noodzakelijk is om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken of door anderen daaraan zal worden onttrokken.

Voorts dient te worden beoordeeld of deze vorm van vrijheidsbeneming proportioneel en subsidiair is.

Tot slot dient de behandeling van de minderjarige reeds te zijn aangevangen en dient te worden beoordeeld of er concreet uitzicht is op de afronding van de behandeling binnen korte en afzienbare tijd na het bereiken van de achttienjarige leeftijd.

Ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen

De problematiek van de minderjarige, zoals deze uit de stukken en het ter zitting verhandelde blijkt, vormt naar het oordeel van de kinderrechter een ernstige belemmering voor de ontwikkeling van de minderjarige naar volwassenheid. Hetgeen de stichting omtrent de problematiek van de minderjarige heeft gesteld, is evident en onweersproken en staat als zodanig vast.

De noodzaak van de verlenging van het verblijf in gesloten jeugdzorg

De minderjarige heeft uitdrukkelijk verklaard haar verblijf in de Lindenhorst te willen voortzetten om haar opleiding te kunnen voltooien. Zij ervaart de geslotenheid van de behandelsetting als een noodzakelijke voorwaarde voor haar ontwikkeling. Haar moeder stemt, blijkens de stukken, eveneens in met verlenging van het verblijf van de minderjarige in de Lindenhorst. De gezinsvoogd heeft ter zitting verklaard dat de minderjarige zonder machtiging niet in De Lindenhorst kan blijven.

Proportionaliteit en subsidiariteit

In de onderhavige zaak gaat het om een voortzetting van jeugdzorg in een gedwongen kader die is aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheid terwijl, zoals hiervoor is overwogen, nog steeds sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de minderjarige naar volwassenheid ernstig belemmeren en nog steeds noodzaken tot verblijf in gesloten jeugdzorg. Uit de stukken die door de stichting zijn overgelegd blijkt dat eerdere behandelingen onvoldoende aangeslagen zijn bij de minderjarige. Er is sprake van een moeizame behandelingsgeschiedenis. Momenteel is sprake van een weliswaar late maar positieve behandelingsrelatie. De minderjarige is gestart met de therapie EMDR, die in zes maanden afgerond dient te worden. Er is volgens de gezinsvoogd geen reëel alternatief voor de huidige behandeling voorhanden.

Afronding van de behandeling binnen korte en afzienbare tijd na het bereiken van de achttienjarige leeftijd

De stichting heeft gevraagd om verlenging van de machtiging tot plaatsing tot 1 juni 2010. Deze termijn is toereikend om de minderjarige haar behandeling en opleiding te laten voltooien.

De vraag of deze termijn kan worden aangemerkt als zijnde 'binnen korte en afzienbare tijd na het bereiken van de meerderjarigheid' hangt naar het oordeel van de kinderrechter af van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Daarbij is onder meer van belang de ernst van de problematiek, de bereidheid van de minderjarige om aan de behandeling mee te werken en de gebleken doelmatigheid van het verblijf in gesloten jeugdzorg. Dit laatste blijkt in de onderhavige zaak uit het feit dat de minderjarige zich sinds haar plaatsing in de huidige instelling positief aan het ontwikkelen is. Bovendien weegt in casu mee dat de gestarte behandeling niet langer gaat duren dan zes maanden en daarmee dus even veel tijd gemoeid is als met de afronding van de schoolopleiding van de minderjarige. De kinderrechter is van oordeel dat al met al in de onderhavige zaak voldaan is aan het criterium dat er concreet uitzicht moet zijn op de afronding van de behandeling binnen korte en afzienbare tijd na het bereiken van de achttienjarige leeftijd.

Voor de kinderrechter is van doorslaggevend belang dat in dit geval sprake is van de uitzonderlijke situatie waarin een minderjarige -die volgens de verklaring van de gedragswetenschapper over een vrij realistisch probleembesef beschikt- te kennen geeft in te stemmen met de gevraagde machtiging. De minderjarige wenst haar examen VMBO-TL te doen vanuit de gesloten setting van De Lindenhorst. Zij volgt tevens de EMDR-therapie op De Lindenhorst. Na een moeizame behandelingsgeschiedenis is dit, naar het zich laat aanzien, het moment waarop zij steeds meer openstaat voor behandeling en wordt melding gemaakt van een, zij het geringe, positieve groei en een goede schoolontwikkeling.

Voor de minderjarige zijn geen alternatieven voorhanden. In een vrijwillig kader kan zij niet in De Lindenhorst blijven. Zij kan niet terug naar haar moeder. Een eventuele behandeling in het kader van nazorg bij Bavo heeft al eerder niet gewerkt. De kans die de minderjarige wil krijgen, kan haar uiteindelijk alleen in de gesloten setting van De Lindenhorst geboden worden.

Samenvattend: de kinderrechter is van oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van een 'zeer bijzonder geval' in bovenbedoelde zin, waardoor een uitzondering op het verbod van artikel 5 EVRM gerechtvaardigd is. De kinderrechter is van oordeel dat de minderjarige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft, die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de verlenging van het verblijf in gesloten jeugdzorg noodzakelijk is.

Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.

De beslissing

Verlengt met ingang van 11 december 2009 de duur van de machtiging om de minderjarige in gesloten jeugdzorg te doen verblijven tot 1 juni 2010.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.M.E. van der Wees, kinderrechter, in bijzijn van A. Gerde, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting.