Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK3811

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
19-11-2009
Zaaknummer
317715 / HA ZA 08-2641
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenwerking in de vorm van opdracht, waarbij de DGA van eiseres werd aangesteld tot Rotterdam Representative van het Havenbedrijf. Het Havenbedrijf heeft de opdracht in beginsel rechtsgeldig doen eindigen. Echter, eiseres mag bewijzen dat het Havenbedrijf haar heeft toegezegd dan wel bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat aansluitend aan het op 31 december 2008 aflopende contract een contract tussen partijen zou worden gesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 317715 / HA ZA 08-2641

Uitspraak: 7 oktober 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MODALISTICS B.V.,

gevestigd te Heesch,

eiseres,

advocaat mr. R.A. Klaassen,

- tegen -

de naamloze vennootschap

HAVENBEDRIJF ROTTERDAM N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.N. de Blécourt.

Partijen worden hierna aangeduid als “Modalistics” en “Havenbedrijf”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank verwijst naar haar tussenvonnis van 14 januari 2009.

Ingevolge dat tussenvonnis is op 28 mei 2009 een comparitie van partijen gehouden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Die comparitie is op 19 augustus 2009 voortgezet, waarbij tevens een getuige is verhoord, waarvan eveneens proces-verbaal is opgemaakt.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken die leidden tot het vonnis van 14 januari 2009, van de processen-verbaal, alsmede van de daarin als in het geding gebracht vermelde stukken.

2 De vaststaande feiten

2.1

De rechtbank merkt de volgende feiten – voor zover thans van belang – als tussen partijen vaststaand aan, omdat deze enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken zijn dan wel blijken uit de in zoverre niet betwiste inhoud van producties waarop beroep is gedaan.

2.2

Modalistics en het Havenbedrijf sloten op 30 juni 2001 een overeenkomst van opdracht voor de periode 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2005. De opdracht c.q. de samenwerking betrof in feite werkzaamheden van de bestuurder-groot-aandeelhouder van Modalistics, [persoon 1] (hierna: [persoon 1]), ten behoeve van het Havenbedrijf als adviseur over de containerlogistiek tussen Rotterdam en het Duitse achterland.

2.3

Op 24 maart 2004 sloten partijen, onder gelijktijdige beëindiging van de onder 2.2 genoemde overeenkomst, een nieuwe overeenkomst van opdracht, voor de periode 1 april 2004 tot en met 31 maart 2007. Modalistics werd in die overeenkomst aangesteld als “Rotterdam Representative” van het Havenbedrijf in de regio Nordrhein-Westfalen.

2.4

Op 26 april 2007 sloten partijen een aansluitende overeenkomst van opdracht voor de periode 1 april 2007 tot en met 1 mei 2008. In deze overeenkomst werd ten opzichte van de onder 2.3 genoemde overeenkomst de jaarlijkse “fee” verlaagd met € 30.000,=, maar de jaarlijkse “office costs” verhoogd met € 15.000,=. De overige “fees and expenses” bleven gelijk. Bij “membership costs”, “travel and accommodation costs” en “representation costs” is ten opzichte van de onder 2.3 genoemde overeenkomst toegevoegd: “[..] hereby set at a maximum of [..]”.

2.5

De onder 2.4 genoemde overeenkomst van opdracht is bij door beide partijen ondertekende brief van 5 december 2007 verlengd tot 1 januari 2009. In die brief kwamen partijen overeen om vóór 1 juli 2008 een besluit te nemen of de samenwerking zou worden voortgezet na 1 januari 2009.

2.6

Het Havenbedrijf heeft bij brief van 16 juni 2008 aan Modalistics onder meer het volgende medegedeeld:

“Onderwerp Beëindiging contract

[..] Met referte aan het gesprek met u op 12 juni jl. te onzen kantore [..] bevestigen wij u hierbij dat [het Havenbedrijf] het contract met u als Rotterdam Representative na 31 december 2008 niet zal verlengen.

Wij verwijzen u naar artikel 15 van het Agreement Rotterdam Representative alsmede onze brief van 15 [bedoeld is: 5; rechtbank] december 2007, waaruit blijkt dat uw contract tot 1 januari 2009 loopt met een opzegtermijn van zes maanden.

Tijdens ons gesprek hebben wij aangegeven geen vertrouwen meer te hebben in een vruchtbare samenwerking tot het einde van de duur [van; rechtbank] het contract. [..] E.e.a. houdt concreet voor u in dat [het Havenbedrijf] u uw Fee (art. 5.1.1), Office costs (art. 5.1.2) en de voor dit jaar eventueel reeds vervallen termijnen voor Membership costs (art. 5.1.3, graag aantonen met facturen) tot het einde van het jaar onverkort zal voldoen, maar dat door u geen verdere kosten meer mogen worden gedeclareerd.”

2.7

De samenwerking is in feite per eind juni 2008 geëindigd.

3 De vordering

3.1

Modalistics vordert – verkort weergegeven – dat de rechtbank het Havenbedrijf bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal veroordelen om:

I. aan Modalistics te betalen € 335.833,42, € 400.000,=, € 20.000,=, € 10.000,= en € 1.814,08;

II. aan Modalistics te betalen € 14.875,=, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten en tevens vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover;

III. de foto van [persoon 1] uit brochures of andere publicaties van het Havenbedrijf te verwijderen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,= per dag voor iedere dag na betekening van het vonnis dat het Havenbedrijf in gebreke blijft daaraan te voldoen;

en IV het Havenbedrijf zal verbieden zich negatief uit te laten over [persoon 1], zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,= per overtreding;

met veroordeling van het Havenbedrijf in de kosten van de procedure.

Modalistics stelt daartoe het volgende.

3.2

Het Havenbedrijf heeft bij Modalistics het vertrouwen gewekt dat de samenwerking ook na 31 december 2008 zou worden voortgezet. Dat vertrouwen is ten eerste gegrond op de keten van overeenkomsten voor meerdere jaren, ten tweede op toezeggingen van het Havenbedrijf in najaar 2006/voorjaar 2007 ter compensatie van de teruggang van de “fee” en ten slotte bij een bespreking van 26 november 2007 die leidde tot de brief van 5 december 2007. Uit de omstandigheden dat het Havenbedrijf steeds een nieuwe overeenkomst sloot met Modalistics en bij de bespreking van juni 2008 noch in de brief van 16 juni 2008 klachten of twijfels over de samenwerking heeft geuit, blijkt dat het Havenbedrijf tevreden was over het functioneren van Modalistics. Er bestond daardoor geen aanleiding om de samenwerking te beëindigen. Het Havenbedrijf heeft door de samenwerking toch te verbreken onredelijk of onrechtmatig gehandeld. Het Havenbedrijf had, mede gelet op de door Modalistics gedane inspanningen en investeringen en gezien de leeftijd van [persoon 1], bij de opzegging van de samenwerking een termijn van tweeëndertig maanden in acht moeten nemen. Nu het Havenbedrijf de samenwerking met een termijn van zes maanden heeft opgezegd, maakt Modalistics aanspraak op schadevergoeding in de vorm van betaling van de haar onder de overeenkomst toekomende bedragen over de overige zesentwintig maanden. Dat betreft een totaalbedrag van € 335.833,42.

3.3

[persoon 1] heeft voor de uitvoering van de opdracht door Modalistics een pand aangekocht in Weeze, Duitsland, en dat gerenoveerd. Dat pand heeft hij wegens de beëindiging moeten verkopen. [persoon 1] heeft daardoor omstreeks € 200.000,= schade geleden. Modalistics vordert € 400.000,= schadevergoeding van het Havenbedrijf, zodat [persoon 1] zijn schade via Modalistics, na aftrek van omstreeks 50% belasting, vergoed krijgt.

Modalistics heeft voor de uitvoering van de overeenkomst twee personeelsleden in dienst genomen. Dezen heeft zij moeten afvloeien, omdat het Havenbedrijf de samenwerking heeft beëindigd. Het afvloeien van de twee personeelsleden kost Modalistics waarschijnlijk € 20.000,=. Modalistics vordert deze kosten van het Havenbedrijf.

3.4

[persoon 1] is door de handelswijze van het Havenbedrijf in zijn eer en goede naam geschaad. Modalistics vordert van het Havenbedrijf € 10.000,= als schadevergoeding. Modalistics vordert dat het Havenbedrijf de foto van [persoon 1] uit brochures of andere publicaties van het Havenbedrijf verwijdert en dat het zich verder onthoudt van negatieve uitlatingen over [persoon 1], een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,= per gebeurtenis of dag dat het Havenbedrijf in gebreke blijft daaraan te voldoen.

3.5

Modalistics ontving van het Havenbedrijf de onkostenvergoedingen telkens bij vooruitbetaling en zonder teruggave verplichting. In de praktijk factureerde Modalistics de onkosten zonder specificatie. De onkostenvergoedingen vormden daarom inkomsten voor Modalistics. Het Havenbedrijf is per 1 juli 2008 specificaties gaan verlangen van de onkosten. Modalistics heeft daarmee niet ingestemd. Deze eenzijdige contractswijziging is (ingevolge artikel 18 van de overeenkomst van 26 april 2007) niet mogelijk. Modalistics vordert van het Havenbedrijf betaling van haar facturen met nummer 2008/08024 ten bedrage van € 8.925,= en 2008/11025 ten bedrage van € 5.950,=. Het betreft een totaalbedrag van € 14.875,=, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 augustus 2008, respectievelijk vanaf 1 november 2008, alsmede met buitengerechtelijke kosten.

3.6

Het Havenbedrijf heeft de facturen van Modalistics met nummers 2008/05010 en 2008/08021 te laat voldaan. Modalistics vordert de wettelijke handelsrente vanaf 28 mei 2008 met betrekking tot factuurnummer 2008/05010 en de wettelijke handelsrente vanaf 1 augustus 2008 met betrekking tot factuurnummer 2008/08021 en buitengerechtelijke kosten over deze twee facturen, zijnde een totaalbedrag ad € 1.814,08.

4 Het verweer

4.1

De conclusie van het Havenbedrijf strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Modalistics in de gedingkosten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Het Havenbedrijf voert daartoe het volgende aan.

4.2

Het Havenbedrijf heeft nooit bij Modalistics het vertrouwen gewekt dat de samenwerking na 30 december 2008 zou worden voortgezet. Evenmin heeft het Havenbedrijf toegezegd dat een vermindering in de vergoedingen zou worden gecompenseerd door een langdurige voortzetting van de samenwerking.

4.3

Het Havenbedrijf heeft een aantal malen aan Modalistics bedenkingen geuit over de uitvoering van de opdracht door haar. Bij een bespreking tussen partijen op 12 juni 2008 hebben beide partijen aangegeven geen vertrouwen meer te hebben in de samenwerking. Het Havenbedrijf behoefde de samenwerking niet te verlengen. Naar aanleiding van de bespreking van 12 juni 2008 heeft het Havenbedrijf medegedeeld de samenwerking per afloopdatum van de overeenkomst te beëindigen. Modalistics wist voordat de contractuele opzegtermijn van zes maanden ging lopen dat de samenwerking zou aflopen. Het Havenbedrijf heeft onrechtmatig noch onredelijk gehandeld.

4.4

Het Havenbedrijf betwist de gestelde investeringen. Het Havenbedrijf betwist de door Modalistics gestelde schadeposten.

Modalistics lijdt geen schade door de verkoop van het pand, omdat niet zij, maar [persoon 1] eigenaar van het pand is.

Modalistics diende voor de werkzaamheden onder de overeenkomst [persoon 1] ter beschikking te stellen. Modalistics heeft er zelf voor gekozen werknemers in dienst te nemen. Zij is daarvoor c.q. voor de afvloeiing van hen zelf verantwoordelijk.

4.5

Het Havenbedrijf heeft niet onrechtmatig gehandeld door zijn organisatie te informeren over de beëindiging van de samenwerking met Modalistics. Het is de taak van het Havenbedrijf om zijn organisatie op de hoogte te brengen van ontwikkelingen ten aanzien van de bestaande contractuele relaties, zoals de Rotterdam Representatives. Het Havenbedrijf heeft zijn brochures aangepast aan de beëindiging. De foto van [persoon 1] is bij het beëindigen van de samenwerking verwijderd van de website. De foto is niet meer afgedrukt op brochures of andere publicaties van het Havenbedrijf. Het Havenbedrijf betwist zich ongunstig over [persoon 1] te hebben uitgelaten, laat staan hem in eer en goede naam te hebben aangetast.

Bovendien levert eventuele schade van [persoon 1] geen vordering tot schadevergoeding van Modalistics op.

4.6

Het Havenbedrijf vergoedt conform de overeenkomst van 26 april 2007, waarin gesproken wordt over maximumbedragen, alleen de kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt en door Modalistics zijn verantwoord. Het Havenbedrijf betwist dat sprake is van een eenzijdige wijziging van de overeenkomst. Vanwege het feit dat Modalistics heeft nagelaten een specificatie van de kosten te tonen, vergoedt het Havenbedrijf de facturen met nummers 2008/08024 en 2008/11025 niet.

4.7

Het Havenbedrijf is geen wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd over facturen met nummers 2008/05010 en 2008/08021. De facturen zijn door het Havenbedrijf betaald, nadat Modalistics aan de betalingsvoorwaarde, te weten het overleggen van de specificatie, had voldaan.

5 De beoordeling

5.1

De vorderingen stellen allereerst de vraag aan de orde of het Havenbedrijf schadeplichtig is wegens de beëindiging van de samenwerking. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

5.2

Met partijen – de rechtbank wijst erop dat [persoon 1] geen partij is in de procedure – kwalificeert de rechtbank de rechtsverhouding tussen hen als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. BW. Derhalve is artikel 7:408 BW van toepassing, ingevolge waarvan een opdrachtgever die handelt in de uitoefening van een bedrijf, zoals het Havenbedrijf, te allen tijde de overeenkomst van opdracht kan opzeggen behoudens andersluidende afspraak.

5.3

Partijen zijn in de overeenkomst van 26 april 2007 onder meer het volgende overeengekomen:

“Article 15 Duration of the Agreement

This Agreement commences on May 1st 2007.

Before November 1st, 2007 the parties will discuss an extension of the Agreement and the conditions. In the event the parties do not reach agreement the Agreement will terminate on May 1st 2008.

The parties are entitled to terminate the Agreement - for their own reasons - subject to a notice period of 6 months.”

In de briefovereenkomst van 5 december 2007 is onder meer het volgende bepaald:

“Onderwerp Verlenging contract tot eind 2008

[..] Mede vanwege een reorganisatie bij het Havenbedrijf [..] willen wij het NRW-Rotterdam Representative contract met Modalistics [..], dat op 1 mei 2008 expireert, tijdelijk verlengen tot 1 januari 2009. Dit betekent dat wij uiterlijk 6 maanden voordien, dat is 1 juli 2008, met elkaar in gesprek zijn getreden om te komen tot een besluit over ofwel een verdere voortzetting van onze samenwerking (een nieuw contract) ofwel beëindiging daarvan.”

De briefovereenkomst van 5 december 2007 houdt niet meer of anders in – daarover strijden partijen niet – dan een voortzetting van de overeenkomst van 27 april 2007. Derhalve bleef het gestelde in artikel 15 van laatstgenoemde overeenkomst van kracht, afgezien van de datum van overleg, welke was gewijzigd in vóór 1 juli 2008, en de datum van afloop, welke was gewijzigd in 31 december 2008; over die uitleg bestaat tussen partijen evenmin verschil van mening. Zonder verlenging zou de samenwerking derhalve per 31 december 2008 eindigen.

Met die afspraken zijn partijen afgeweken van het onbeperkte opzeggingsrecht van de opdrachtgever zoals bepaald in artikel 7:408 BW.

5.4

In het midden kan blijven of de overeenkomst per 31 december 2008 is geëindigd door enkel tijdsverloop, dan wel door opzegging. Vast staat immers dat het Havenbedrijf de overeenkomst bij brief van 16 juni 2008 heeft opgezegd met inachtneming van een termijn van meer dan zes maanden voor de afloop van de overeenkomst. In die brief heeft het Havenbedrijf de overeenkomst opgezegd wegens onvoldoende vertrouwen in een verdere vruchtbare samenwerking. Zodanig gebrek aan vertrouwen valt onder het begrip “for their own reasons” in het hierboven geciteerde artikel 15 van de overeenkomst van 26 april 2007. Het Havenbedrijf kon de overeenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden “for their own reasons” beëindigen. Derhalve is de overeenkomst in beginsel rechtsgeldig geëindigd.

5.5

Voor zover Modalistics betoogt dat de overeenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd c.q. dat het Havenbedrijf de overeenkomst niet rechtsgeldig heeft beëindigd of het onrechtmatig heeft gehandeld door de overeenkomst te beëindigen, stuit dat betoog in beginsel op het vorenstaande af.

5.6

In 5.4 en 5.5 is gesproken over “in beginsel” omdat Modalistics stelt dat het Havenbedrijf haar heeft toegezegd, althans bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat na 31 december 2008 een (reeks van) aansluitend(e) contract(en) zou worden gesloten. In haar stellingen verwijst Modalistics naar mededelingen van [persoon 2] van het Havenbedrijf. Het Havenbedrijf heeft die stellingen gemotiveerd betwist.

Daarover overweegt de rechtbank het volgende. Indien het Havenbedrijf de gestelde toezegging heeft gedaan of het gestelde gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt, zou de samenwerking niet zonder meer per 31 december 2008 aflopen en stond het het Havenbedrijf niet vrij om “for their own reasons” de overeenkomst op te zeggen, omdat met die opzegging die toezegging c.q. dat gerechtvaardigd vertrouwen teniet zou worden gedaan. Derhalve dient onderzocht te worden of zodanige toezegging is gedaan dan wel zodanig gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt.

Uit de verklaring van [persoon 2], die bij de voortzetting van de comparitie als getuige is verhoord, blijkt niet van enig gewekt vertrouwen, laat staan van enige toezegging van het Havenbedrijf. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv draagt Modalistics de bewijslast van de door haar gestelde toezegging dan wel het gewekte vertrouwen. Daarbij zal Modalistics hebben te bewijzen welke periode zodanig(e) (reeks van) aansluitend(e) contract(en) beslaan. De rechtbank zal Modalistics dat bewijs opdragen.

5.7

Hangende de bewijsvoering zal de rechtbank de overige beslissingen betreffende de overeenkomst tussen partijen aanhouden.

5.8

Voor zover de vorderingen (de betaling van) facturen van Modalistics ter zake van onkostenvergoedingen in de vorm van “membership costs”, “travel and accommodation costs” en “representation costs” betreffen overweegt de rechtbank het volgende.

In de overeenkomst van 26 april 2007 zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen:

“Article 5 Fees and expenses

5.1.3 Membership costs

Includes all costs connected with membership of associations, clubs and subscriptions to newspapers/magazines, provided such membership/subscriptions have been approved in advance by [het Havenbedrijf].

The membership costs are hereby set at e maximum of € 3.000,- per year (€ 750,- per quarter).

5.1.4 Travel and accomodation costs

Includes all travel and accommodation costs connected with the work referred to in Article 3. [..]

The travel and accommodation costs are hereby set at e maximum of € 18.000,- per year (€ 4.500,- per quarter).

5.1.5 Representation costs

Includes all “out-of-pocket” expenditure connected with the work referred to in Article 3, in particular: lunch, dinner, etc.

The representation costs are hereby set at e maximum of € 9.000,- per year (€ 2.250,- per quarter).

[..]

Article 6 Payment of expenses

The expenses referred to in Article 5, Paragraph 1, Sub-paragraphs 3, 4 and 5 will be paid per quarter in advance after submission of an expense report. [..]”

Partijen hebben met deze regeling kennelijk een invulling gegeven aan de wettelijke regeling van artikel 7:406 BW, waarin is bepaald dat de opdrachtgever de onkosten verbonden aan de uitvoering van de opdracht aan de opdrachtnemer moet vergoeden. In de wettelijke regeling is uitgangspunt dat het gaat om de werkelijke onkosten.

Blijkens het woordgebruik in de hierboven aangehaalde gedeelten van artikel 5 gaat het tussen partijen eveneens om vergoeding van daadwerkelijk door Modalistics gemaakte kosten (zie: “expenses” en “costs”) verbonden aan de uitvoering van de overeenkomst (zie: “connected with the work referred to in Article 3”). Ook uit het stellen van maxima aan de onkosten in de laatste zinnen van de onderdelen 5.1.3, 5.1.4 en 5.1.5 volgt dat het om werkelijke onkosten gaat. De tekst van de overeenkomst biedt daarom geen grond voor de stelling dat Modalistics aanspraak heeft op forfaitaire bedragen, ook indien zij die bedragen niet daadwerkelijk aan onkosten heeft gemaakt. Voor het verkrijgen van vergoeding van de door haar gemaakte onkosten zal Modalistics derhalve de procedures van de artikelen 5 en 6 van de overeenkomst hebben te volgen.

De enkele omstandigheid dat in een voorgaand contract niet een regeling was opgenomen als die van de artikelen 5 en 6 van het contract van 26 april 2007 brengt, mede gelet op de wettelijke regeling, niet met zich dat de regeling van het contract van 26 april 2007 daarom niet geldt. Andere gronden voor het niet van toepassing zijn van de regeling van de artikelen 5 en 6 van het contract van 26 april 2007 zijn niet (voldoende specifiek) gesteld.

De conclusie is dat Modalistics aanspraak heeft op vergoeding van de door haar daadwerkelijk in verband met de uitvoering van de overeenkomst gemaakte onkosten mits zij aan de in de artikelen 5 en 6 van het contract van 26 april 2007 bepaalde voorwaarden voldoet.

De zaak zal naar de rol worden verwezen opdat partijen, om te beginnen Modalistics, zich in het licht van het vorenstaande nader kunnen uitlaten over de aanspraken van Modalistics op vergoeding van onkosten, respectievelijk op tijdige betaling daarvan en het eventueel verschuldigd geworden zijn van rente in verband daarmee.

5.9

Stellende dat het Havenbedrijf [persoon 1] in zijn eer en goede naam heeft aangetast c.q. dat ten onrechte een foto van [persoon 1] in brochures e.d. is blijven staan, vordert Modalistics verwijdering van die foto, een verbod op negatieve uitlatingen over [persoon 1] en schadevergoeding.

Het Havenbedrijf betwist de stellingen van Modalistics gemotiveerd en wijst erop dat [persoon 1] geen partij bij de overeenkomst is.

De rechtbank overweegt daarover het volgende. Het gaat hier om [persoon 1] persoonlijk betreffende aangelegenheden. [persoon 1] is geen partij bij de overeenkomst(en) met het Havenbedrijf. De enkele omstandigheden dat de overeenkomst de bemoeienissen van [persoon 1] betreft en dat her en der in de overeenkomst van 26 april 2007 achter de naam van Modalistics tussen haakjes die van [persoon 1] is vermeld, maakt hem nog geen partij bij die overeenkomst. Nu gesteld noch gebleken is dat [persoon 1] met Modalistics kan worden vereenzelvigd of dat hij aan Modalistics last heeft gegeven om zijn rechten te beschermen c.q. zijn schade te verhalen, heeft Modalistics niet het vorderingsrecht ten aanzien van een persoonlijke vordering van [persoon 1]. Reeds daarop stuiten deze vorderingen van Modalistics af, daargelaten de feitelijke gegrondheid ervan.

5.10

Hangende de bewijslevering en de aktewisseling zal de rechtbank alle overige beslissingen aanhouden.

6 De beslissing

De rechtbank,

draagt Modalistics op het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid:

(a) dat het Havenbedrijf haar heeft toegezegd dan wel bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat aansluitend aan het op 31 december 2008 aflopende contract een (reeks van) aansluitend(e) contract(en) tussen partijen zou worden gesloten; en

(b) welke periode zodanig(e) (reeks van) aansluitend(e) contract(en) zou beslaan;

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 4 november 2009 voor:

(a) uitlating door Modalistics op welke wijze zij aan die bewijsopdrachten zal voldoen;

(b) uitlating door beide partijen bij akte, om te beginnen Modalistics, over de aanspraken van Modalistics op vergoeding van onkosten, respectievelijk op tijdige betaling daarvan en over het eventueel verschuldigd geworden zijn van rente in verband daarmee;

bepaalt dat voor zover Modalistics dat bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen:

(a) de getuigen zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. W.P. Sprenger; en

(b) Modalistics in haar akte opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van die getuigen, alsmede die van beide partijen en hun raadslieden in de maanden december 2009 tot en met februari 2010 opdat aan de hand daarvan dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger.

Uitgesproken in het openbaar.

2120/1928