Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK2048

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
AWB 08/3768 WW44-T1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfsverzamelgebouw.

Op grond van het imperatief en limitatief geformuleerde artikel 44 van de Woningwet moet een bouwvergunning worden verleend als geen van de daarin genoemde weigeringsgronden zich voordoet.

Dat eiser meent een aanspraak te hebben op een deel van de grond waarop het bouwplan betrekking heeft doet er niet aan af dat dit deel feitelijk en juridisch niet zijn eigendom is. Hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd over de strijdigheid met het bestemmingsplan als uitgegaan zou worden van een andere eigendomssituatie en derhalve van een andere ligging van de erfgrens, behoeft daarom geen bespreking.

Anders dan eiser stelt biedt artikel 44 van de Woningwet geen ruimte voor een belangenafweging bij het verlenen van een bouwvergunning. Andere dan de in die bepaling vermelde aspecten mag verweerder niet bij zijn beoordeling betrekken. Verweerder heeft terecht de door eiser gestelde privaatrechtelijke belangen buiten beschouwing gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/3768 WW44-T1

Uitspraak in het geding tussen

[naam], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. E.B. van den Ouden, advocaat te Oude Tonge,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelharnis, verweerder.

Aan het geding hebben mede als partij deelgenomen

H.I.S.S. Exploitatie B.V., te Hellevoetsluis, vergunninghoudster, en

J. Koese Financiën B.V., te Middelharnis, derdebelanghebbende,

gemachtigde mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 4 augustus 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het verlenen van een bouwvergunning bij besluit van 18 maart 2008 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2009. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. den Braber. Vergunninghoudster en derdebelanghebbende hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, bijgestaan door respectievelijk [naam] en [naam].

2 Overwegingen

Verweerder heeft aan vergunninghoudster een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfsverzamelgebouw op het perceel Simon Stevinweg 11 te Middelharnis. Eiser, die een bedrijf exploiteert op het naastgelegen perceel, heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In beroep heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de bouwvergunning niet verleend had mogen worden. Hij heeft daartoe, evenals hij in bezwaar heeft gedaan, aangevoerd dat hij in 2004/2005 met de gemeente Middelharnis een overeenkomst had gesloten over het gebruik van een perceel grond aan de Simon Stevinweg 11A als inrit ten behoeve van zijn bedrijf, onder het beding dat hij een daarnaast gelegen strook grond met een breedte van 2 meter zou kopen. Die voorwaarde zou zijn gesteld omdat er, uit oogpunt van verkeersveiligheid en brandveiligheid, voldoende open ruimte tussen de bestaande bebouwing van eiser en eventueel op het naastgelegen terrein op te richten bebouwing moest zijn. Volgens eiser heeft hij die strook grond indertijd gekocht maar is die nooit aan hem geleverd. Volgens eiser dient de eis van een open strook van 2 meter ook voor de huidige eigenaren van de desbetreffende grond te gelden, hetgeen betekent dat daarop niet mag worden gebouwd en de bouwvergunning moest worden geweigerd. Eiser stelt dat verweerder door zonder meer de bouwvergunning te verlenen heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel en het verbod van willekeur en daardoor afdoet aan zijn geloofwaardigheid. Eiser is van mening dat bij een gebonden beschikking onder omstandigheden ruimte bestaat om privaatrechtelijke aspecten bij de besluitvorming te betrekken. In dit verband stelt eiser dat vergunninghoudster niet te goeder trouw heeft gehandeld bij de eigendomsverkrijging van het perceel waarop de bouwvergunning betrekking heeft omdat zij van zijn aanspraken op de hoogte was. Verder heeft eiser aangevoerd dat verweerder rekening had moeten houden met de omstandigheid dat de door eiser aan te kopen strook grond nog niet geleverd is en ervan had moeten uitgaan dat het bouwwerk op of over de erfgrens van het hem toekomende terrein wordt opgericht, waardoor het bouwplan in strijd is met artikel 4, lid A, onder 2b, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Oostplaat”.

De rechtbank overweegt het volgende.

In artikel 44 van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang en voor zover hier van belang, is bepaald dat een reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij het Bouwbesluit;

b. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening;

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand;

(…).

Op grond van dit imperatief en limitatief geformuleerde artikel moet een bouwvergunning worden verleend als geen van de daarin genoemde weigeringsgronden zich voordoet. Bij de beoordeling van de bouwvergunningaanvraag moet verweerder uitgaan van de feitelijke situatie.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de strook grond waarop eiser in zijn beroepschrift doelt niet zijn eigendom is maar in eigendom toebehoort aan vergunninghoudster en derdebelanghebbende, ieder voor de onverdeelde helft. Dat eiser meent een aanspraak op deze strook grond te hebben doet er niet aan af dat deze feitelijk en juridisch niet zijn eigendom is. Over de erfgrens waarvan verweerder bij de beoordeling van de bouwvergunningaanvraag is uitgegaan bestaat geen onduidelijkheid. Hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd over de strijdigheid met het bestemmingsplan als uitgegaan zou worden van een andere eigendomssituatie en derhalve van een andere ligging van de erfgrens, behoeft daarom geen bespreking.

Eiser heeft zijn stelling dat het bouwplan niet voldoet aan de eisen van brandveiligheid niet gemotiveerd. De afdeling preventie van de brandweer heeft het bouwplan getoetst aan de desbetreffende eisen en akkoord bevonden. Verweerder mocht hierop afgaan en heeft de te treffen voorzieningen opgenomen als voorwaarden bij de bouwvergunning. Eiser heeft overigens geen ruimtelijk relevante gronden aangevoerd tegen het bouwplan. Anders dan eiser stelt biedt artikel 44 van de Woningwet geen ruimte voor een belangenafweging bij het verlenen van een bouwvergunning. Andere dan de in die bepaling vermelde aspecten mag verweerder niet bij zijn beoordeling betrekken. Verweerder heeft terecht de door eiser gestelde privaatrechtelijke belangen – bestaande uit het niet nakomen van de verplichting tot levering van de desbetreffende strook grond aan hem – en hetgeen hij heeft aangevoerd over de ingebruikgevingsovereenkomst buiten beschouwing gelaten. De rechtbank merkt in dat verband nog wel op dat zowel verweerder als vergunninghoudster en derdebelanghebbende hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen handhaving van de bestaande inrit van eiser in de huidige eigendomssituatie, ook niet na voltooiing van het vergunde bouwplan.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. R.H.L. Dallinga, voorzitter, en mr. A.I. van Strien en mr. A.C. Hendriks, leden, in tegenwoordigheid van M.B. van Zantvoort, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op .

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: