Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK3448

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
318876 / HA ZA 08-2793
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leverancier van handelsinformatie stelt tegen betaling aan klanten informatie over financiële positie van andere bedrijven ter beschikking. Tot twee keer toe verstuurt zij onjuiste negatieve informatie over eiseres. Onrechtmatige daad, gelet op aard van bedrijf van gedaagde en op aard van informatie. Bovendien is rectificatie van onjuiste berichten te laat verstuurd. Schadestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 318876 / HA ZA 08-2793

Uitspraak: 21 oktober 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [eiseres sub 1],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. BOEKBINDERIJ,

beide gevestigd te Groningen,

eiseressen,

advocaat mr. J. Kneppelhout,

- tegen -

[gedaagde],

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. L. Grijpma.

Eiseressen worden gezamenlijk aangeduid als “[eiseressen]”. Afzonderlijk worden zij waar nodig aangeduid als “[eiseres sub 1]” en “Boekbinderij”. Gedaagde wordt aangeduid als “[gedaagde]”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 6 november 2008;

- akte overlegging producties aan de zijde van [eiseressen];

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 11 februari 2009, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- aantekeningen en producties aan de zijde van [eiseressen];

- aantekeningen en productie aan de zijde van [gedaagde].

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 4 september 2009.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1 [eiseres sub 1] is enig aandeelhoudster en bestuurster van Boekbinderij. Enig aandeelhoudster van [eiseres sub 1] is Samenbinding B.V. te Groningen.

2.2 [gedaagde] is leverancier van handelsinformatie. Zij stelt tegen betaling aan haar klanten informatie beschikbaar over de financiële positie van bedrijven ten behoeve van door die klanten te nemen krediet- en aankoopbeslissingen.

2.3 Begin januari 2008 heeft [gedaagde] een zogenaamd “rood bewakingsbericht” verstuurd. Dit bericht vermeldde dat de directe moedermaatschappij van [eiseres sub 1] failliet was. Als moedermaatschappij werd in het bericht genoemd [bedrijf 1]. Het bericht was onjuist. Zoals blijkt uit 2.1 is zojuist genoemde vennootschap niet de moeder van [eiseres sub 1]. Bovendien verkeerde die vennootschap niet in staat van faillissement.

2.4 In de week van 21 januari 2008 hebben [eiseressen] naar aanleiding van het in 2.2 weergegeven onjuiste bericht contact gehad met [gedaagde].

2.5 Op 26 januari 2008 heeft [gedaagde] opnieuw een onjuist “rood bewakingsbericht” verstuurd. Voor zover hier van belang luidt dit bericht als volgt:

“Rood bewakingsbericht: [bedrijf 2]

[…]

ROOD: Faillissement/Insolventie Procedure > Moedermaatschappij

De directe moedermaatschappij van deze onderneming is niet langer actief:

Type gebeurtenis: Faillissement

Datum: jan 2008

Moedermaatschappij: [bedrijf 1] […]”

Het bericht bevat aan het slot een exoneratieclausule.

2.6 Bij e-mailbericht van 8 februari 2008 heeft [gedaagde] aan één klant onder de kop

“Rectificatie Bewakings bericht [bedrijf 2]” het volgende bericht gestuurd;

“Onze excuses voor het uitleveren van een onjuist bewakingsbericht. Deze reden hiervan is een fout in de Bulk load van de KVK naar de [gedaagde] Database. Hierdoor gaf ons systeem de vorige ‘moeder’ als huidige moeder aan. Onze bewakingsservice reageerde hier op. Er werden bewakingsberichten verstuurd met de vermelding van een Faillissement/Insolventie procedure, deze was niet correct en noemde vorige moeder als huidige moeder onderneming. Bij deze mail kunt u het rapport van de onderneming en de moedermaatschappij vinden. Deze tonen aan dat er niets mis is met het bestand bij [gedaagde].

Het probleem is inmiddels opgelost en in de toekomst zal dit niet meer gebeuren door een aanpassing in de link tussen de KVK en [gedaagde].”

2.7 De juiste gegevens omtrent de werkelijke moedermaatschappij van [eiseres sub 1] waren ten tijde van het versturen van de in 2.3 en 2.5 vermelde berichten kenbaar uit openbare bronnen, waaronder het register van de Kamer van Koophandel.

3 De vordering

De vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

1. voor recht te verklaren dat [gedaagde] jegens [eiseressen] onrechtmatig heeft gehandeld door het in het verkeer brengen van de onjuiste bewakingsberichten en te rectificeren (op de wijze en termijn) zoals is geschied, en mitsdien schadeplichtig is jegens [eiseressen];

2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 4.000,= ter zake van buitengerechtelijke kosten;

3. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van schade op te maken bij staat;

met proceskostenveroordeling.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten hebben [eiseressen] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Door (tot twee keer toe) onjuiste berichten te versturen heeft [gedaagde] onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig jegens [eiseressen] gehandeld. Dit geldt te meer gelet op de aard van het bedrijf van [gedaagde], op haar goede reputatie op het gebied van handelsinformatie en op het feit dat de ware stand van zaken eenvoudig kenbaar was uit openbare bronnen. Voorts heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld door niet direct na de eerste melding van de fout op 11 januari 2008 tot rectificatie over te gaan, maar daarmee te wachten tot 8 februari 2008. Gelet op de inhoud van het rectificatiebericht was het [gedaagde] kennelijk vooral te doen om de schadelijke gevolgen voor [gedaagde] zelf te beperken, terwijl zij vooral oog had moeten hebben voor de belangen van [eiseressen]

3.2 [gedaagde] dient de als gevolg van dit onrechtmatig handelen geleden schade vergoeden.

3.3 [eiseressen] hebben schade geleden in de vorm van het mislopen van contracten en imagoschade. De precieze omvang van de schade kan worden vastgesteld in een schadestaatprocedure.

3.4 Ook hebben [eiseressen] buitengerechtelijke kosten moeten maken, die – overeenkomstig het rapport Voorwerk II – tot een bedrag van € 4.000,= voor vergoeding in aanmerking komen.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseressen] in de kosten van het geding.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 [gedaagde] heeft niet onrechtmatig gehandeld. De door [gedaagde] verstuurde bewakingsberichten worden gegenereerd door een geautomatiseerd systeem. Voor fouten in dat systeem is [gedaagde] niet aansprakelijk. Bovendien blijkt uit de “disclaimer” onderaan het bericht duidelijk dat [gedaagde] met dergelijke bewakingsberichten geen juistheid pretendeert. Voorts geldt dat [gedaagde] na de melding van de fout – die bij haar pas op 23 januari 2008 is binnen gekomen – adequaat heeft gereageerd door direct onderzoek te doen naar de oorzaak van de fout. Het duurde even voordat de oorzaak en de geadresseerde(n) duidelijk waren. Daarom is enige tijd verstreken tussen de melding en het versturen van het rectificatiebericht. Het rectificatiebericht vermeldt wat de onjuistheid was in het bewakingsbericht. Dat is voldoende.

4.2 Niet gebleken is dat [eiseressen] schade hebben geleden.

4.3 Er is geen causaal verband tussen het handelen van [gedaagde] en eventuele schade. [gedaagde] heeft de onjuiste berichten aan slechts één klant verstuurd. Een bewakingsbericht als zodanig zegt bovendien niet zoveel. Het gaat veeleer om de achterliggende handelsinformatierapporten, die de klanten van [gedaagde] op basis van een bewakingsbericht kunnen opvragen. De inhoud van die rapporten met betrekking tot [eiseressen] is altijd correct geweest. Het teruglopen van omzet kan tal van andere oorzaken hebben gehad die niet met het handelen van [gedaagde] in verband staan.

4.4 De gestelde schade is ten slotte in redelijkheid niet aan [gedaagde] toe te rekenen. Dat het versturen van een onjuist bewakingsbericht aan één enkele klant zou kunnen leiden tot de door [eiseressen] gestelde schade is volstrekt niet voorzienbaar.

5 De beoordeling

5.1 Niet ter discussie staat dat [gedaagde] tot tweemaal toe een onjuist “rood bewakingsbericht” heeft doen uitgaan. De in 2.3 en 2.5 genoemde bewakingsberichten waren immers feitelijk onjuist in die zin dat (1) [bedrijf 1] niet de moeder is van [eiseres sub 1] en (2) die vennootschap niet in staat van faillissement verkeerde. [eiseressen] stellen zich op het standpunt dat het handelen van [gedaagde] in dit verband jegens hen onrechtmatig is. Volgens [eiseressen] moet tot dat onrechtmatige handelen ook gerekend worden de inhoud van de in 2.6 weergegeven rectificatie en de termijn waarbinnen [gedaagde] die rectificatie heeft doen uitgaan. [gedaagde] heeft de onrechtmatigheid betwist. De rechtbank overweegt als volgt.

5.2 De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiseressen] aldus dat van onrechtmatigheid aan de zijde van [gedaagde] sprake is, omdat zij heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Voor het antwoord op de vraag of het handelen van [gedaagde] in deze zin moet worden gekwalificeerd moet worden acht geslagen op alle omstandigheden van het geval.

5.3 In het onderhavige geval is allereerst de aard van de door [gedaagde] verstuurde informatie van belang. De melding dat de “directe” moedermaatschappij van [eiseres sub 1] “niet langer actief” is als gevolg van “faillissement” kan bij de ontvanger van een dergelijk bericht naar zijn aard twijfels doen rijzen over de financiële gezondheid van [eiseres sub 1]. Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] uiteengezet dat haar klanten zich op bewakingsberichten als hier aan de orde kunnen abonneren, waarbij die klanten bepaalde bedrijven “onder bewaking” kunnen zetten. Het ligt voor de hand dat die klanten een dergelijk abonnement niet voor niets aangaan, en dus geïnteresseerd zullen zijn in de vervolgens door [gedaagde] verstuurde bewakingsberichten. Ook van belang is dat [gedaagde] het onderhavige bewakingsbericht nadrukkelijk als “ROOD” heeft gekwalificeerd, waarmee blijkens haar stellingen bij conclusie van antwoord een negatieve verandering wordt aangeduid.

5.4 Voorts is de aard van het bedrijf van [gedaagde] van belang. Volgens haar eigen stellingen is zij een leverancier van handelsinformatie, welke informatie door haar klanten wordt gebruikt in het kader van krediet- en aankoopbeslissingen. De informatie van [gedaagde] – zo heeft zij betoogd – helpt de klant bij het nemen van dergelijke beslissingen doordat het daaraan verbonden risico op basis van die informatie beter kan worden ingeschat. [eiseressen] hebben onbetwist gesteld dat [gedaagde] op dit terrein marktleider is en een goede reputatie heeft. Aldus moet worden aangenomen dat door [gedaagde] gegenereerde informatie een grotere impact zal hebben dan informatie van een willekeurige derde. Keerzijde van die stand van zaken is dat aan de door [gedaagde] te betrachten zorgvuldigheid hogere eisen moeten worden gesteld.

5.5 Gelet op de in 5.3 en 5.4 geschetste omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het tot tweemaal toe versturen van de onjuiste bewakingsberichten jegens [eiseressen] onrechtmatig is.

5.6 Ten aanzien van de door [gedaagde] verstuurde rectificatie geldt het volgende. Tussen partijen is kennelijk niet in geschil dat van [gedaagde] verwacht mocht worden haar onjuiste berichten te rectificeren en dat deze rectificatie voldoende helder moest zijn en met de nodige voortvarendheid verstuurd moest worden. De rechtbank overweegt als volgt.

5.7 Ten aanzien van de inhoud van de rectificatie hebben [eiseressen] betoogd dat de rectificatie vooral bedoeld lijkt te zijn om “het eigen straatje schoon te vegen”. Op zichzelf hebben [eiseressen] terecht aangevoerd dat het bericht (ook) bedoeld lijkt om aan te tonen “dat er niets mis is met het bestand bij [gedaagde]”. Dat maakt het bericht echter nog niet onrechtmatig. Het bericht vermeldt tot tweemaal toe dat het bewakingsbericht ten onrechte “de vorige moeder als huidige moeder” aangaf. Daarmee is de fout naar het oordeel van de rechtbank voldoende helder recht gezet.

5.8 Ten aanzien van het tijdsverloop tussen bewakingsbericht en rectificatie heeft [gedaagde] gesteld dat zij onderzoek heeft moeten doen naar de oorzaak van de fout en de ontvanger van de onjuiste berichten. Met dat onderzoek was tijd gemoeid, aldus [gedaagde]. Met [eiseressen] is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek naar de oorzaak van de fout niet in de weg had mogen staan aan eerdere rectificatie. [gedaagde] had de juiste stand van zaken immers per direct kunnen nagaan op basis van informatie uit openbare bronnen. Een eventuele toelichting op de oorzaken van de foute meldingen had [gedaagde] desgewenst ook op een later moment aan haar klant(en) kunnen toesturen. Ter comparitie heeft [gedaagde] voorts gesteld dat niet in één oogopslag duidelijk was naar wie de onjuiste berichten waren verstuurd. Deze stelling heeft [gedaagde] echter onvoldoende concreet onderbouwd. Waar het systeem volgens [gedaagde] zelf volledig geautomatiseerd is en de eerste foutmelding volgens haar binnenkwam op 23 januari 2008, is zonder nadere toelichting niet aannemelijk dat voor het uitzoeken van de ontvanger(s) van de bewakingsberichten ruim twee weken nodig waren. [gedaagde] heeft aldus onvoldoende voortvarendheid betracht. Haar handelen is ook op dit punt dus onrechtmatig. In het midden kan blijven of [gedaagde] al eerder dan op 23 januari 2008 van de fout op de hoogte geraakte.

5.9 Voor aansprakelijkheid van [gedaagde] is vereist dat haar het onrechtmatige handelen kan worden toegerekend. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat van toerekenbaarheid geen sprake is, nu de fouten in de bewakingsberichten zijn veroorzaakt door een technisch mankement in de software van een volledig geautomatiseerd systeem. Dit betoog faalt. [gedaagde] bedient zich ten behoeve van haar bedrijfsvoering van een geautomatiseerd systeem. Aangenomen moet worden dat zij hier profijt van heeft. Haar klanten betalen immers voor ontvangst van de mede met behulp van dat systeem gegenereerde informatie. Bij die stand van zaken komt onrechtmatig handelen dat een gevolg is van fouten in dat systeem krachtens in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van [gedaagde].

5.10 [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat zij zich jegens de ontvanger van de bewakingsberichten voor schade als gevolg van onjuistheden in die berichten heeft geëxonereerd. Ook dat gegeven staat aan toerekenbaarheid niet in de weg. [eiseressen] staan immers buiten afspraken die [gedaagde] met haar klanten heeft gemaakt. Dat geldt ook voor de stelling van [gedaagde] dat haar klanten op basis van een bewakingsbericht een handelsinformatierapport kunnen opvragen, waaruit – volgens [gedaagde] – in dit geval wél de juiste informatie zou zijn gebleken. Ook die omstandigheid ziet op de contractuele relatie tussen [gedaagde] en haar klant, waarmee [eiseressen] niets van doen hebben.

5.11 Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiseressen] hebben gehandeld en dat haar die onrechtmatigheid kan worden toegerekend. Dat betekent dat [gedaagde] gehouden is de daardoor geleden schade van [eiseressen] te vergoeden. [eiseressen] hebben verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd. Ter comparitie hebben zij verklaard dat de schade inmiddels kan worden begroot. Gelet daarop en op het uitgangspunt dat de schade zo mogelijk in één en dezelfde procedure zal worden begroot (artikel 612 Rv), zal de rechtbank [eiseressen] gelegenheid geven hun stellingen ter zake de omvang van de schade en ter zake het causaal verband (zowel voor wat betreft het conditio sine qua non-verband als in de zin van artikel 6:98 BW) aan te vullen en te onderbouwen. Zij kunnen daartoe een conclusie na tussenvonnis nemen. Vervolgens kan [gedaagde] een antwoordconclusie nemen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat stelplicht en bewijslast in dit verband op [eiseressen] rusten.

5.12 In afwachting van deze conclusiewisseling zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.

6 De beslissing

De rechtbank,

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 2 december 2009 voor het nemen van een conclusie na tussenvonnis als bedoeld in 5.11 door [eiseressen], waarna [gedaagde] bij antwoordconclusie kunnen reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling.

Uitgesproken in het openbaar.

1980/204