Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK4787

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-11-2009
Datum publicatie
30-11-2009
Zaaknummer
AWB 09/3704 VWWB- T1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 11 WWB heeft verzoeker geen recht op bijstand. Er is een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat in de bodemzaak zal worden geoordeeld dat verzoeker verkeert in een acute noodsituatie, zodat er sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB.

De weigering van bijstand in de omstandigheden waarin verzoeker verkeert, hebben tot effect dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van verzoeker onmogelijk is geworden en dat sprake is van een zodanige aantasting van de ‘ very essence’ van artikel 8 van het EVRM dat dit zou moeten leiden tot de positieve verplichting om bijstand te verlenen. Het in stand laten van de weigering bijstand te verlenen zou tot gevolg hebben dat geen sprake is van’ fair balance’ tussen de met het koppelingsbeginsel nagestreefde publieke belang enerzijds en het particuliere belang van verzoeker anderzijds. Er bestaat een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat geoordeeld zal worden dat artikel 16, tweede lid, van de WWB wegens strijd met artikel 8 EVRM buiten toepassing zal moeten blijven. Het bestreden besluit zal naar verwachting niet in stand blijven zodat er aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening in de zin dat aan verzoeker vanaf 29 oktober voorschotten naar de voor hem geldende norm dienen te worden verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: AWB 09/3704 VWWB- T1

Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

in het geding tussen

[naam verzoeker], adres houdende in Rotterdam, verzoeker,

gemachtigde mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 23 maart 2009 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker ingevolge de Wet Werk en bijstand afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 10 april 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 17 juli 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoeker bij brief van 21 augustus 2009 beroep ingesteld.

Voorts heeft verzoeker bij brief van 29 oktober 2009 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2009. Aanwezig waren verzoeker en zijn gemachtigde mr. J. Klaas. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.R. van der Heijden-Wijnen.

2 Overwegingen

Wettelijk kader

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

Artikel 11 van de WWB luidt als volgt:

“1. Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere hier te lande woonachtige vreemdelingen dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:

a. ter uitvoering van een verdrag dan wel van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, of

b. indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van die wet en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.

4. (…).”

Ingevolge artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: VW) heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

“a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;

b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20;

c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;

d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33;

e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

f. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;

g. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20 en 33, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;

h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;

i. (…)

j. (…)

k. (…)

l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije.”

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB, kan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf 2.2., bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

Ingevolge het tweede lid, van artikel 16 van de WWB is het eerste lid niet van toepassing op andere vreemdelingen dan die, bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid van de WWB.

Voorgeschiedenis

Verzoeker heeft in het verleden twee asielaanvragen ingediend. Deze zijn onherroepelijk afgewezen. Verzoeker komt niet in aanmerking voor de Generaal Pardonregeling omdat zijn asielvragen zijn ingediend na 1 april 2001. Verzoeker heeft in november 2006 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, onder de beperking ‘medische noodsituatie’. Deze aanvraag is op 27 juni 2007 afgewezen. Verzoeker heeft tegen deze afwijzing op 9 juli 2007 bezwaar gemaakt. Gelet op de uitspraak van 11 december 2007 (kenmerk AWB 07/27897 BEPTDN ASI) van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag mag verzoeker zijn procedure in Nederland afwachten en hoeft hij gedurende de loop van zijn procedure Nederland niet te verlaten. Hij heeft rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en sub h van de Vreemdelingenwet.

De gemachtigde van verzoeker heeft op 13 maart 2009 een aanvraag om bijstandsuitkering ingediend. Bij besluit van 23 maart 2009 is deze aanvraag afgewezen omdat verzoeker geen Nederlander is en ook niet gelijk gesteld is met een Nederlander zoals bedoeld in artikel 11, tweede en derde, lid van de WWB. Voorts is gelet op artikel 16, tweede lid, van de WWB artikel 16, eerste lid, van de WWB niet van toepassing op vreemdelingen zoals verzoeker.

Tussen partijen is ook niet in geschil dat verzoeker aan genoemde bepalingen geen recht op bijstand kan ontlenen.

Het besluit dat ter toetsing voorligt

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder overname van het advies van de bezwaarschriftencommissie (hierna: de commissie) van 13 juli 2009, het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. De motivering van het besluit van 23 maart 2009 is, conform het advies van de bezwaarschriftencommissie, aangevuld met een verwijzing naar uitspraken van 22 december 2008 van de Centrale Raad van Beroep (LJN: BG8776 en LJN:BG8789). In die zaken was aan de orde de vraag of een vreemdeling alle wegen heeft bewandeld om zijn terugkeer naar het land van herkomst mogelijk te maken. Verweerder verwijt verzoeker dat hij - gelet op de gedingstukken - niet al die wegen heeft bewandeld.

Standpunt verzoeker

Verzoeker voert onder verwijzing naar jurisprudentie onder andere een uitspraak van voorzieningenrechter van de CRvB van 7 juli 2009 (LJN: BJ2809) aan dat de toetsing aan artikel 8 van het EVRM maakt dat het tweede lid van artikel 16 van de WWB in verzoekers situatie buiten toepassing dient te blijven. Voorts wijst verzoeker naar de stukken die zijn overgelegd om de - niet door verweerder betwiste - medische noodsituatie aan te tonen.

Beoordeling

Beoordeeld dient te worden of de aanvraag om algemene bijstand al dan niet terecht is afgewezen.

Niet betwist is dat verzoeker geen Nederlander is en ook niet gelijk is gesteld met een Nederlander als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB.

Het geschil beperkt zich tot de vraag of op grond van het bepaalde in artikel 8 van het EVRM, in verzoekers geval, artikel 16, tweede lid, van de WWB buiten toepassing moet blijven en verzoeker gelet op onder meer zijn acute medische noodsituatie voor een bijstandsuitkering in aanmerking dient te komen.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Vaststaat dat verzoeker ten tijde hier van belang rechtmatig in Nederland verblijft op grond van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 december 2007 (artikel 8, aanhef en sub h van de Vw). De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat door verweerder niet is betwist dat verzoeker in een medische noodsituatie verkeert. In het dossier bevinden zich o.a. een brief van de huisarts van 29 mei 2007 aan het Bureau Medische Advisering (BMA) van de IND, een brief van de huisarts d.d. 18 februari 2008 aan verzoekers gemachtigde, en een brief aan het BMA van 2 juli 2009. Uit deze brieven kan onder meer worden afgeleid dat eiser lijdt aan uitgebreide cardiale klachten, dislipidemie, forse hoofdpijn en een posttraumatisch stresssyndroom en depressie. In de brief van 18 februari 2008 wordt gewag gemaakt van enkele operaties. In zijn brieven heeft deze huisarts o.a. aangegeven dat uitzetting van verzoeker zeer ernstige gevolgen zal hebben en dat verzoeker door een gebrek aan vervulling van primaire levensbehoeften, ernstig schade lijdt in zowel psychische als lichamelijke zin. In de brief van 2 juli 2009 noemt de huisarts nog behandeling door de KNO-arts ivm de hoofdpijn en een forse septumdeviatie.

Deze situatie is kennelijk voor de Staatssecretaris van Justitie aanleiding geweest om aan de voorzieningenrechter in verzoekers vreemdelingrechterlijke procedure, te vragen om het verzoek om voorlopige voorziening (gevraagd is een verbod uitzetting) toe te wijzen, hetgeen is geschied.

Op verzoekers bezwaar in die procedure (tegen de weigering om verzoeker een verblijfsvergunning onder de beperking “medische noodsituatie” te verlenen) is, ruim 2 jaar en 4 maanden later, nog immer niet beslist.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat in de hier aan de orde zijnde bodemzaak de rechtbank zal oordelen dat verzoeker verkeert in een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin verzoeker verkeert op geen enkele wijze dan door verlening van bijstand zijn te verhelpen, zodat er sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB.

In onder andere de uitspraken van 22 december 2008 (LJN BG 8776 en LJN BG8789 heeft de CRvB overwogen dat het Europese hof voor de rechten van de mens (EHRM) als ‘the very essence’ van het EVRM aanmerkt, respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privé- en gezinsleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen, alsmede het gezinsleven te beschermen. Het artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privéleven en bescherming van het gezinsleven. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meermalen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op besteding van publieke middelen. Daarbij is van belang dat in een dergelijk geval aan de staat een extra ruime ‘margin of appreciation’ toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkene, aldus de CRvB in die uitspraken

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft de weigering van bijstand, gelet op de acute medische noodsituatie van verzoeker, tot effect dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van verzoeker onmogelijk is geworden en dat sprake is van een zodanige aantasting ‘very essence’ van artikel 8 van het EVRM dat dit zou moeten leiden tot de positieve verplichting van de staat om bijstand te verlenen.

Het in stand laten van het besluit van 17 juli 2009 zou tot gevolg hebben dat er geen sprake is van een ‘fair balance’ tussen het belang van de staat bij handhaving van het koppelingsbeginsel en het publieke belang enerzijds en het particuliere belang van verzoeker anderzijds.

De voorzieningenrechter acht bij die weging ook van belang dat de staat verzoeker in de vreemdelingenrechtelijke procedure in onzekerheid laat. Niet is uitgesloten dat verzoeker in die procedure een vergunning zoals hij die heeft gevraagd (een verblijfsvergunning onder de beperking “medische noodsituatie”) wordt onthouden. De staatssecretaris van justitie heeft het in die procedure zelf in de hand om op het bezwaar te beslissen, maar ziet daar kennelijk geen aanleiding toe. Hoewel dat verweerder in de onderhavige zaak natuurlijk niet kan worden tegengeworpen, is dat wel van belang bij de weging van het publieke belang zoals die moet worden gemaakt.

De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat geoordeeld zal worden dat artikel 16, tweede lid, van de WWB wegens strijd met artikel 8 EVRM buiten toepassing zal moeten blijven. Gelet hierop zal het bestreden besluit naar verwachting niet in stand blijven zodat er aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening in de zin dat aan verzoeker vanaf 29 oktober 2009 voorschotten naar de voor hem geldende bijstandsnorm dienen te worden verstrekt.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om over te gaan tot kortsluiting in de zin van artikel 8:86 van de Awb. Gelet op het belang van verweerder heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de connexe hoofdzaak versneld zal worden behandeld.

De datum van behandeling ter zitting van de hoofdzaak (09/2944) zal partijen zo snel mogelijk worden medegedeeld.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het door verzoeker betaalde griffierecht van € 41,-- door verweerder wordt vergoed.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De voorzieningenrechter bepaalt de proceskosten op € 874,-- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3 Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat het besluit van 17 juli 2009 wordt geschorst en dat aan verzoeker voorschotten worden verstrekt naar de voor hem geldende bijstandsnorm over de periode van 29 oktober 2009 tot 4 weken na verzending van de uitspraak in het beroep (09/2994).

bepaalt dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 41,--vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan verzoeker.

Aldus gedaan door mr. E.R. Houweling, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

mr. H. van der Waal-de Vries, griffier.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Uitgesproken in het openbaar op: 30 november 2009.

Afschrift verzonden op: