Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK3452

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
319314 / HA ZA 08-2872
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen een bank en een rekeninghouder bestaat een overeenkomst met betrekking tot een rekening-courantverhouding, waaraan een creditcard is gekoppeld. Op die overeenkomst is de Wet op het Consumentenkrediet (WCK) van toepassing, nu een roodstand van langer dan drie maanden onder de werking van die wet kan worden gebracht en de bank onvoldoende actie heeft ondernomen om dat te voorkomen. De gevorderde vervallen rente over een periode van vier jaren is niet toewijsbaar nu het, gelet op bijzondere zorgplicht die op de bank rust en op de redelijkheid en billijkheid, niet ten laste van de rekeninghouder mag komen dat de bank circa vijf jaren heeft laten verstrijken zonder daarbij inzichtelijk te maken welke actie zij heeft ondernomen om de vordering te incasseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2010, 21

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 319314 / HA ZA 08-2872

Uitspraak: 14 oktober 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

De coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK ROTTERDAM U.A.,,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

tevens verweerster in het incident,

advocaat mr. J. van Londen,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

tevens eiseres in het incident,

advocaat mr. B.J. den Hartog.

Partijen worden hierna aangeduid als "Rabobank" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 17 november 2008 en de door Rabobank overgelegde productie;

- conclusie van antwoord in de hoofdzaak tevens incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met producties;

- incidentele conclusie van antwoord;

- vonnis in incident van de rechtbank d.d. 22 april 2009, waarbij [gedaagde] is toegestaan om [persoon 1] te dagvaarden tegen de roldatum van 20 mei 2009;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 17 juni 2009, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

- de voorafgaand aan de comparitie van partijen door Rabobank overgelegde producties;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 25 augustus 2009;

1.2 Nu tot op heden de oproeping tot vrijwaring niet heeft plaatsgevonden, zijn de zaak in hoofdzaak en de zaak in vrijwaring niet tegelijk in staat van wijzen. Rabobank heeft de rechter in haar incidentele conclusie van antwoord op grond van artikel 215 Rv verzocht om afzonderlijke afdoening van de hoofdzaak. Het vonnis in de hoofdzaak is daarom bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Tussen partijen bestaat een overeenkomst met betrekking tot een rekening-courantverhouding (Rabo Totaal Pakket) betreffende het rekeningnummer 1609.03.777.

2.2 Bij het aangaan van de overeenkomst is bedongen dat de algemene voorwaarden voor betaalrekeningen van de Rabobank 2000, de algemene voorwaarden bankpas van de Rabobank 2002 en de algemene voorwaarden Rabocard/Creditcard 2002 van toepassing zijn.

2.3 Op de rekening-courant is een krediet verleend, in die zin dat een negatief saldo van

€ 1.000,00 geoorloofd is, mits er per maand minimaal een bedrag van € 50,00 binnenkomt. Aan de rekening is een creditcard gekoppeld.

2.4 Op 11 juli 2003 bedroeg de debetstand van de rekening-courant € 1.863,27. Nadien is de debetstand opgelopen als gevolg van o.a. betalingen met de creditcard. Het negatieve saldo bedroeg op 1 september 2004 € 6.462,95.

2.5 Rabobank heeft [gedaagde] diverse aanmaningen gestuurd en tevens gewaarschuwd voor de verplichting van Rabobank de debetstand te melden aan het Bureau Krediet Registratie (hierna: het BKR). Bij brief van 1 oktober 2003 heeft Rabobank [gedaagde] in gebreke gesteld en bij brief van 8 oktober 2003 gesommeerd het debetbedrag aan te zuiveren. Bij brief van 24 oktober 2003 heeft Rabobank gesteld dat het debetbedrag opeisbaar is geworden en is [gedaagde] voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld aan haar betalingsverplichting te voldoen, alvorens Rabobank over zal gaan tot rechtsmaatregelen.

3 De vordering

3.1 Rabobank heeft gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan haar van € 6.462,95 aan hoofdsom, € 5.151,52 aan vervallen rente vanaf 1 september 2004 tot 6 november 2008 en € 1.153,63 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 15% per jaar vanaf 6 november 2008, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure, evenals in de nakosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Rabobank aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.2 Op de rekening-courant is een ongeoorloofde debetstand van € 6.462,95 ontstaan en deze debetstand is uitdrukkelijk door Rabobank als toerekenbare tekortkoming van de zijde van [gedaagde] aangemerkt. Rabobank heeft [gedaagde] omgaand na het ontstaan van de debetstand aangemaand tot betaling van de schuld, waarbij [gedaagde] in gebreke is gesteld. Rabobank heeft de ongeoorloofde debetstand aangemeld bij het BKR.

3.3 Door het toerekenbaar tekortschieten van [gedaagde] was Rabobank genoodzaakt haar vordering ter incassering uit handen te geven aan haar gemachtigde, die buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. Ingevolge de algemene voorwaarden komen de hiermee gemoeide kosten van € 1.153,63 (inclusief BTW) voor rekening van [gedaagde].

3.4 Op grond van de algemene voorwaarden zijn rekeninghouders verplicht een tekort op de rekening-courant aan te zuiveren. [gedaagde] is opeisbaar aan Rabobank verschuldigd een bedrag van € 6.462,95, zijnde de debetstand op de rekening-courant per 1 september 2004. Over dit bedrag is zij krachtens de algemene voorwaarden een debetrente verschuldigd van 15%.

4 Het verweer

4.1 Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Rabobank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [gedaagde] in de kosten van het geding. [gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.2 De vordering van € 6.462,95 aan debetstand heeft zij erkend. De gevorderde rente en buitengerechtelijke kosten heeft zij gemotiveerd betwist. Het bedrag van € 5.151,52 aan rente is volgens [gedaagde] disproportioneel en onaanvaardbaar op grond van artikel 6:248 lid 2 BW. Indien de rechter de rente toewijsbaar acht, is deze volgens [gedaagde] in strijd met de redelijkheid en billijkheid en dient deze te worden gematigd. Ook de vordering van buitengerechtelijke kosten is volgens haar disproportioneel en er staan geen werkzaamheden tegenover. Tenslotte voert [gedaagde] aan dat Rabobank medeschuldig is aan het buitengewoon hoge rentebedrag nu Rabobank meer dan vier jaar niets heeft ondernomen om de schade te beperken. De vordering dient op grond van artikel 6:101 BW voor een belangrijk deel aan haar eigen toedoen te worden toegeschreven.

5 De beoordeling

5.1 Voor de beoordeling van de vordering van Rabobank dient allereerst te worden bezien of de Wet op het Consumentenkrediet (hierna: WCK) op de onderhavige overeenkomst van toepassing is. De rechtbank stelt hierbij voorop dat ingevolge artikel 1 aanhef en sub 3 WCK onder krediettransactie -zakelijk weergegeven- onder meer wordt verstaan iedere overeenkomst met de strekking dat door de kredietgever aan de kredietnemer een geldsom ter beschikking wordt gesteld en de kredietnemer aan de kredietgever een of meer betalingen doet en dat tenminste één van die betalingen van de kredietnemer later plaatsvindt dan drie maanden nadat de geldsom ter beschikking is gesteld.

In het onderhavige geval heeft de overeenkomst op zichzelf beschouwd geen directe kredietmogelijkheid. Dit betekent niet dat geen sprake kan zijn van een krediettransactie als voornoemd. De begeleidende omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat in werkelijkheid sprake is van een krediettransactie.

De onderhavige rechtsverhouding kenmerkt zich echter onder meer hierdoor dat eiseres ten behoeve van een derde een geldsom ter beschikking heeft gesteld door roodstand op de onderhavige betaalrekening toe te staan. In voornoemde wettekst is het begrip strekking opgenomen, waarmee ook roodstand op betaalrekeningen onder de werking van de WCK kan worden gebracht.

Indien een kredietgever wil voorkomen dat een ongewilde roodstand verandert in een krediettransactie, dan moet hij actie ondernemen bij ongewilde roodstanden van langer dan drie maanden. Deze actie moet voldoen aan de volgende kenmerken:

1. de bank merkt de roodstand expliciet als wanprestatie aan;

2. de bank gaat tot ingebrekestelling en directe opeising over en

a. de bank gaat spoedig na het verstrijken van de drie maanden over tot incasso van de vordering of;

b. er wordt een betalingsregeling overeengekomen van al dan niet langer dan drie maanden, die schriftelijk wordt vastgelegd;

3. en, voor zover het gaat om bedragen boven de € 453,78, meldt de bank de roodstand aan bij het BKR met een speciale achterstandscodering.

5.2 Rabobank stelt in de dagvaarding en ter zitting aan het hierboven genoemde onder 1 tot en met 3 te hebben voldaan. Uit de door Rabobank overgelegde en door [gedaagde] onweersproken gebleven aanmaningen en sommaties blijkt naar het oordeel van de kantonrechter dat zij aan de punten 1 en 3 heeft voldaan. Dat Rabobank echter spoedig na het verstrijken van de drie maanden tot incasso van de totale vordering is overgegaan is echter niet gebleken.

5.2.1 Uit bestanden van Intrum Justitia zou volgens Rabobank moeten blijken dat er intensief contact is geweest met [gedaagde] en haar ouders. De datum van de ingang van rente moet volgens haar blijken uit de brieven verstuurd door Intrum Justitia. Volgens Rabobank is [gedaagde] een lange tijd niet te traceren geweest en is haar adres pas in 2008 weer door Rabobank gevonden in de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA). Rabobank stelt in september 2008 [gedaagde] wederom een aanmaning te hebben verzonden.

5.2.2 [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij ook na 2003 bij haar ouders stond ingeschreven. Zij weet niet of zij de brieven van Intrum Justitia heeft ontvangen. De aanmaning van september 2008 is door [gedaagde] niet betwist.

5.2.3 Uit de door Rabobank overgelegde gegevens uit het GBA, blijkt voor de rechtbank niet dat [gedaagde] niet te traceren was. Nu Rabobank geen kopieën van brieven heeft overgelegd die in de periode na 24 oktober 2003 tot september 2008 aan [gedaagde] zouden zijn verstuurd of een nadere onderbouwing van het gestelde contact heeft gegeven, heeft zij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij adequate actie heeft ondernomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de WCK in het onderhavige geval van toepassing moet worden geacht.

5.3 De vordering van € 6.462,95 aan debetstand wordt door [gedaagde] erkend. De vordering komt niet onrechtmatig of ongegrond voor en kan daarom worden toegewezen.

5.4 Rabobank vordert betaling van de tussen partijen overeengekomen en op de dag van dagvaarding naar haar stellingen reeds vervallen rente over een periode van vier jaren. Blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad brengt de maatschappelijke functie van banken een bijzondere zorgplicht met zich mee. Deze vloeit voort uit de redelijkheid en billijkheid, naar de aard van een contractuele verhouding tussen een bank en haar particuliere cliënten. De strekking van bedoelde zorgplicht is om de cliënt te beschermen tegen het gevaar van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht. Indien dit gevaar zich verwezenlijkt wegen fouten van de cliënt die uit die lichtvaardigheid of dat gebrek aan inzicht voorkomen in beginsel minder zwaar dan fouten van de bank waardoor deze in de zorgplicht is tekortgeschoten. De thans gevorderde rente bedraagt een bedrag dat bijna even hoog is als het in hoofdsom gevorderde bedrag. Niet gebleken is welke actie(s) de bank in de 5 jaren, tussen de door haar als laatste overgelegde sommatie van 24 oktober 2003 tot aan de dagvaarding van 6 november 2008, heeft ondernomen om [gedaagde] te bewegen om tot betaling over te gaan. Dat de bank circa 5 jaren heeft laten verstrijken, zonder daarbij inzichtelijk te maken welke actie zij heeft ondernomen om de vordering te incasseren en aan [gedaagde] het rentepercentage en rentebedrag aan te geven en waarom [gedaagde] de rente vanaf de gevorderde ingangsdatum verschuldigd is, mag gelet op de hiervoor genoemde op de bank rustende zorgplicht en de redelijkheid en billijkheid, niet ten laste van [gedaagde] komen. De gevorderde rente, waarvan het percentage in overeenstemming met artikel 35 WCK juncto artikel 4 van het Besluit Kredietvergoeding is, zal eerst worden toegewezen vanaf datum dagvaarding.

5.5 De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toewijsbaar, omdat op de overeenkomst de bepalingen van de Wet op het consumentenkrediet (WCK) van toepassing zijn. Ingevolge artikel 34 WCK is het de kredietgever niet toegestaan buitengerechtelijke kosten in rekening te brengen omdat in het tarief een factor incassokosten zal zijn opgenomen. Ook het uit handen geven aan een derde van de invordering mag niet gepaard gaan met het in rekening brengen van kosten.

5.6 Nu Rabobank slechts voor een gedeelte van haar vordering in het gelijk wordt gesteld dienen de proceskosten te worden gecompenseerd, in zoverre dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5.7 De nakosten zullen (voorwaardelijk) worden toegewezen als hierna vermeld.

6 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Rabobank te betalen het bedrag van € 6.462,95, vermeerderd met de overeengekomen rente ad 15 % over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 131,-- aan nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 Burgerlijk Wetboek daarover vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der voldoening, verhoogd met

€ 68,-- aan betekeningskosten in het geval betekening van de executoriale titel plaatsvindt; vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 Burgerlijk Wetboek daarover vanaf de datum van de betekening tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin.

Uitgesproken in het openbaar.

646