Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK3230

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
13-11-2009
Zaaknummer
272574 / HA ZA 06-3145
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tijdens ferryvervoer ontstaat schade aan trekkers, opleggers en daarin vervoerde lading. Vorderingsgerechtigdheid afzenders. Bewijsopdracht subrogatie verzekeraars. Beroep op bijzondere ontheffingsgronden faalt. Gestelde synchronisatie en 'freak wave' zijn onvoldoende onderbouwd. Nu de oorzaak van het slingeren onbekend blijft, blijven de gevolgen daarvan onder het HVR-regime voor rekening van de vervoerder. Beperking per kilogram geldt het gehele ten vervoer aangeboden vervoermiddel inclusief de daarin vervoerde lading.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 272574 / HA ZA 06-3145

Uitspraak: 7 oktober 2009

VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ITW TRANSPORT, OPSLAG EN EXPEDITIE B.V.,

gevestigd te Weesp,

2. [eiseres sub 2],

gevestigd te Stad aan ‘t Haringvliet,

3. [eiseres sub 3],

gevestigd te Venray,

4. de vennootschap onder firma

BELGA INTERNATIONAAL TRANSPORT V.O.F.,

gevestigd te Roden,

5. [eiseres sub 5],

gevestigd te Enschede,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SYSTEMATIC LOGISTICS INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Oldenzaal,

7. de onderlinge waarborgmaatschappij TRANSVEMIJ U.A.,

gevestigd te Hoogeveen,

8. de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MIJ. N.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

eiseressen,

advocaat mr. M. Spanjaart,

- tegen -

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STENA LINE B.V.,

gevestigd te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam,

2. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

STENA LINE SCANDINAVIA AB,

gevestigd te Göteborg, Zweden,

gedaagden,

advocaat mr. J.F. van der Stelt.

Eiseressen worden hierna respectievelijk aangeduid als “ITW”, “[eiseres sub 2]”, “[eiseres sub 3]”, “Belga”, “[eiseres sub 5]”, “Systematic”, “TVM” en “NN”, dan wel gezamenlijk als “ITW c.s.”. Gedaagden worden aangeduid als “Stena Line” respectievelijk “Stena Line AB” dan wel gezamenlijk als “Stena Line c.s.”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 11 augustus 2006;

- akte houdende overlegging producties tevens vermeerdering van eis d.d. 15 november 2006, met producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek, tevens houdende akte vermeerdering en wijziging van eis, met producties;

- conclusie van dupliek, met producties;

- de bij gelegenheid van de pleidooien door Stena Line c.s. overgelegde producties;

- de bij gelegenheid van de pleidooien overgelegde pleitnotities.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast.

2.1

Tijdens een overtocht van Hoek van Holland naar Killingholme, Verenigd Koninkrijk, is op 14 februari 2005 aan boord van het aan Stena Line AB toebehorende roll on/roll off motorschip [motorschip] schade ontstaan aan daarin vervoerde trekkers, opleggers en aan de lading in deze opleggers.

In de ochtend van 14 februari 2005 lag het schip om 8.00 uur rustig op koers, met een lichte slingering, en werd in het scheepslogboek een noord/noordwestelijke wind kracht 8/9 Bft, goed zicht en zware deining genoteerd. Omstreeks 8.37 uur begon het schip plotseling gedurende enige minuten zeer zwaar te slingeren. De ergste slingering naar stuurboord bedroeg ongeveer 35 graden en de ergste slingering naar bakboord ongeveer 30 graden.

2.2

Uit hoofde van een tussen ITW en Stena Line gesloten vervoerovereenkomst bevond zich aan boord een oplegger met kenteken [kenteken 1] toebehorende aan ITW.

2.3

Uit hoofde van een tussen [eiseres sub 2] en Stena Line gesloten vervoerovereenkomst bevond zich aan boord een trekker met kenteken [kenteken 2] toebehorende aan [eiseres sub 2].

2.4

Uit hoofde van een tussen [eiseres sub 3] en Stena Line gesloten vervoerovereenkomst bevond zich aan boord een trekker met kenteken [kenteken 3], gekoppeld aan een oplegger met kenteken [kenteken 4], beide toebehorende aan [eiseres sub 3].

2.5

Uit hoofde van een tussen Belga en Stena Line gesloten vervoerovereenkomst bevond zich aan boord een oplegger met kenteken [kenteken 5] toebehorende aan Belga, beladen met glasgarens, plaatmateriaal, CV-onderdelen en verpakkingsmateriaal.

2.6

Uit hoofde van (een) tussen Systematic en Stena Line gesloten vervoerovereenkomst(en) bevonden zich aan boord van de [motorschip]:

- een trekker met kenteken [kenteken 6] toebehorende aan [eiseres sub 5], gekoppeld aan een oplegger met kenteken [kenteken 7] toebehorende aan Systematic, beladen met plaatmateriaal;

- een trekker met kenteken [kenteken 8] toebehorende aan [eiseres sub 5], gekoppeld aan een oplegger met kenteken [kenteken 9] toebehorende aan [bedrijf 1]

2.7

Alle trekkers en opleggers zijn vastgezet door hulppersonen van Stena Line. Van alle genoemde trekkers behoudens die met kenteken [kenteken 3] en [kenteken 8], en van alle genoemde opleggers en lading staat vast dat deze gedurende voornoemde overtocht zijn beschadigd.

2.8

TVM is de verzekeraar van ITW, [eiseres sub 2], [eiseres sub 3] en [eiseres sub 5].

2.9

NN is de verzekeraar van Belga.

2.10

Voor het vervoer van bovenbedoelde trekkers, opleggers en de daarin vervoerde lading zijn geen cognossementen afgegeven. Op het vervoer zijn van toepassing de Standard Terms of Business for Freight Customers (hierna: ‘STB’) van Stena Line en -via artikel 9 STB- de Conditions of Carriage of Goods by Sea (hierna: ‘CCGS’) van Stena Line.

Ingevolge artikel 13 lid 2 CCGS zijn op het onderhavige vervoer de Hague-Visby Rules, zoals gewijzigd bij Protocol van 21 december 1979 (hierna: ‘HVR’) van toepassing.

2.11

ITW, [eiseres sub 2], [eiseres sub 3], [eiseres sub 5], Belga en Systematic hebben Stena Line c.s. aansprakelijk gesteld. Stena Line c.s. zijn ondanks sommaties niet tot vergoeding van schade overgegaan.

3 De vordering

De gewijzigde vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Stena Line c.s., althans één van hen, te veroordelen tot betaling aan ITW c.s. van € 139.586,61, althans tot betaling aan ieder der eiseressen het bedrag dat haar toekomt, met rente en kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten hebben ITW c.s. aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

Toepasselijk regime

3.1

Partijen hebben een conflictenrechtelijke keuze gemaakt voor de toepasselijkheid van de HVR, en aanvullend het Nederlandse recht, op het onderhavige vervoer. De HVR en Boek 8 BW prevaleren als dwingend recht boven het bepaalde in de STB en CCGS.

Aansprakelijkheid

3.2

Stena Line c.s. zijn aansprakelijk voor de schade die ITW, [eiseres sub 2], [eiseres sub 3], Belga, [eiseres sub 5] en Systematic hebben geleden, omdat zij de op hen rustende resultaatsverplichting hebben geschonden om de ten vervoer ontvangen zaken ter bestemming af te leveren in de staat waarin zij deze hebben ontvangen.

Vordering ITW

3.3

ITW heeft voor € 8.000,-- schade geleden aan haar oplegger [kenteken 1]. Deze schade overtreft de dagwaarde van € 6.000,--. ITW vordert, met behoud van de oplegger, per saldo € 5.000,--.

3.4

ITW vordert € 838,50 voor expertisekosten van [bedrijf 2] (hierna: ‘[bedrijf 2]’).

Vordering [eiseres sub 2]

3.5

[eiseres sub 2] heeft voor € 7.945,15 schade geleden aan haar trekker [kenteken 2].

[eiseres sub 2] is verzekerd bij TVM en heeft een eigen risico van € 2.500,--. TVM heeft € 5.445,15 uitgekeerd aan [eiseres sub 2]. [eiseres sub 2] vordert het eigen risico groot € 2.500,--.

3.6

[eiseres sub 2] vordert € 268,75 voor expertisekosten van [bedrijf 3] (hierna: ‘[bedrijf 3]’).

Vordering [eiseres sub 3]

3.7

[eiseres sub 3] vordert vergoeding van de schade geleden aan haar trekker [kenteken 3], groot € 675,-- .

3.8

Aan haar oplegger [kenteken 4] heeft [eiseres sub 3] voor € 9.200,-- schade geleden. Omdat de schade de waarde van de oplegger overtreft heeft de expert deze schade bepaald op € 7.500, -. [eiseres sub 3] is verzekerd bij TVM en heeft een eigen risico van € 1.250,--. TVM heeft € 6.250,-- uitgekeerd aan [eiseres sub 3]. [eiseres sub 3] vordert het eigen risico groot € 1.250,--.

Vordering Belga

3.9

Belga heeft voor € 16.500,-- schade geleden aan haar oplegger [kenteken 5]. Omdat de schade de dagwaarde van de oplegger overtreft heeft de expert deze schade bepaald op € 4.500,--. Belga is verzekerd bij NN en heeft een eigen risico van € 227,--. NN heeft € 4.873,-- uitgekeerd aan Belga. Belga vordert het eigen risico groot € 227,--.

3.10

Voorts is voor € 60.643,01 schade geleden aan de in de oplegger vervoerde lading (brutogewicht 23.603 kg), waarvan:

- € 57.095,50 ziet op schade aan een zending glasgaren (brutogewicht

22.859 kg),

- € 2.085,-- ziet op schade een zending geperforeerde stalen platen

(brutogewicht 382 kg),

- € 1.172,51 ziet op schade aan een zending CV-onderdelen (brutogewicht

132 kg), en

- € 290,-- ziet op foutvracht en de kosten van retourtransport van een zending

verpakkingsmateriaal (brutogewicht 230 kg). [De gestelde kosten van retourtransport van € 1.115, bevatten een kennelijke schrijffout en belopen gelet op de overige stukken € 115,--.]

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:388 lid 1 BW beperkt Belga haar vordering ter zake van deze goederen tot 2 SDR per kg bruto gewicht, derhalve tot in totaal SDR 47.206, omgerekend € 55.354,--.

Vordering [eiseres sub 5]

3.11

[eiseres sub 5] vordert vergoeding van de schade aan haar trekker [kenteken 6], groot € 1.754,50.

3.12

Ter zake van deze trekker vordert [eiseres sub 5] € 248,50 voor expertisekosten van [bedrijf 3].

3.13

[eiseres sub 5] vordert vergoeding van de schade aan haar trekker [kenteken 8], groot € 6.757,65.

3.14

Ter zake van deze trekker vordert [eiseres sub 5] € 322,50 voor expertisekosten van [bedrijf 3].

3.15

De lading plaatmateriaal in oplegger [kenteken 7], met een brutogewicht van 23.863 kg, is beschadigd. Deze schade beloopt € 8.439,13 en is door TVM vergoed.

Vordering Systematic

3.16

Systematic vordert vergoeding van de schade aan haar oplegger [kenteken 7], groot € 11.268,98.

3.17

Systematic vordert vergoeding van de schade aan de oplegger van [bedrijf 1] met kenteken [kenteken 9], groot € 8.470,52.

3.18

Indien en voor zover [eiseres sub 5] niet gerechtigd zou zijn om de door haar gevorderde schade te vorderen, vordert Systematic deze schade als afzender.

Vordering TVM

3.19

Door de uitkering van € 5.445,15 aan [eiseres sub 2] is TVM tot dat bedrag gesubrogeerd in de rechten van [eiseres sub 2].

3.20

Door de uitkering van € 6.250,-- aan [eiseres sub 3] is TVM tot dat bedrag gesubrogeerd in de rechten van [eiseres sub 3].

3.21

Door de uitkering van € 8.439,13 aan [eiseres sub 5] voor schade aan de lading in oplegger [kenteken 7] is TVM tot dat bedrag gesubrogeerd in de rechten van [eiseres sub 5].

3.22

TVM vordert ter zake van de schade bedoeld onder 3.21 de expertisekosten groot € 8.838,73.

Vordering NN

3.23

Door de uitkering van € 4.873,-- aan Belga is NN tot dat bedrag gesubrogeerd in de rechten van Belga.

Expertisekosten

3.24

[bedrijf 4] (hierna: ‘[bedrijf 4]’) heeft een nautische expertise uitgevoerd en € 3.335,00 in rekening gebracht. ITW c.s. vorderen vergoeding van deze kosten.

Wettelijke rente

3.25

ITW c.s. vorderen vergoeding van de wettelijke rente te berekenen vanaf 14 februari 2005, althans de dag van dagvaarding.

Buitengerechtelijke kosten

3.26

ITW c.s. vorderen vergoeding van buitengerechtelijke kosten groot € 2.500,--. De advocaat van ITW c.s. heeft voorafgaand aan de procedure getracht een buitengerechtelijke regeling te bereiken en voorts een kort geding voorbereid omdat Stena Line c.s. weigerde om experts aan de zijde van ITW c.s. aan boord van de [motorschip] toe te laten.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, althans tot het oordeel dat Stena Line c.s. beperkt aansprakelijk zijn tot SDR 666,67 per betrokken eenheid of collo dan wel tot SDR 2 per kg der verloren gegane en beschadigde zaken, waarbij het hoogste dezer bedragen in aanmerking moet worden genomen, met veroordeling van ITW c.s. bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding.

Stena Line c.s. hebben daartoe het volgende aangevoerd.

Passieve legitimatie

4.1

ITW c.s. zijn niet ontvankelijk in hun vorderingen tegen Stena Line AB, althans deze dienen te worden afgewezen. Niet Stena Line AB maar Stena Line heeft als vervoerder gecontracteerd. Er is geen andere grondslag dan overeenkomst aangevoerd voor de vordering jegens Stena Line AB.

Actieve legitimatie

4.2

ITW c.s. zijn niet ontvankelijk in (onderdelen van) hun vorderingen. De vorderingen zijn, met name op het punt van de vorderingsgerechtigdheid, onvoldoende gesubstantieerd.

4.3

ITW c.s. zijn niet vorderingsgerechtigd ten aanzien van de schade aan de oplegger van [bedrijf 1] en de lading vervoerd in de opleggers [kenteken 5] en [kenteken 7].

4.4

De positie van verzekeraars is onvoldoende toegelicht. ITW c.s. dienen een lijst van alle op de betrokken verzekeringspolissen betrokken verzekeraars over te leggen. Bij gebrek aan wetenschap wordt betwist dat TVM en NN onder enige verzekeringspolis enig bedrag hebben uitgekeerd, dat zij daartoe gehouden waren, en dat zij zijn gesubrogeerd in de rechten van oorspronkelijk vorderingsgerechtigden.

Ontheffing van aansprakelijkheid

4.5

Stena Line doet een beroep op artikel 4 lid 2 sub a, c, d, i, m, n, p en q HVR, althans (subsidiair) op artikel 8:383 lid 2 sub a, c, d, i, m, n, p en q BW.

4.6

De bewegingen van de ro-ro eenheden en de daarin geladen lading zijn veroorzaakt door het plots opkomende hevige slingeren van het schip, dat zich voordeed toen de natuurlijke slingerperiode van het schip synchroon kwam te lopen met de frequentie van de zware deining/golfslag, dan wel door een ‘freak wave’. Nu het schip in de voorafgaande uren, bij slechtere weers- en zee-omstandigheden, stabiel en probleemloos had gevaren en er ten tijde van het incident niets aan schip, windrichting, zeegang of deining was veranderd, moet zich ofwel synchronisatie ofwel een ‘freak wave’ hebben voorgedaan. Daardoor is het schip ernstig naar bakboord en stuurdboord gaan overhellen. Dit deed een deel van de lading kantelen en/of losslaan van de sjorringen en (gecertificeerde) sjorkettingen breken.

Het hevige slingeren veroorzaakt door deze synchronisatie of deze ‘freak wave’ trad plotseling, onverwacht en onvoorzienbaar op. Beide oorzaken zijn primair te kwalificeren als ‘perils of the sea’ als bedoeld in artikel 4 lid 2 sub c HVR althans artikel 8:383 lid 2 sub c BW.

Subsidiair doet Stena Line op dezelfde gronden een beroep op artikel 4 lid 2 sub d HVR althans artikel 8:383 lid 2 sub d BW.

4.7

Als het optreden van de verandering in de deining of de ‘freak wave’ tijdig merkbaar was voor de wachtdoende stuurman, en als hij daarop niet zijn navigatie aanpaste, dan was dit een navigatiefout. Voor dat geval doet Stena Line een beroep op artikel 4 lid 2 sub a HVR althans artikel 8:383 lid 2 sub a BW.

4.8

Door het incident is de oplegger [kenteken 5] omgevallen en zijn ro-ro eenheden met elkaar in aanraking gekomen. Er moet van worden uitgegaan dat dit omvallen en raken is veroorzaakt door een verkeerde inwendige stuwage. De stuwage was kennelijk onvoldoende bestand tegen de normaal te verwachten omstandigheden tijdens de zeereis, zoals ook blijkt uit het feit dat in het merendeel van de opleggers de lading niet is verschoven terwijl deze opleggers evenmin zijn omgevallen. Nu de stuwage door of vanwege de afzender is geschied, komt aan Stena Line ook een beroep toe op artikel 4 lid 2 sub i HVR c.q. artikel 8:383 lid 2 sub i BW.

Subsidiair doet Stena Line op dezelfde gronden een beroep op artikel 4 lid 2 sub m HVR c.q. artikel 8:383 lid 2 sub m BW.

Meer subsidiair doet Stena Line een beroep op de onvoldoende (zeewaardige) verpakking van de lading. Dat de lading plaatmateriaal intern is gaan schuiven duidt erop dat zij onvoldoende verpakt was. Ook had de lading beter kunnen zijn vervoerd in ‘hardcover’ opleggers, althans opleggers met een steviger zijwaartse structuur.

4.9

Voor zover zou worden aangenomen dat de schade is ontstaan ten gevolge van een gebrek in de stabilisatorvin aan stuurboordzijde, beroept Stena Line zich op artikel 4 lid 2 sub p HVR althans artikel 8:383 lid 2 sub p BW omdat dit gebrek voor haar ondanks redelijke zorg niet kenbaar was.

4.10

Stena Line doet een beroep op artikel 4 lid 2 sub q HVR c.q. artikel 8:383 lid 2 sub q BW omdat de schade is ontstaan zonder dat er sprake is van persoonlijke schuld van Stena Line of van schuld of nalatigheid van haar agenten of ondergeschikten.

Beperking aansprakelijkheid

4.11

Indien en voor zover Stena Line onder de vervoerovereenkomsten aansprakelijk is voor enige schade, dan is haar aansprakelijkheid onder het regime van artikel 4 lid 5 HVR per collo beperkt tot SDR 666,67. Nu geen cognossementen zijn afgegeven waaruit een hogere limiet per collo kan voortvloeien, telt iedere opleggerlading dan wel iedere trekker/opleggercombinatie dan wel iedere oplegger bij het bepalen van de omvang van de beperkte aansprakelijkheid als één collo. ITW c.s. dienen kopie van de relevante kentekenbewijzen over te leggen, zodat voor de vervoermiddelen de beperking per kg kan worden uitgerekend. Het gewicht van de beschadigde lading is blijkens de factuur van 11 februari 2005 21.165 kg.

Vordering ITW

4.12

Oplegger [kenteken 1] van ITW is beschadigd door de gekantelde oplegger [kenteken 5]. Op grond van de artikelen 10.2 (i) en 22.1 CCGS is Stena Line niet aansprakelijk. De expert van Stena Line heeft deze schade sans préjudice bepaald op € 5.000,--.

Vordering [eiseres sub 2]

4.13

Trekker [kenteken 2] van [eiseres sub 2] is beschadigd door de gekantelde oplegger [kenteken 5]. Op grond van de artikelen 10.2 (i) en 22.1 CCGS is Stena Line niet aansprakelijk. De schade wordt betwist.

Vordering [eiseres sub 3]

4.14

De schade van [eiseres sub 3] wordt primair betwist omdat deze niet is vastgesteld bij vertrek vanaf de [motorschip], en nooit is gezien of bezien zijdens Stena Line.

Subsidiair is de schade geheel te wijten aan inadequate stuwage in de oplegger. Op grond van de artikelen 10.2 (c), (d) en (i) en 22.1 CCGS is Stena Line niet aansprakelijk.

Meer subsidiair is € 7.500,-- te hoog, voor de werkzaamheden wordt geschat € 600,--.

Vordering Belga

4.15

De schade aan oplegger [kenteken 5] van Belga is geheel te wijten aan inadequate stuwage in de oplegger. Op grond van de artikelen 10.2 (c), (d) en (i) en 22.1 CCGS is Stena Line niet aansprakelijk. De expert van Stena Line heeft deze schade bepaald op € 4.500,--.

4.16

De gestelde ladingschade omvat ten onrechte gederfde winst.

Vordering [eiseres sub 5]/Systematic

4.17

De schade aan trekker [kenteken 6] is beschadigd door niet (goed) vastgezette zaken in de cabine, zoals een ijskast. Op grond van de artikelen 10.2 (i) en 22.1 CCGS is Stena Line daarvoor niet aansprakelijk.

4.18

De schade aan oplegger [kenteken 7] en de daarin vervoerde lading is geheel te wijten aan inadequate stuwage in de oplegger. Op grond van de artikelen 10.2 (c), (d) en (i) en 22.1 CCGS is Stena Line niet aansprakelijk. De expert van Stena Line heeft deze schade bepaald op € 11.100,49.

4.19

De schade aan trekker [kenteken 8] betreft ten dele oude schade.

4.20

De schade aan oplegger [kenteken 9] is te wijten aan inadequate stuwage in de oplegger en door aanraking met de trekker-/opleggercombinatie [kenteken 8]/ [kenteken 9]. Op grond van de artikelen 10.2 (c), (d) en (i) en 22.1 CCGS is Stena Line niet aansprakelijk. De expert van Stena Line heeft de schade aan oplegger [kenteken 9] bepaald op € 8.470,52.

Expertisekosten

4.21

Stena Line betwist dat expertisekosten tot de gestelde omvang zijn gemaakt, dat deze uitsluitend betrekking hadden op het evenement op 14 februari 2005, en dat deze redelijk waren.

Buitengerechtelijke kosten

4.22

Stena Line betwist dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat meer is verricht dan het ordenen van een zaak en het entameren van een procedure. Stena Line betwist de verschuldigdheid, de redelijkheid en de hoogte van de gestelde buitengerechtelijke kosten.

5 De beoordeling

Passieve legitimatie

5.1

ITW c.s. leggen aan hun vordering ten grondslag dat Stena Line c.s. zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen onder vervoerovereenkomsten. Stena Line c.s. betwist dat Stena Line AB als vervoerder valt aan te merken. Bij gelegenheid van de pleidooien hebben ITW c.s. desgevraagd gezegd dat alleen Stena Line als vervoerder heeft te gelden. Nu ITW c.s. geen andere stellingen hebben ingenomen waarop hun vorderingen jegens Stena Line AB kunnen steunen, zullen deze te zijner tijd worden afgewezen.

Toepasselijk regime

5.2

Ingevolge het bepaalde in artikel 13 lid 2 CCGS moet de aansprakelijkheid van Stena Line als vervoerder worden beoordeeld naar de HVR, met inachtneming van eventuele daarvan afwijkende en door Stena Line ingeroepen contractuele bedingen. Nu geen cognossementen zijn afgegeven, zijn de HVR niet dwingendrechtelijk van toepassing. Partijen stellen eensluidend dat aanvullend het (overige) Nederlandse recht van toepassing is, zodat ook de rechtbank daarvan zal uitgaan.

Actieve legitimatie

5.3

Tussen partijen staat vast dat tijdens het zeevervoer schade is ontstaan aan de door Stena Line vervoerde zaken. Stena Line is daarvoor in beginsel aansprakelijk.

5.4

Het recht om schadevergoeding te vorderen onder een door Nederlands recht beheerste overeenkomst van zeevervoer komt -nu geen cognossementen zijn afgegeven- in beginsel uitsluitend aan de afzender van de betrokken zaken toe (en kan vervolgens krachtens subrogatie of anderszins op een derde overgaan). In dit verband doet niet ter zake wie eigenaar is van de vervoerde zaken, waaronder zowel de trekkers en opleggers als de daarin vervoerde lading dient te worden verstaan. Gesteld noch gebleken is dat toepassing van de CCGS een ander resultaat zou opleveren.

5.5

De rechtbank gaat er -bij gebrek aan stellingen of stukken die op het tegendeel duiden- van uit dat voor iedere trekker/opleggercombinatie of oplegger zonder trekker een afzonderlijke vervoerovereenkomst is gesloten die mede het vervoer van de daarin vervoerde lading omvat. Daaruit volgt dat het vorderingsrecht ter zake van schade aan de lading in een oplegger toekomt aan de afzender van de bewuste oplegger of trekker-/opleggercombinatie.

5.6

Hieruit volgt in verbinding met op de onder 2.2 tot en met 2.6 weergegeven feiten, dat, behoudens voor zover blijkt van een overgang van recht:

- ITW vorderingsgerechtigd is ten aanzien van oplegger [kenteken 1];

- [eiseres sub 2] vorderingsgerechtigd is ten aanzien van trekker [kenteken 2];

- [eiseres sub 3] vorderingsgerechtigd is ten aanzien van trekker-/opleggercombinatie [kenteken 3]/ [kenteken 4];

- Belga vorderingsgerechtigd is ten aanzien van oplegger [kenteken 5] en de daarin vervoerde lading;

- Systematic vorderingsgerechtigd is ten aanzien van trekker-/opleggercombinatie [kenteken 6]/ [kenteken 7] en de daarin vervoerde lading, en trekker-/opleggercombinatie [kenteken 8]/ [kenteken 9]; en

- aan [eiseres sub 5] geen vorderingsrecht toekomt.

5.7

Nu aan [eiseres sub 5] geen vorderingsrecht toekomt, kan haar vordering niet slagen. Hetgeen primair door [eiseres sub 5] is gevorderd, zal hierna als vordering van Systematic worden besproken, zoals subsidiair gevorderd.

Nu in de standpunten van [eiseres sub 5], Systematic en TVM, in onderling verband en samenhang bezien, besloten ligt dat zij eensgezind beogen alle schade in verband met de trekker-/ opleggercombinatie [kenteken 6]/ [kenteken 7] en de daarin vervoerde lading te verhalen, verstaat de rechtbank hun standpunt aldus dat Systematic met instemming van TVM subsidiair ook vergoeding vordert van de schade aan de lading in de oplegger en de expertisekosten, die TVM heeft gedragen als verzekeraar van [eiseres sub 5]. Gelet hierop behoeft de gestelde subrogatie van TVM in vermeende rechten van [eiseres sub 5] geen bespreking.

5.8

ITW c.s. stellen dat TVM is gesubrogeerd in rechten van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3], en dat NN is gesubrogeerd in rechten van Belga.

Tussen partijen is niet in geschil dat TVM de verzekeraar is van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3], en dat NN de verzekeraar is van Belga. Wel betwist Stena Line dat TVM en NN de enige verzekeraars op de relevante polissen zijn, en de gestelde subrogatie.

De rechtbank zal TVM opdragen te bewijzen:

- dat zij als enig verzekeraar onder de relevante polis was gehouden om € 5.445,15 aan [eiseres sub 2] uit te keren, en dit bedrag aan [eiseres sub 2] heeft betaald; en

- dat zij als enig verzekeraar onder de relevante polis was gehouden om € 6.250,-- aan [eiseres sub 3] uit te keren, en dit bedrag aan [eiseres sub 3] heeft betaald.

De rechtbank zal NN opdragen te bewijzen:

- dat zij als enig verzekeraar onder de relevante polis was gehouden om € 4.873,-- aan Belga uit te keren, en dit bedrag aan Belga heeft betaald.

Het beroep op ontheffing van aansprakelijkheid

5.9

Stena Line is in beginsel ontheven van aansprakelijkheid voor de tijdens het zeevervoer ontstane schade indien deze is ontstaan of voortgevloeid uit één van de bijzondere omstandigheden genoemd in artikel 4 lid 2 HVR.

5.10

Het beroep van Stena Line op de in artikel 4 lid 2 sub c HVR opgenomen bijzondere ontheffingsgrond ‘perils of the sea’ faalt.

De stelling van Stena Line dat het schip synchroon heeft geslingerd met de frequentie van de zware deining/golfslag, door een bijzondere combinatie van zeegang, deining en golven, vindt onvoldoende feitelijke steun in de overgelegde stukken. Weliswaar stelt [de kapitein] in zijn schriftelijke verklaring dat hij gelooft dat van synchronisatie sprake is geweest, maar zijn visie wordt niet ondersteund door de bevindingen van de wederzijdse nautische experts. De door Stena Line ingeschakelde expert [bedrijf 5] (hierna: ‘[bedrijf 5]’) concludeert “The cause of the incident was due to a period of heavy rolling attributed to high swells”, en [bedrijf 4] concludeert dat “shifting of part of her cargo (…) was a result of inefficient seafast securing, in combination with a temporary failure of vessel’s stabilizer system”. Gelet op de gemotiveerde betwisting door ITW c.s. diende Stena Line de gestelde synchronisatie nader feitelijk te onderbouwen. Dit heeft zij niet gedaan. Integendeel: bij pleidooi heeft haar raadsman in aanvulling op de pleitnota gezegd dat het schip synchroon kan hebben gevaren met de golven, maar dat hij dit niet waarschijnlijk achtte. Onder deze omstandigheden is de stelling dat sprake was van synchronisatie onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd, zodat het daarop gegronde verweer wordt gepasseerd. De rechtbank komt daardoor niet toe aan de vraag of de gestelde synchronisatie, indien bewezen, als ‘peril of the sea’ zou kwalificeren.

Ook de stelling dat de [motorschip] is getroffen door een uitzonderlijke golf, wat Stena Line noemt een ‘freak wave’, is onvoldoende onderbouwd. Na de gemotiveerde betwisting van ITW c.s. heeft Stena Line wel uitgewerkt dat het schip door zodanige golf kan zijn getroffen, maar niet, zoals op haar weg lag, voldoende met feitelijke stellingen en aan de hand van stukken onderbouwd dat dit daadwerkelijk het geval is geweest. Om die reden wordt ook deze stelling als onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd gepasseerd.

5.11

Het subsidiair gedane beroep op de in artikel 4 lid 2 sub d HVR opgenomen bijzondere ontheffingsgrond ‘act of God’ steunt niet op meer of andere gronden, zodat dit eveneens op een gebrek aan feitelijke onderbouwing afstuit.

5.12

Stena Line doet daarnaast een beroep op artikel 4 lid 2 sub a HVR. Zij stelt dat als de verandering in de deining of de ‘freak wave’ optrad, en merkbaar was voor de wachtdoende stuurman/kapitein, en als deze desondanks niet tijdig zijn/haar navigatie daarop aanpaste, sprake is geweest van een navigatiefout.

Nu uit overweging 5.10 volgt dat bij gebrek aan voldoende onderbouwing niet kan worden aangenomen dat de gestelde verandering in de deining dan wel de ‘freak wave’ zich heeft voorgedaan, kan de rechtbank niet toekomen aan dit (voorwaardelijk geformuleerde) verweer.

Niet gesteld of gebleken is dat -en waarom- anderszins sprake zou zijn geweest van een tekortkoming in de behandeling van het schip.

5.13

Uit al het voorgaande volgt dat in deze procedure onbekend zal blijven wat de oorzaak is geweest van het plotselinge hevige slingeren van de [motorschip]. Bij die stand van zaken blijven onder het regime van de HVR de gevolgen van het slingeren voor rekening van de vervoerder.

5.14

Stena Line doet een beroep op artikel 4 lid 2 sub i, m en n HVR. Deze regeling vertoont overlap met de bij conclusie van antwoord ingeroepen artikelen 10 lid 2 sub c en d en 22 lid 1 CCGS. Nu Stena Line haar verweer later heeft toegespitst op de HVR en niet is teruggekomen op de CCGS, gaat de rechtbank ervan uit dat zij haar beroep op de CCGS niet handhaaft en zich alleen nog op de HVR beroept.

Stena Line stelt, onder verwijzing naar het rapport van [bedrijf 5], dat de lading in de opleggers onvoldoende was verpakt en onjuist was gestuwd, hetgeen ITW c.s. betwisten onder verwijzing naar het rapport van [bedrijf 4].

Over de door ITW en [eiseres sub 2] ten vervoer aangeboden lading uit Stena Line in dit verband geen klachten, zodat haar beroep op genoemde ontheffingsgronden jegens hen daarop strandt.

Stena Line stelt dat de door [eiseres sub 3], Belga en Systematic ten vervoer aangeboden opleggers op inadequate wijze waren gestuwd, maar laat na dit verwijt per oplegger te concretiseren en te onderbouwen. Zij stelt slechts dat door het incident de oplegger [kenteken 5] is omgevallen en dat dit moet zijn veroorzaakt door een verkeerde inwendige stuwage, in die zin dat de stuwage kennelijk onvoldoende bestand was tegen de normaal te verwachten omstandigheden tijdens de zeereis. Indien Stena Line hiermee bedoelt te stellen dat de door het schip gemaakte slagzij van 30-35 graden als normaal te verwachten omstandigheid heeft te gelden, is dat standpunt onjuist. Indien Stena Line bedoelt te stellen dat de onjuist geachte stuwage als rechtens relevante oorzaak van de schade moet prevaleren boven de hevige slingerbewegingen van het schip, is dat standpunt zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, onvoldoende gemotiveerd. Om deze redenen faalt het beroep op artikel 4 lid 2 sub i en m HVR.

Stena Line stelt voorts dat het plaatmateriaal in oplegger [kenteken 7] waarschijnlijk onvoldoende is verpakt. Ten aanzien van de overige door Systematic of de andere eiseressen ten vervoer aangeboden zaken beklaagt Stena Line zich niet over de verpakking. Ook hier lag op de weg van Stena Line om te stellen dat en waarom, in haar visie de verpakking van genoemd plaatmateriaal bestand moest zijn tegen het ondervonden hevige slingeren van het schip, en dat -en waarom- in haar visie de verpakkingswijze als schade-oorzaak boven of naast dit slingeren als schadeoorzaak moet worden aangemerkt. Nu zij dit heeft nagelaten, is het beroep op artikel 4 lid 2 sub n HVR onvoldoende gemotiveerd zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

5.15

Stena Line beroept zich op artikel 4 lid 2 sub p HVR voor zover zou worden aangenomen dat de schade is ontstaan ten gevolge van een gebrek in de stabilisatorvin aan stuurboordzijde. Nu een dergelijk defect niet is komen vast te staan en Stena Line zelf zich op het standpunt stelt dat daarvan geen sprake was, komt de rechtbank aan dit verweer niet toe.

5.16

Aan haar beroep op artikel 4 lid 2 sub q HVR heeft Stena Line ten grondslag gelegd dat zij aan haar verplichtingen van artikel 3 HVR heeft voldaan, en dat desondanks kort gezegd- buiten haar schuld schade is ontstaan aan het schip door slingeren dan wel een ‘freak wave’. Onder 5.10 is reeds overwogen dat het gestelde gesynchroniseerde slingeren waarop Stena Line hier kennelijk doelt- en de gestelde ‘freak wave’ onvoldoende gemotiveerd (gehandhaafd) zijn, zodat deze stellingen evenmin het beroep op artikel 4 lid 2 sub q HVR kunnen dragen. Voor zover Stena Line bedoelt te betogen dat haar een beroep toekomt op artikel 4 lid 2 sub q HVR steeds wanneer zij aan de verplichtingen uit hoofde van artikel 3 HVR heeft voldaan, is dat standpunt onjuist.

Overriding obligations

5.17

Nu het beroep van Stena Line op ontheffing van aansprakelijkheid niet slaagt, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of Stena Line is tekortgeschoten in het betrachten van de door artikel 3 HVR vereiste zorg, zoals ITW c.s. stellen en Stena Line betwist.

Beperking van aansprakelijkheid

5.18

Stena Line beroept zich op artikel 4 lid 5 (a) HVR, ingevolge welk artikel haar aansprakelijkheid voor schade of verlies aan of in verband met de vervoerde zaken is beperkt tot SDR 666,67 per collo, of SDR 2 per kg van het bruto gewicht van de verloren of beschadigde zaken, waarbij het hoogste bedrag telt.

Anders dan partijen kennelijk menen, geldt deze beperking voor het geheel van de lading waarvoor een vervoerovereenkomst is gesloten (vgl. onder 5.5 hierboven). De rechtbank zal dus per vervoermiddel inclusief de daarin vervoerde lading beoordelen of de schade de ingeroepen aansprakelijkheidslimiet van SDR 2 per kg bruto gewicht overtreft.

ITW c.s. hebben bij pleidooi het navolgende bruto gewicht van de betrokken vervoermiddelen opgegeven:

- [kenteken 1] 6.630 kg

- [kenteken 2] 7.060 kg

- [kenteken 4] 9.100 kg

- [kenteken 3] geen gegevens

- [kenteken 5] 8.640 kg

- [kenteken 6] 7.260 kg

- [kenteken 8] 7.393 kg

- [kenteken 7] 7.250 kg

- [kenteken 9] 7.200 kg.

Stena Line, die deze opgave bij pleidooi heeft betwist en onvoldoende gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren, mag dit in het kader de bewijslevering alsnog doen. Aldus zal zij haar beroep op de limiet per kg bij conclusie na getuigenverhoor nader kunnen motiveren of -in voorkomend geval- kunnen laten varen. Vooruitlopend daarop merkt de rechtbank op dat de voor Stena Line opgestelde expertiserapporten gewichtsvermeldingen bevatten die op het eerste oog de door ITW c.s. gedane opgave ondersteunen.

Voor zover daartoe gelet op de standpunten van partijen dan nog aanleiding bestaat, zal de rechtbank per vervoermiddel inclusief lading het beroep op de limiet per kg beoordelen.

Gelet op het bruto gewicht van vervoermiddelen als de onderhavige prevaleert de limiet per kg echter in elk der gevallen boven de limiet per collo, zodat het beroep daarop niet slaagt.

Vordering ITW: oplegger [kenteken 1]

5.19

ITW vordert € 5.000,-- voor de schade aan oplegger [kenteken 1]. Stena Line heeft dit schadebedrag niet betwist, zodat de omvang van deze schade tussen partijen vaststaat.

5.20

ITW vordert € 835,-- voor expertisekosten. Gelet op het gemotiveerd verweer van Stena Line zal de rechtbank aan ITW, op wie de bewijslast terzake rust, opdragen te bewijzen dat zij ter zake van de schade die aan oplegger [kenteken 1] is ontstaan ten gevolge van het evenement op 14 februari 2005 € 835,-- aan expertisekosten heeft gemaakt. Mede gelet op de overgelegde rapportages acht de rechtbank de gestelde hoogte van deze kosten niet onredelijk.

Vordering [eiseres sub 2] en TVM: trekker [kenteken 2]

5.21

[eiseres sub 2] en TVM stellen dat de schade aan trekker [kenteken 2] € 7.945,15 bedraagt. Stena Line betwist de gestelde schade maar onderbouwt haar betwisting niet, zodat deze als onvoldoende gemotiveerd wordt gepasseerd. De rechtbank zal derhalve uitgaan van een schadeomvang groot € 7.945,15.

5.22

TVM vordert € 5.445,15, stellende dat zij door uitkering van dit bedrag als verzekeraar in zoverre in de rechten van [eiseres sub 2] is gesubrogeerd. De rechtbank verwijst naar 5.8.

5.23

[eiseres sub 2] vordert € 2.500,--, stellende dat zij in haar verhouding tot TVM een eigen risico van € 2.500,-- heeft moeten dragen, en € 268,75, stellende dat zij tot dat bedrag expertisekosten heeft gemaakt.

Stena Line betwist deze stellingen.

De rechtbank zal aan [eiseres sub 2], op wie de bewijslast ter zake rust, opdragen te bewijzen dat zij in haar verhouding tot TVM een eigen risico van € 2.500,-- heeft moeten dragen, en dat zij ter zake van de schade die aan trekker [kenteken 2] is ontstaan ten gevolge van het evenement op 14 februari 2005 € 268,75 aan expertisekosten heeft gemaakt. Mede gelet op de overgelegde rapportages acht de rechtbank de gestelde hoogte van deze kosten niet onredelijk.

Vordering [eiseres sub 3] en TVM: trekker-/opleggercombinatie [kenteken 3]/[kenteken 4]

5.24

[eiseres sub 3] vordert € 675,-- voor schade aan trekker [kenteken 3].

Stena Line betwist de gestelde schade aan de trekker, primair op de grond dat deze niet is geconstateerd in Killingholme en nooit is bezien zijdens Stena Line.

De rechtbank zal [eiseres sub 3], op wie de bewijslast ter zake rust, opdragen te bewijzen dat gedurende het vervoer schade is ontstaan aan trekker [kenteken 3] en dat deze schade € 675,-- beloopt.

5.25

[eiseres sub 3] en TVM stellen dat de schade aan oplegger [kenteken 4] door de expert met inachtneming van de dagwaarde op € 7.500,-- is bepaald.

Stena Line stelt dat de schade aan de oplegger is ontstaan door inadequate stuwage, welke stelling onder 5.14 hierboven reeds als onvoldoende geconcretiseerd en gemotiveerd is verworpen.

Meer subsidiair stelt zij dat € 7.500,-- te hoog is. Hoewel een duidelijke toelichting ontbreekt, begrijpt de rechtbank dit verweer in verbinding met van het voor Stena Line opgestelde rapport van [bedrijf 6] aldus, dat Stena Line de door [eiseres sub 3] en TVM gehanteerde waarde van de oplegger voorafgaand aan het schadevoorval, te weten € 13.500,--, betwist, en dat daarover desgevraagd geen nadere inlichtingen zijn verstrekt.

De rechtbank zal [eiseres sub 3] en TVM opdragen te bewijzen dat de waarde van oplegger [kenteken 4] voorafgaand aan het schadevoorval € 13.500,-- bedroeg.

5.26

TVM vordert € 6.250,--, stellende dat zij door uitkering van dit bedrag als verzekeraar in zoverre in de rechten van [eiseres sub 3] is gesubrogeerd. De rechtbank verwijst naar 5.8.

5.27

[eiseres sub 3] vordert € 1.250,--, stellende dat zij in haar verhouding tot TVM een eigen risico van € 1.250,-- heeft moeten dragen. Ook van deze stelling draagt zij, gelet op het verweer van Stena, de bewijslast. De rechtbank zal [eiseres sub 3] bewijs van deze stelling opdragen.

Vordering Belga en NN: oplegger [kenteken 5] met lading

5.28

Belga vordert vergoeding van schade aan oplegger [kenteken 5] en de daarin vervoerde lading.

Beide partijen begroten de schade aan de oplegger op € 4.500,--, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan.

5.29

NN vordert € 4.873,--, stellende dat zij door uitkering van dit bedrag als verzekeraar in zoverre in de rechten van Belga is gesubrogeerd. De rechtbank verwijst naar 5.8.

5.30

Belga vordert het eigen risico van € 227,-- dat zij stelt in haar verhouding tot NN te moeten dragen. Nu Stena Line deze stelling niet betwist, zal ook de rechtbank daarvan uitgaan.

5.31

Van NN wordt verwacht dat zij ter gelegenheid van de bewijslevering tevens toelicht hoe haar bovenbedoelde vorderingen zich verhoudt tot de totale schade aan de oplegger groot € 4.500,--.

5.32

De door Belga opgegeven schadebedragen met betrekking tot de lading in de oplegger heeft Stena Line niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist. Dat de schade ten onrechte ook gederfde winst zouden omvatten, heeft Stena Line niet toegelicht of gekwantificeerd. Dat de schade zou zijn veroorzaakt door inadequate stuwage is onvoldoende gemotiveerd, zoals overwogen onder 5.14 hierboven. Aldus neemt de rechtbank als vaststaand aan dat ter zake van de zendingen glasgaren, stalen platen en CV-onderdelen schade is geleden tot respectievelijk € 57.095,50, € 2.085,-- en € 1.172,51, derhalve in totaal € 60.353,01.

Over de zending verpakkingsmateriaal stelt Belga dat deze onbeschadigd is gebleven, zodat geen sprake is van tijdens het zeevervoer ontstane schade aan de vervoerde zaken. Nu Belga geen andere grondslag aanvoert voor haar vordering tot vergoeding van € 290,-- voor foutvracht en kosten van retourtransport, zal deze als onvoldoende gemotiveerd worden afgewezen. De schade aan de oplegger met lading beloopt in totaal € 64.853,01.

5.33

Belga heeft haar vordering ter zake van de lading in de oplegger beperkt tot € 55.354,--.

5.34

NN vordert € 8.069,70 als kosten van expertise. Gelet op het door Stena Line gevoerde verweer zal de rechtbank NN, op wie de bewijslast rust, opdragen te bewijzen dat zij ter zake van de schade die aan oplegger [kenteken 5] of de daarin vervoerde lading is ontstaan ten gevolge van het evenement op 14 februari 2005 € 8.069,70 aan expertisekosten heeft gemaakt, en dat deze kosten naar hun aard en omvang redelijk waren.

Van NN wordt verwacht dat zij toelicht of, en zo ja, waarom deze kosten betrekking hebben op de in de oplegger vervoerde lading, nu zij kennelijk ter zake van die lading geen uitkering heeft gedaan.

Vordering Systematic (I): trekker-/opleggercombinatie [kenteken 6]/[kenteken 7] met lading

5.35

Systematic vordert vergoeding van schade aan trekker-/opleggercombinatie [kenteken 6]/ oplegger [kenteken 7] en de daarin vervoerde lading.

5.36

Stena Line stelt dat trekker [kenteken 6] is beschadigd door zaken, zoals een ijskast, die niet (goed) waren vastgezet in de cabine. Systematic heeft dit niet weersproken, zodat de rechtbank van de juistheid van deze stelling uitgaat.

Nu Systematic evenmin stellingen heeft ingenomen waaruit kan volgen dat ook bij deugdelijk vastzetten van de bedoelde zaken de schade zou zijn ontstaan, of dat slechts een deel van deze schade door het niet behoorlijk vastzetten van deze zaken is veroorzaakt, gaat de rechtbank ervan uit dat het gehele schadebedrag groot € 1.754,50 aan bovengenoemde schadeoorzaak is toe te rekenen. Dit deel van de vorderingen kan derhalve niet worden toegewezen, zodat evenmin ruimte bestaat voor toewijzing van de in dit verband gevorderde expertisekosten groot € 248,50.

5.37

Systematic vordert € 11.268,98 als vergoeding van de schade aan oplegger [kenteken 7], en € 8.439,13 als vergoeding van de schade aan de daarin vervoerde lading. Dat deze schade geheel aan inadequate interne stuwage is te wijten, zoals Stena Line stelt, is onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank verwijst naar 5.14. Stena Line stelt echter dat haar expert de opleggerschade heeft begroot op € 11.100,49 en de ladingschade op € 7.743,15. Beide partijen leggen een expertiserapport over, maar lichten hun schadeberekening niet nader toe.

Gelet op de omstandigheid dat verregaande overeenstemming over de schadebedragen bestond, lag het op de weg van Systematic om de betwiste schadeomvang nader te onderbouwen, en toe te lichten waarom haar berekening de juiste zou zijn. Nu zij dit niet heeft gedaan, zal de rechtbank uitgaan van de onbetwiste bedragen van € 11.100,49 respectievelijk € 7.743,15 en passeert zij het meer gevorderde als onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd.

5.38

Systematic vordert -ten behoeve van TVM- expertisekosten ter zake van de ladingschade groot € 8.838,73.

Gelet op het door Stena Line gevoerde verweer zal de rechtbank Systematic opdragen te bewijzen dat TVM ter zake van schade die aan de lading in oplegger [kenteken 7] is ontstaan ten gevolge van het evenement op 14 februari 2005 € 8.838,73 aan expertisekosten heeft gemaakt, en dat deze kosten naar hun aard en omvang redelijk waren.

Vordering Systematic (II): trekker-/opleggercombinatie [kenteken 8]/[kenteken 9]

5.39

Systematic vordert € 6.757,65 voor de schade aan trekker [kenteken 8].

Stena Line heeft zonder nadere toelichting gesteld dat deze schade ten dele oude schade betreft. Voor zover zij bedoelde te betogen dat dit deel van de schade om deze reden niet voor haar rekening kan komen, lag het op haar weg om dit duidelijk te stellen en te kwantificeren welk bedrag in haar visie op de vordering in mindering dient te strekken. Nu zij dit heeft nagelaten, passeert de rechtbank dit verweer en gaat zij uit van het bedrag van € 6.757,65.

5.40

Systematic vordert € 8.470,52 voor de schade aan oplegger [kenteken 9].

Het verweer dat de schade aan de oplegger te wijten zou zijn aan inadequate stuwage strandt op de ontoereikende motivering daarvan. De rechtbank verwijst naar 5.14.

Zou deze schade al veroorzaakt door aanraking door (naar de rechtbank begrijpt) een andere combinatie, dan blijft dit voor rekening van Stena Line nu het slingeren van het schip voor haar rekening blijft. De rechtbank verwijst naar 5.13.

Nu Stena Line de schadeomvang niet betwist gaat de rechtbank uit van het schadebedrag van € 8.470,52.

5.41

Systematic vordert vergoeding van expertisekosten groot € 322,50.

Gelet op het door Stena Line gevoerde verweer zal de rechtbank Systematic opdragen te bewijzen dat zij ter zake van de schade die aan de trekker-/opleggercombinatie [kenteken 8]/[kenteken 9] is ontstaan ten gevolge van het evenement op 14 februari 2005 € 322,50 aan expertisekosten heeft gemaakt. Gelet op de geringe omvang van de gestelde kosten ziet de rechtbank geen aanleiding de redelijkheid daarvan te laten bewijzen.

Expertisekosten - overig

5.42

ITW c.s. vorderen vergoeding van de door [bedrijf 4] in rekening gebrachte expertisekosten groot € 3.335,60.

Gelet op het door Stena Line gevoerde verweer zal de rechtbank ITW c.s. opdragen te bewijzen dat zij ter zake van het evenement op 14 februari 2005 € 3.335,60 aan expertisekosten aan [bedrijf 4] hebben betaald. Gelet op aard, omvang en inhoud van de rapportage van [bedrijf 4] acht de rechtbank de gestelde omvang van deze kosten redelijk.

Wettelijke rente

5.43

Over de te zijner tijd toe te wijzen bedragen zal de wettelijke rente als onbetwist worden toegewezen zoals gevorderd.

Buitengerechtelijke kosten

5.44

ITW c.s. vorderen € 2.500,-- voor buitengerechtelijke kosten. ITW c.s. stellen dat deze zien op een poging een minnelijke regeling te bereiken en op de voorbereiding van een kort geding om toegang van surveyors voor ITW c.s. tot de [motorschip] te bewerkstelligen. Niet betwist is dat getracht is om een minnelijke regeling te bereiken en dat zodanig geding is voorbereid. Voor zover Stena Line heeft bedoeld haar betwisting te handhaven dat (in redelijkheid) kosten tot het gevorderde bedrag zijn gemaakt, lag het na de overlegging van onderbouwende facturen door ITW c.s. op haar weg om dit verweer nader te motiveren, hetgeen zij heeft nagelaten, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

5.45

Stena Line stelt echter dat de verrichte werkzaamheden zien op het entameren van een procedure. Voor zover zij bedoelt te betogen dat een vergoeding voor deze werkzaamheden in de (eventuele) geliquideerde proceskosten ligt besloten, miskent zij dat bedoelde werkzaamheden -mede gelet op de tijd verstreken tussen de uit de facturen blijkende werkzaamheden en de dagvaarding in het onderhavige geding- niet op tot de onderhavige procedure zagen, maar mogelijk moesten maken dat onderzoek kon worden verricht dat naar zijn aard strekte tot beperking en vaststelling van schade en tot vaststelling van aansprakelijkheid.

Stena Line stelt nog -maar motiveert of kwantificeert niet- dat de overgelegde facturen tevens zien op het ordenen van een zaak. Voor zover al juist, acht de rechtbank deze omstandigheid verdisconteerd in het verschil tussen het saldo van de facturen groot € 3.179,80 exclusief BTW en het bedrag van € 2.500,-- dat te zijner tijd aan ITW c.s. zal worden toegewezen zoals gevorderd.

5.46

Over de buitengerechtelijke kosten, die pas na 14 februari 2005 zijn gemaakt, zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.

Verdere procedure

5.47

Ieder verder oordeel wordt aangehouden.

6 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

draagt ITW op het bewijs:

a. dat zij ter zake van de schade die aan oplegger [kenteken 1] is ontstaan ten gevolge van het evenement op 14 februari 2005 € 835,-- aan expertisekosten heeft gemaakt;

draagt [eiseres sub 2] op het bewijs:

b. dat zij in haar verhouding tot TVM een eigen risico van € 2.500,-- heeft moeten dragen; en

c. dat zij ter zake van de schade die aan trekker [kenteken 2] is ontstaan ten gevolge van het evenement op 14 februari 2005 € 268,75 aan expertisekosten heeft gemaakt;

draagt [eiseres sub 3] op het bewijs:

d. dat gedurende het vervoer schade is ontstaan aan trekker [kenteken 3] en dat deze schade € 675,-- beloopt;

e. dat de waarde van oplegger [kenteken 4] voorafgaand aan het schadevoorval € 13.500,-- bedroeg;

f. dat zij in haar verhouding tot TVM een eigen risico van € 1.250,-- heeft moeten dragen;

draagt Systematic op het bewijs:

g. dat TVM ter zake van de schade die aan de lading in oplegger [kenteken 7] is ontstaan ten gevolge van het evenement op 14 februari 2005 € 8.838,73 aan expertisekosten heeft gemaakt, en dat deze kosten naar hun aard en omvang redelijk waren;

h. dat zij ter zake van de schade die aan de trekker-/opleggercombinatie [kenteken 8]/ [kenteken 9] is ontstaan ten gevolge van het evenement op 14 februari 2005 € 322,50 aan expertisekosten heeft gemaakt;

draagt TVM op het bewijs:

i. dat zij als enig verzekeraar onder de relevante polis was gehouden om € 5.445,15 aan [eiseres sub 2] uit te keren, en dit bedrag aan [eiseres sub 2] heeft betaald; en

j. dat zij als enig verzekeraar onder de relevante polis was gehouden om € 6.250,-- aan [eiseres sub 3] uit te keren, en dit bedrag aan [eiseres sub 3] heeft betaald;

k. dat de waarde van oplegger [kenteken 4] voorafgaand aan het schadevoorval € 13.500,-- bedroeg;

draagt NN op het bewijs:

l. dat zij als enig verzekeraar onder de relevante polis was gehouden om € 4.873,-- aan Belga uit te keren, en dit bedrag aan Belga heeft betaald;

m. dat zij ter zake van de schade die aan oplegger [kenteken 5] of de daarin vervoerde lading is ontstaan ten gevolge van het evenement op 14 februari 2005 € 8.069,70 aan expertisekosten heeft gemaakt, en dat deze kosten naar hun aard en omvang redelijk waren;

draagt ITW c.s. op het bewijs:

o. dat zij ter zake van het evenement op 14 februari 2005 € 3.335,60 aan expertisekosten aan [bedrijf 4] hebben betaald;

verstaat dat NN de in r.o. 5.31 en 5.34 bedoelde inlichtingen dient te verschaffen;

bepaalt dat indien (één van) eiseressen dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter-commissaris mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan;

bepaalt dat de advocaat van ITW c.s. binnen vier weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in de maanden november 2009 tot en met januari 2010 en dat de advocaat van Stena Line binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd;

beveelt dat indien de partij die getuigen wenst voor te brengen en zich daarbij wenst te beroepen op bescheiden die nog niet in het geding zijn gebracht, bedoelde bescheiden uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechter-commissaris en aan de wederpartij zal toezenden;

houdt ieder verder oordeel aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. van Zelm van Eldik, mr. W.P. Sprenger en

mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan.

Uitgesproken in het openbaar.

1885/10/1928