Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK3823

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
19-11-2009
Zaaknummer
305394/ HA ZA 08-987
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op samenhang ex artikel 28 EEX-vo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2012/125

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaaknummer / rolnummer: 305394/ HA ZA 08-987

Uitspraak: 11 november 2009

Vonnis van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KUIPERS TRANSPORT B.V.,

gevestigd te Oldenzaal,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. O.E. Meijer,

- tegen -

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

J.T.G. TRADING B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde,

eiseres in het incident,

advocaat mr. B.S. Janssen.

Partijen worden hierna aangeduid als Kuipers Transport en JTG.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis in het incident van 29 april 2009;

- de akte na tussenvonnis van JTG;

- de akte na tussenvonnis van Kuipers Transport.

1.2. Vervolgens hebben partijen wederom vonnis gevraagd in het incident.

2. De beoordeling

in het incident

wat vooraf ging

2.1 De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 29 april 2009 in rov. 4.5 overwogen dat de vraag of sprake is van “samenhang” tussen de vordering van Kuipers Transport tegen JTG in de hoofdzaak en die van JTG tegen Kuipers Logistics B.V. (verder: Kuipers Logistics en CCBB Rotterdam B.V. (hierna: CCBB) bij het Tribunale di Bologna, Italië, beantwoord moet worden aan de hand van de maatstaf van artikel 28 Brussel I-Vo, omdat de CMR geen zelfstandige regeling met betrekking tot samenhangende vorderingen bevat.

De rechtbank heeft partijen bij dat tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de mogelijke gevolgen voor deze zaak van het vonnis in incident van deze rechtbank van 22 april 2009 in de zaak tussen Kuipers Logistics en JTG met kenmerk 296267 / HA ZA 07-2927. In laatstgenoemde procedure had JTG een incident wegens litispendentie opgeworpen in verband met die bij het Tribunale di Bologna aanhangige procedure. De vraag of sprake was van litispendentie heeft de rechtbank beantwoordt aan de hand van artikel 31 lid 2 CMR. De rechtbank heeft die incidentele vordering van JTG afgewezen omdat de vordering van Kuipers Logistics tegen JTG eerder aanhangig was bij deze rechtbank dan die van JTG tegen Kuipers Logistics bij het Tribunale di Bologna.

Hangende de uitlating door partijen in de onderhavige zaak heeft de rechtbank de vraag of in dit geval sprake is van samenhangende vorderingen in het midden gelaten.

de nadere standpunten van partijen

2.2 Blijkens haar akte handhaaft JTG haar vordering tot aanhouding dan wel verwijzing naar de Tribunale di Bologna. Zij stelt dat zij nog steeds belang heeft bij aanhouding dan wel verwijzing van de onderhavige procedure, omdat de procedure in Italië voor zover gericht tegen CCBB in ieder geval voortgezet kan worden.

2.3 Volgens Kuipers Transport echter leidt de uitspraak van 22 april jl. ertoe dat deze rechtbank niet alleen ten aanzien van de vordering van JTG tegen Kuipers Logistics bij het Tribunale di Bologna, maar ook ten aanzien van de vordering van Kuipers Transport in de onderhavige hoofdzaak geldt als de eerst aangezochte rechter, zodat aanhouding of verwijzing naar de zaak in Italië niet dient te volgen. Bovendien behoren Kuipers Logistics en Kuipers Transport tot hetzelfde concern en zijn de vorderingen van deze partijen in de beide Nederlandse hoofdzaken identiek.

2.4 Nu de rechtbank in haar vonnis van 22 april jl. heeft geoordeeld dat de vordering van Kuipers Logistics eerder was ingesteld dan de vordering van JTG in Italië, zou dit blijkens de tekst van artikel 31 lid CMR dus tot niet- ontvankelijkheid van JTG in haar vordering in Italië moeten leiden. Gesteld noch gebleken is dat de uitzonderingsbepaling (“tenzij de uitspraak van het gerecht..”) in dit geval een rol speelt.

Deze niet-ontvankelijkheid treft echter alleen de vordering van JTG voor zover deze tegen Kuipers Logistics is gericht. De procedure tussen JTG en CCBB staat daar buiten.

samenhang?

2.5 De vraag die thans beantwoord dient te worden is of sprake is van samenhang tussen de vordering van JTG tegen CCBB zoals aanhangig bij het Tribunale di Bologna en de onderhavige vordering in de hoofdzaak van Kuipers Transport tegen JTG.

Beide vorderingen zien op hetzelfde voorval, de verdwijning op 24/25 juli 2007 van een gedeelte van een lading parfum uit een vrachtwagen. Voor zover de toedracht en de oorzaak van deze verdwijning in beide procedures in geschil is, zal hierover in beide procedures een beslissing moeten worden gegeven. Om die reden bestaat er bij afzonderlijke berechting van de zaken het gevaar dat over de toedracht en de oorzaak van hetzelfde ongeval onverenigbare beslissingen worden gegeven. Reeds dat gevaar brengt met zich - zoals in het tussenvonnis van 29 april jl. in rov. 4.5 is uiteengezet - dat sprake is van samenhangende vorderingen als bedoeld in artikel 28 Brussel I-Vo.

Derhalve doet zich de mogelijkheid voor tot aanhouding of verwijzing die artikel 28 Brussel I-Vo biedt (“kan het gerecht”), zodat moet worden onderzocht of het aangewezen is dat de rechtbank van die mogelijkheid gebruik maakt.

2.6 Niet alleen tussen de vordering van JTG tegen CCBB aanhangig bij het Tribunale di Bologna en de vordering in de onderhavige hoofdzaak van Kuipers Transport tegen JTG bestaat samenhang. Zodanige samenhang bestaat ook tussen de vordering in de onderhavige hoofdzaak en die van Kuipers Logistics tegen (onder meer) JTG voor deze rechtbank met kenmerk 296267 / HA ZA 07-2927. Gelet op de omstandigheden dat in die procedure sprake is van nagenoeg identieke vorderingen van twee partijen die tot hetzelfde concern behoren en welke vorderingen ook tegen dezelfde gedaagden zijn gericht, terwijl de vordering van JTG tegen Kuipers Logistics voor het Tribunale di Bologna geen kans van slagen heeft - zoals is uitgemaakt in het vonnis van 22 april jl. - is sprake van een sterkere samenhang met die andere Nederlandse procedure dan met die bij het Tribunale di Bologna. Deze sterkere samenhang brengt mee dat het vermijden van onverenigbare beslissingen tussen de vorderingen met sterkere samenhang dient te prevaleren boven het vermijden van onverenigbare beslissingen over de toedracht en de oorzaak van het voorval van enerzijds deze rechtbank in de onderhavige hoofdzaak en anderzijds van het Tribunale di Bologna in de zaak van JTG tegen CCBB.

Daarom acht de rechtbank het in dit geval niet aangewezen om van de mogelijkheid tot aanhouding of verwijzing gebruik te maken.

2.7 Gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank de incidentele vordering van JTG afwijzen en zal JTG als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident.

in de hoofdzaak

2.8 De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een conclusie van antwoord door JTG en houdt voor het overige iedere beslissing aan.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

wijst af de vorderingen van JTG;

veroordeelt JTG in de aan de zijde van Kuipers Transport gevallen proceskosten, tot aan deze uitspraak bepaald op nihil aan verschotten en op € 904,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 9 december 2009 voor het nemen van een conclusie van antwoord door JTG;

houdt voor het overige iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger.

Uitgesproken in het openbaar.

1295/1928