Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK3056

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-10-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
341098 / KG ZA 09-1092 en 341091 / F2 RK 09-2559
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Gegrondverklaring beroep tegen verlenging huisverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Voorzieningenrechter

Reg.nrs.: 341098 / KG ZA 09-1092 en 341091 / F2 RK 09-2559

Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

in de gedingen tussen

[naam verzoeker], verzoeker, tevens eiser (hierna: verzoeker),

wonende te [adres],

thans verblijvende [verbijfadres],

gemachtigde mr. G. Crawfurd,

en

de burgemeester van de gemeente Vlaardingen, verweerder,

zetelende te Vlaardingen,

in welke zaken belanghebbenden zijn:

[naam echtgenote], echtgenote,

[naam dochter], dochter van partijen, en

[naam eerste zoon] en [naam tweede zoon], zoons van partijen,

allen wonende te [adres].

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 4 oktober 2009 heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd, geldend van 4 oktober 2009 tot 14 oktober 2009.

Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft verweerder het huisverbod verlengd tot 1 november 2009.

Tegen deze besluiten (hierna: de bestreden besluiten) heeft verzoeker bij beroepschrift van 22 oktober 2009 beroep ingesteld, inhoudende het beroep gegrond te verklaren en de bestreden besluiten te vernietigen, met veroordeling van verweerder in de kosten van de procedure en tot vergoeding van de geleden en eventueel nog te lijden schade.

Voorts heeft verzoeker bij brief van 22 oktober 2009 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende voornoemde besluiten van de burgemeester van de gemeente Vlaardingen van 4 en 12 oktober 2009 ex artikel 8:81 Awb te schorsen.

De minderjarige [naam dochter] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2009.

Verzoeker met zijn gemachtigde is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. ten Broek, alsmede drs. B.C. Baljeu.

De belanghebbende [naam echtgenote], echtgenote, is verschenen

Tevens waren aanwezig de heer B.C.E. Rinck, hulpofficier van justitie bij de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond en de heer B.C. Holswilder, zorgcoördinator bij Steunpunt Huiselijk Geweld Nieuwe Waterweg Noord.

2 Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

Op 1 januari 2009 is de wet Regels strekkende tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk huisverbod; Stb. 2008, 421, hierna: Wth) in werking getreden.

Op grond van artikel 2 van deze wet kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

Hieruit volgt dat de burgemeester alleen dan een huisverbod kan opleggen als zich een gevaar of ernstig vermoeden van een gevaar voordoet als hier bedoeld. Als dat het geval is, heeft de burgemeester echter geen verplichting een huisverbod op te leggen. Het gaat om een discretionaire bevoegdheid. Dit heeft gevolgen voor de rechterlijke toetsing van het besluit. Of het gevaar of het ernstig vermoeden daarvan bestaat, toetst de rechter vol. Hij beoordeelt zelf of de relevante feiten en omstandigheden het door de burgemeester aangenomen gevaar of vermoeden van gevaar opleveren. Het gebruik van de discretionaire bevoegdheid toetst de rechter marginaal. Dat betekent dat het al dan niet gebruik maken van die bevoegdheid door de rechter slechts kan worden aangetast, als zou moeten worden geoordeeld dat de burgemeester bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Verzoeker heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd tegen de bestreden besluiten.

De Wth en de uitvoering van deze wet heeft rechtsongelijkheid tot uitvloeisel. De wet heeft als uitgangspunt een preventief karakter. Echter, daar waar in diverse politie regio's uitsluitend het bestuursrechtelijk traject wordt gevolgd en later de strafzaak wordt geseponeerd dan wel in het geheel geen strafvervolging plaatsvindt, wordt in Rotterdam gekozen voor de beleidslijn van de samenloop van de bestuursrechtelijke maatregel en strafrechtelijke vervolging. Zo is ook ten aanzien van verzoeker geschied. Verzoeker acht dit in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Volgens verzoeker berust de beschikking van 4 oktober 2009 niet op een zorgvuldige voorbereiding, noch op een deugdelijke motivering. De besluiten zijn genomen in strijd met het (materiële) rechtszekerheidsbeginsel, waardoor sprake is van schending van artikel 1 van de Grondwet en van artikel 26 IVBR. Niet is gebleken of aangetoond dat verweerder onderzoek heeft verricht naar de ontkenning van het gebeurde door verzoeker. Uitsluitend de echtgenote van verzoeker is gehoord. Zij spreekt geen Nederlands, althans onvoldoende om aan haar verklaring enige betekenis te kunnen toekennen, althans betekenis die kan leiden tot een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verzoeker die de maatregel van het huisverbod inhoudt. Haar verklaringen zijn ook aantoonbaar onjuist gebleken. De vertalingen door de kinderen konden door niemand worden geverifieerd.

Verzoeker ontkent alle aantijgingen, hij is niet agressief, er is geen sprake van structureel huiselijk geweld tegen zijn echtgenote en/of tegen zijn kinderen. Aan de voorwaarden van artikel 2 van de Wth is niet voldaan.

De verlengingsbeschikking van 12 oktober 2009 is uitgesproken op grond van de ontkenning van verzoeker en zijn weigering van hulp daaromtrent. De dreiging zou niet zijn weggenomen. De dreiging is echter niet concreet en kan evenmin zijn afgenomen omdat deze dreiging door de ontkenning van verzoeker en de niet aangetoonde geweldsincidenten, niet bestond. De echtgenote van verzoeker wil scheiden en heeft de kaart van huiselijk geweld 'gespeeld' om appellant buiten de deur te houden.

Tot slot stelt verzoeker dat verweerder heeft gehandeld in strijd met een evenredige belangenafweging. Verweerder heeft niet duidelijk kunnen maken waarom het belang van de achterblijvers zwaarder weegt tegenover de vrijheid en het recht van verzoeker op ongestoord verblijf in de woning, te meer daar hij vanuit zijn thuisbasis de kost verdient voor het hele gezin.

Het verweer van verweerder luidt, samengevat, als volgt.

Verzoeker is niet ontvankelijk in zijn verzoek om voorlopige voorziening voor zover dit het besluit van 4 oktober 2009 betreft. Het verzoek is eerst gedaan nadat de termijn van 10 dagen, waarvoor het huisverbod gold, reeds was verstreken, zodat schorsing van dit besluit zinledig is.

Het besluit van 4 oktober 2009 is rechtmatig genomen. Op 3 oktober 2009 is er een melding van huiselijk geweld door de politie ontvangen. De melding is gedaan door de 13-jarige dochter van partijen. De kinderen van partijen hebben vervolgens ter plaatse van het incident verklaard dat hun moeder door hun vader in de douche is geslagen met een riem en zij daarvan aangifte wil doen. Voor het opleggen van het huisverbod is gebruik gemaakt van het Risicoinventarisatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RIHG). Door drie personen is onafhankelijk van elkaar een risico-inventarisatieformulier ingevuld en door alle drie personen is geadviseerd aan verzoeker een huisverbod op te leggen. Er is door de ter plaatse van het incident aangetreden politie geconstateerd dat de echtgenote van verzoeker striemen op haar rug had. Het gezin van verzoeker staat al langer bekend als 'probleemgezin' zowel bij de gemeente als bij de politie.

Aan het verlengingsbesluit van 12 oktober 2009 ligt zowel een zorgadvies als een beleidsadvies ten grondslag. Uit beide adviezen blijkt dat de dreiging van huiselijk geweld nog steeds aanwezig is. De maatregel is proportioneel in verhouding tot het doel dat met de maatregel wordt gediend. Het gaat immers niet alleen om het belang van verzoeker, maar met name ook om de veiligheid, gezondheid en lichamelijke integriteit van alle andere betrokkenen.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Verzoeker heeft zijn stelling dat de Wth leidt tot rechtsongelijkheid niet onderbouwd. Hij heeft slechts verwezen naar 'diverse politie regio's', zonder nadere concretisering van die regio's of van specifieke zaken die zich in één of meer bepaalde regio heeft voorgedaan en die gelijk zouden zijn aan die van verzoeker, maar waarin een andersluidende beslissing ten aanzien van strafrechtelijke vervolging zou zijn genomen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan reeds hierom niet slagen.

Aan het besluit van verweerder van 4 oktober 2009 tot het opleggen van het huisverbod liggen, zoals in het besluit is vermeld, feiten en omstandigheden ten grondslag zoals die zijn genoemd in het door verweerder gehanteerde risico-taxatie instrument. In dit instrument worden de relevante aspecten zoals die zijn voorgeschreven in (de bijlage bij) het Besluit tijdelijk huisverbod genoemd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het besluit daarmee voldoende deugdelijk is gemotiveerd.

Ook is het besluit van 4 oktober 2009 naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende zorgvuldig voorbereid. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 14 oktober 2009, alsmede uit de RIHG, komt naar voren dat de minderjarige kinderen van verzoeker en zijn echtgenote bij het incident aanwezig waren, er striemen op de rug van de echtgenote van verzoeker zichtbaar waren, zij zeer overstuur was en de kinderen hebben verklaard dat hun moeder door hun vader was geslagen met een riem. Gelet op deze feiten tezamen kon verweerder het noodzakelijk achten een huisverbod op te leggen teneinde de dreiging van geweld weg te nemen. Dat de kinderen voor de moeder hebben vertaald en die vertaling niet kon worden geverifieerd maakt dat niet anders. Immers, verweerder heeft zijn beslissing niet enkel op de verklaring van de kinderen gebaseerd maar mede op de ondersteuning van die verklaring zoals het letsel dat is geconstateerd bij de echtgenote van verzoeker.

Anders dan de raadsman van verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder aan de blote ontkenning van het gebeurde door verzoeker bezien tegen de daartegenover staande feiten, niet zodanig gewicht had behoren toe te kennen dat verweerder tot de conclusie had moeten komen dat daarmee de dreiging van geweld voldoende was weggenomen.

Gelet op de voormelde feiten en omstandigheden, kan evenmin worden geoordeeld dat het opgelegde huisverbod disproportioneel is. De echtgenote van verzoeker verkeert in een kwetsbare positie: zij heeft geen arbeid, geen eigen inkomen en zij is belast met de zorg over twee minderjarige kinderen van partijen, alsmede over de achttienjarige zoon van partijen, [naam eerste zoon]. Ter zitting heeft verzoeker bevestigd dat [naam eerste zoon], zoals in de stukken is aangegeven, te kampen heeft met autisme en hij slecht tegen veranderingen in zijn omgeving kan. Verweerder heeft dan ook terecht het belang van de echtgenote van verzoeker en dat van de minderjarige kinderen zwaarder laten wegen dan het belang van verzoeker op ongestoord verblijf in de woning.

Ten aanzien van het besluit van 12 oktober 2009 tot verlenging van het huisverbod overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Met verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat een huisverbod een zeer ingrijpende maatregel is. Doel van het opleggen van een huisverbod is de veiligheid van de achterblijvers te waarborgen en een periode te creëren waarin maatregelen kunnen worden genomen om de dreiging van geweld weg te nemen.

Verweerder heeft het verlengingsbesluit gebaseerd op onder meer een zorgadvies, een beleidsadvies en op de mutaties uit het politieregister. Voorts heeft verweerder gewezen op het RIHG waaruit volgens verweerder kan worden opgemaakt dat verzoeker vermoedelijk fors alcohol had gedronken ten tijde van het incident.

De voorzieningenrechter heeft uit de stukken geconstateerd dat uit het zorgadvies gedateerd 8 oktober 2009 onder meer blijkt dat de echtgenote van verzoeker heeft verklaard dat zij en de kinderen stelselmatig worden mishandeld door verzoeker en al over langere periode, al voor hun vlucht naar Nederland. Echter, ook uit genoemd zorgadvies blijkt dat de echtgenote van verzoeker later terugneemt dat de kinderen mishandeld worden door verzoeker. Uit genoemd zorgadvies blijkt voorts dat in het tweede gesprek met de echtgenote van verzoeker op 8 oktober 2009 zij heeft verklaard dat het wel meeviel thuis en met de agressie van haar man, "zij het allemaal wat overdreven". Ook geeft zij aan de dreiging niet zo zwaar te vinden dat zij opvang elders in het land zou willen, terwijl zijdens de hulpverlening herhaaldelijk aan haar is uitgelegd dat aan haar wens van opvang in de directe omgeving niet of moeilijk voldaan zal kunnen worden.

Onder punt 7, conclusies en motivering aangaande intrekken/verlengen huisverbod, van bedoeld advies is onder meer vermeld dat onduidelijk is wat nu precies de werkelijke ernst van de thuissituatie is omdat de echtgenote van verzoeker hier verschillende verhalen over vertelt.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter rustte op verweerder, gelet op het vorenstaande en op het feit dat het hier gaat om een voor verzoeker zeer ingrijpende maatregel, de plicht om een nader onderzoek in te stellen teneinde tot een goed afgewogen oordeel te kunnen komen of verlenging van het huisverbod noodzakelijk was.

Van een zodanig onderzoek is niet, althans onvoldoende gebleken.

Dat een nader onderzoek naar de verklaringen van de echtgenote van verzoeker geboden was, wordt nog eens bevestigd door het feit dat de echtgenote van verzoeker ter zitting heeft verklaard dat verzoeker haar heeft geslagen met elektriciteitsdraad en zij in die verklaring heeft volhard ook nadat haar was voorgehouden dat uit de stukken uit het dossier blijkt dat zij heeft verklaard door verzoeker te zijn geslagen met een (broek)riem.

Verweerder heeft gesteld dat betrokkene niet wil meewerken aan hulpverlening betreffende zijn agressieregulatie en betreffende zijn alcoholprobleem.

Nu de echtgenote van verzoeker wisselende verklaringen heeft afgelegd omtrent het door haar gestelde agressief gedrag van verzoeker, heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter er niet zondermeer van uit kunnen gaan dat bij verzoeker sprake is van agressie tegen zijn huisgenoten en dat noodzakelijk is dat verzoeker daarvoor een agressieregulatietherapie zal volgen. Ook de politiemutaties acht de rechtbank daartoe onvoldoende basis. Uit het dossier blijkt dat de mutaties vooral betrekking hebben op problemen die de zoon van partijen heeft veroorzaakt en er om die reden sprake lijkt te zijn van de aanduiding 'probleemgezin'.

Verder zijn er enkele mutaties waarbij bedoelde zoon de echtgenote van verzoeker of verzoeker heeft mishandeld en verzoeker dus slachtoffer was in plaats van dader van mishandeling. Uit de mutaties blijkt slechts van één melding van september 2005 waaruit kan worden opgemaakt dat verzoeker zijn vrouw heeft bedreigd en van één melding in augustus 2006 waarbij verzoeker kennelijk heeft gevochten met een buurtgenoot. Nu deze twee mutaties incidenten betreffen van een aantal jaren geleden en er zich nadien kennelijk geen problemen meer hebben voorgedaan die hebben geleid tot politiemutaties waarbij verzoeker als dader is vermeld, heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op grond van die mutaties in samenhang bezien met de wisselende verklaringen van de echtgenote van verzoeker, in redelijkheid niet zonder nader onderzoek op het standpunt kunnen stellen dat de dreiging van ernstig en onmiddellijk gevaar door de aanwezigheid van verzoeker in de woning nog steeds bestond.

Dat geldt evenzeer ten aanzien van het door verweerder gestelde fors alcoholgebruik en de door verweerder gestelde alcoholverslaving van verzoeker. Dat sprake zou zijn van fors alcoholgebruik blijkt niet uit de stukken, laat staan dat verzoeker verslaafd zou zijn aan alcohol. Ter zitting heeft verweerder hierover opgemerkt dat uit het RIHG blijkt dat verzoeker ten tijde van het incident - vermoedelijk - fors had gedronken, hij tegenover de politie heeft verklaard van 20.00 uur tot 21.00 uur een paar biertjes te hebben gedronken in het park en hij tegenover de ambtenaar huisverbod weliswaar heeft ontkend een zwaar drinker van alcohol te zijn, maar hij wel heeft aangegeven in de weekeinden een paar biertjes te drinken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen deze feiten verweerders conclusie dat verzoeker een therapie voor zijn alcoholprobleem moet volgen onvoldoende dragen. Niet is gebleken dat verweerder enig nader onderzoek heeft gedaan naar het vermeende alcoholmisbruik van verzoeker.

Gelet op het vorenoverwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit van 12 oktober 2009 niet voldoet aan de vereisten van een zorgvuldige voorbereiding en dat besluit een draagkrachtige motivering ontbeert. De voorzieningenrechter zal dan ook onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Nu in de hoofdzaak wordt beslist ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening zodat dit verzoek zal worden afgewezen.

Verzoeker heeft de door hem gevorderde schade voortvloeiend uit de door hem bestreden besluiten op geen enkele wijze onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt, zodat zijn verzoek op dit punt, daargelaten de vraag of aan het causaliteitsvereiste is voldaan, reeds hierom dient te worden afgewezen.

De voorzieningenrechter ziet ten slotte aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek en het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De voorzieningenrechter bepaalt de proceskosten op € 966,= aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3 Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

- verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen het besluit van 4 oktober 2009 ongegrond;

- verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen het besluit van 12 oktober 2009 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 12 oktober 2009;

- wijst af het verzoek om voorlopige voorziening;

- wijst af het verzoek tot veroordeling van verweerder tot vergoeding van door verzoeker geleden schade;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 966,= en wijst de gemeente Vlaardingen aan als de rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker moet vergoeden;

- bepaalt dat, indien aan verzoeker de gevraagde toevoeging wordt verleend, deze bedragen rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 19 23 25 892 ten name van MvJ Rotterdam) worden betaald.

Aldus gedaan door mr. Van den Broek-Prins, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter en door deze en De Kok, griffier, ondertekend.

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2009.