Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK4439

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
340697 / HA RK 09-198
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. De beslissing van de rechter ter zitting om verweerder - ondanks het te laat indienen van een verweerschrift - toe te laten in te gaan op de inhoudelijke kant van de zaak is een processuele beslissing, welke in beginsel geen aanleiding kan vormen voor wraking. Die beslissing was niet zozeer onbegrijpelijk dat daaraan een objectief gerechtvaardigde vrees voor een vooringenomenheid van de rechter jegens verzoekster ontleend kan worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak : 25 november 2009

Zaaknummer : 340697

Rekestnummer : HA RK 09-198

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde mr. drs. S.J. Brunia, advocaat te Rotterdam,

strekkende tot wraking van [naam rechter], rechter in de rechtbank Rotterdam, sector bestuursrecht (hierna: de rechter).

1. Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 16 oktober 2009 is door de rechter behandeld het door verzoekster ingestelde beroep, geregistreerd onder het nummer AWB 09/787 WAO-T2.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft gemachtigde van verzoekster de rechter gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier van de beroepsprocedure, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de zitting van 16 oktober 2009.

Verzoekster, haar gemachtigde, alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

Aan het betrokken bestuursorgaan, de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV), is een kennisgeving gezonden.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Ter zitting van 16 november 2009, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verzoekster en haar gemachtigde verschenen. De rechter is, met bericht, niet verschenen. Het UWV heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

De gemachtigde van verzoekster heeft aan de hand van een pleitnota zijn standpunt nader toegelicht.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

De gemachtigde van verzoekster heeft ter zitting centraal gesteld dat verzoekster wordt benadeeld doordat de rechter zich niet heeft gehouden aan de beginselen van fair play en het in het procesrecht verankerde beginsel van equality of arms, gegarandeerd door internationale verdragen, door de gemachtigde van het UWV ter zitting in de gelegenheid te stellen het woord te voeren aan de hand van een buiten de daarvoor gestelde termijn ingediend verweerschrift. Het UWV heeft de mogelijkheid tijdig te reageren op de in beroep aangedragen grieven, waaronder het verzoek om een nader medisch onderzoek, onbenut voorbij laten gaan en kennelijk berust, aldus de gemachtigde van verzoekster.

De gemachtigde van verzoekster heeft toen ter zitting bleek dat niet zou worden berust de rechter gevraagd het vooronderzoek te hervatten, teneinde alsnog zelf een deskundige in te schakelen.

De gemachtigde van verzoekster heeft de wrakingskamer - met het oog op de te beschermen belangen van verzoekster - ter zitting van de wrakingskamer gevraagd voorbij te gaan aan de ter zake ontwikkelde jurisprudentie.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt in haar brief van 21 oktober 2009 de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren. De rechter heeft daartoe onder meer gewezen op het bepaalde in artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en de ter zake ontwikkelde jurisprudentie (LJN AN8401).

3. De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door de gemachtigde van verzoekster aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde en anderszins aannemelijk geworden omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door de gemachtigde van verzoekster geuite vrees dat de rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. De rechtbank neemt hieromtrent het volgende in aanmerking.

3.4

Het verzoek tot wraking is in de kern hierop gestoeld dat de rechter - in strijd met hetgeen daaromtrent in de wet, jurisprudentie en verdragen is bepaald en ontwikkeld - wilde toelaten dat het UWV ter zitting zal ingaan op de inhoudelijke kant van de zaak, hoewel het verweerschrift is ingediend buiten de termijn als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Daarmee is het wrakingsverzoek gebaseerd op een processuele beslissing van de rechter ter zitting. Een dergelijke beslissing kan, zoals de wrakingskamer eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 februari 2009 (LJN BH1629), in beginsel geen aanleiding vormen voor wraking, tenzij die beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de vrees van verzoekster dat de rechter jegens haar een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

3.5

De gemachtigde van verzoekster heeft in dit verband aangevoerd dat de rechter, door het UWV in de gelegenheid te stellen zijn standpunt ter zitting inhoudelijk toe te lichten, is gaan meeprocederen en het UWV daarmee heeft bevoordeeld ten koste van verzoekster.

De wrakingskamer vindt voor de juistheid van deze stelling geen aanknopingspunten in de stukken, noch in het proces-verbaal van de zitting van 16 oktober 2009.

3.6

De wrakingskamer neemt bij de beoordeling van het verzoek tot wraking in aanmerking dat met betrekking tot het indienen van een verweerschrift vaste rechtspraak is dat aan overschrijding van de termijn als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb geen sanctie is verbonden, zoals verlies van het recht een verweerschrift in te dienen of ter zitting inhoudelijk nog in te gaan op de voorliggende zaak.

3.7

De wrakingskamer ziet geen aanleiding daar in deze zaak thans anders over te oordelen.

De rechter heeft in haar toelichting van 21 oktober 2009 gemotiveerd aangegeven dat het verweerschrift in deze zaak op 11 augustus 2009, dus ruim binnen de in artikel 8:58 van de Awb bedoelde termijn is binnengekomen en op 26 augustus 2009 is doorgezonden aan de gemachtigde van verzoekster, waardoor hij tijdig kennis heeft kunnen nemen van het verweerschrift. Daarnaast bevat het summiere verweerschrift geen nieuwe feiten en had verweerder ter zitting ook kunnen pleiten overeenkomstig de inhoud van dat verweerschrift.

3.8

Ook overigens zijn er geen gronden gebleken of aannemelijk geworden die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de rechter enige beslissing heeft genomen die in het licht van internationale verdragen, de constitutie, formele wetten of wellicht nog anderszins zozeer onbegrijpelijk is, dat daaraan de objectief gerechtvaardigde vrees ontleend kan worden dat de rechter vooringenomenheid koestert jegens verzoekster. Dat de gemachtigde van verzoekster de gang van zaken ongewenst acht, maakt de handelwijze van de rechter ter zitting nog niet zo onbegrijpelijk dat deze een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat de vrees van verzoekster dat de rechter jegens haar een vooringenomenheid koestert naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is.

3.9

De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4. De beslissing

Wijst af het verzoek tot wraking van [naam rechter].

Deze beslissing is gegeven op 25 november 2009 door mr. M.F.L.M. van der Grinten, voorzitter, mr. L.A.C. van Nifterick en mr. H.J.M. van der Kaaij, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van J. Bijleveld, griffier.

Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door de oudste rechter en de griffier ondertekend.