Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK1892

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
03-11-2009
Zaaknummer
10/660042-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Rotterdam: PROMIS

Op Nieuwjaarsochtend werden op NS station Rotterdam-Alexander van een groep feestgangers twee jongens door een trein aangereden, waardoor één op slag werd gedood en de ander zwaar werd verwond. Drie jongens werden verdacht van openlijk geweld met strafverzwarende omstandigheid, van zware mishandeling en van dood door schuld. Hen werd verweten dat zij de slachtoffers (en andere jongens van de groep) hadden geduwd, getrokken, geslagen, gestompt en getrapt, alsmede vastgehouden zodat de twee slachtoffers niet tijdig konden wegkomen voor de aanstormende trein. De rechtbank achtte slechts het openlijk geweld plegen en ten opzichte van één verdachte tevens de mishandeling, bewezen. Met name achtte de rechtbank niet bewezen dat de schermutselingen hadden voortgeduurd tot kort voor de nadering van de trein. Voorst deelde de rechtbank niet het standpunt van de Ovj dat de dood aan de verdachten kon worden toegerekend omdat de door hen gepleegde handelingen een voorzienbaar ernstig risico opleverden, welk risico zich heeft verwezenlijkt en zij bewust deze onaanvaardbare risico's hebben genomen waardoor zij roekeloos hebben gehandeld. De rechtbank overwoog dat er voor de slachtoffers geen directe noodzaak was de spoorbaan op te gaan en dat zij door dit toch te doen, evenals de verdachten, een onaanvaardbaar groot risico namen, welk risico in gelijke mate voor de slachtoffers en voor de verdachten voorzienbaar was. Hoewel de verdachten door de confrontatie te zoeken een keten van gebeurtenissen in gang hebben gezet, bestond er tussen het door hen gepleegde geweld en de uiteindelijke fatale aanrijding niet een dusdanig verband dat hen de dood, hoe gruwelijk ook, in strafrechtelijke zin kan worden verweten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 141
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/660042-09

Datum uitspraak: 3 november 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [penitentiaire inrichting],

raadsvrouw mr. I. Weski, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek heeft plaatsgevonden op de terechtzittingen van 13 oktober 2009 en 20 oktober 2009.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 13 oktober 2009 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Verdachte wordt verweten dat hij zich op 1 januari 2009 schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6].(1) Ook wordt hem het medeplegen van de mishandeling van genoemde personen verweten. (2) Tot slot wordt hem verweten samen met anderen schuld te hebben aan de dood van [slachtoffer 5].(3)

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. De Jong heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, zodat uitvoer kan worden gegeven aan het plan van aanpak;

- toewijzing van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1]

tot een bedrag van €7095,48 (materiële kosten) en niet-ontvankelijk verklaring van de vordering voor het overige;

- toewijzing van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 6] tot een bedrag van

€ 10267,13 (fotorapportage, kosten rechtsbijstand) en afwijzing van het overige deel van de vordering;

- niet-ontvankelijkheid van benadeelde partij [benadeelde partij 2;

-oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van de toegewezen vorderingen.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Namens de verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging, nu de verdachte wordt vervolgd in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Immers, het onderzoek heeft zich, zonder dat daarvoor bijzondere aanknopingspunten zijn, toegespitst op verdachte en het verkrijgen van belastend materiaal jegens hem. Verdachte is hierdoor onherstelbaar in zijn verdediging geschaad, zodat een beroep op het opportuniteitsbeginsel geen kans van slagen heeft. Bovendien is gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid omdat een drietal niet Nederlands sprekende getuigen zonder tolk zijn gehoord.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel houdt in dat het openbaar ministerie, op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid, met betrekking tot het al dan niet strafrechtelijk vervolgen van verdachten de in het geding zijnde belangen kan afwegen. Deze belangenafweging kan door de rechter slechts marginaal worden getoetst. Slechts indien het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot vervolging had kunnen besluiten, of wanneer anderszins sprake is van schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde, kan het recht tot strafvervolging vervallen worden verklaard.

Gelet op de aard van de toetsing kan de rechtbank slechts beoordelen of het openbaar ministerie in redelijkheid tot de vervolging van verdachte heeft kunnen overgaan. Gelet op de door verdachte zelf afgelegde verklaringen en hetgeen uit de verklaringen van andere betrokkenen naar voren komt, is de rechtbank van oordeel dat deze vraag bevestigend beantwoord dient te worden. Van enige schending van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake nu uit het dossier naast verdachte en zijn medeverdachten, geen andere personen naar voren komen die bij de gebeurtenissen als verdachte betrokken zouden kunnen zijn en voldoende individualiseerbaar zijn. Evenmin is er, gezien de inhoud van het dossier, reden om te concluderen dat er slechts belastend materiaal jegens verdachte in het dossier is gevoegd, zodat ook om die reden geen sprake is van een schending van het verdedigingsbelang van verdachte. Het enkele feit dat een drietal niet Nederlands sprekende getuigen niet met een tolk zijn gehoord doet aan deze conclusie niet af. Wel zal met deze omstandigheid rekening worden gehouden bij de waardering van de desbetreffende verklaringen, voor zover deze voor het bewijs worden gebezigd. Nu overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de officier van justitie niet-ontvankelijkheid is in de vervolging, wordt dit verweer verworpen.

VRIJSPRAAK

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en het tevens ten laste gelegde medeplegen van mishandeling. Verdachte en zijn mededaders hebben de slachtoffers geslagen, onder andere met een steen. Daarnaast zijn er slachtoffers op het spoor vastgehouden en is er geduwd en getrokken. Verdachte kan de dood van [slachtoffer 5] worden toegerekend omdat de door hem en zijn medeverdachten gepleegde handelingen in hoge mate aan hen verwijtbaar zijn en een voorzienbaar ernstig risico opleverden, welk risico zich bovendien heeft verwezenlijkt. Het ingetreden gevolg dient volgens de officier van justitie dan ook in strafrechtelijke zin aan verdachten te worden toegerekend. De gedragingen van de slachtoffers maken dat niet anders. Doordat verdachte en zijn mededaders de slachtoffers hebben belemmerd op het perron te klimmen is het risico op een fatale aanrijding ontstaan. Verdachte en zijn mededaders hebben bewust onaanvaardbare risico’s genomen, waardoor zij roekeloos hebben gehandeld.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit betoogd dat verdachte van de dood door schuld moet worden vrijgesproken, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachten anderen die zich op de rails bevonden hebben belemmerd die rails te verlaten.

Overwegingen van de rechtbank

Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat verdachte de groep waartoe [slachtoffer 5] behoorde, heeft belemmerd tijdig het spoor te verlaten, waardoor [slachtoffer 5] werd aangereden door een passerende trein en daarbij is omgekomen.

De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de schermutselingen op het spoor voort duurden totdat de trein naderde. Geen van de getuigen heeft gezien dat [slachtoffer 5] op het spoor is belaagd, dan wel dat hij zelf actief aan de vechtpartij op het spoor heeft meegedaan. Bovendien hebben diverse getuigen verklaard dat [slachtoffer 5] alleen stond kort voordat de trein naderde, terwijl hieruit volgt dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachten hebben verhinderd dat [slachtoffer 5] de spoorbaan (tijdig) kon verlaten. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat [slachtoffer 4], [getuige 2], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] de spoorbaan hebben betreden, terwijl [slachtoffer 3] en [getuige 1] niet meer werden belaagd. Er was op dat moment geen directe noodzaak voor de groep van de slachtoffers om de spoorbaan op te gaan. Door dit toch te doen hebben zij, evenals verdachte en zijn medeverdachten, een onaanvaardbaar groot risico genomen. Dit risico was voor zowel de groep van de slachtoffers als de groep van de verdachten in gelijke mate voorzienbaar. Er is dan ook in het onderhavige geval, anders dan in de door de officier van justitie aangehaalde jurisprudentie, geen sprake van een situatie waarin enkel door verdachten een onaanvaardbaar groot en voorzienbaar risico is genomen. Hoewel verdachte en zijn medeverdachten door op perron 1 de confrontatie te zoeken een keten van gebeurtenissen in gang hebben gezet die uiteindelijk heeft geleid tot de dood van [slachtoffer 5], bestaat er tussen het door hen gepleegde geweld en de uiteindelijke fatale aanrijding niet een dusdanig verband dat hen de dood van [slachtoffer 5], hoe gruwelijk ook, in strafrechtelijke zin kan worden verweten. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 3 ten laste is gelegd.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

De hierna opgenomen feiten en omstandigheden zijn redengevend voor het bewijs van dit feit. De bewijsmiddelen waaruit die feiten en omstandigheden blijken staan vermeld in de voetnoten. Voor zover nodig is door middel van een nadere bewijsmotivering aangegeven waarom die feiten en omstandigheden tot het bewijs bijdragen.

Op 1 januari 2009 bevond dader 1 zich op perron 1 van treinstation Rotterdam Alexander te Rotterdam. Bij de trap van dit perron heeft dader 1 op enig moment [slachtoffer 1] vastgepakt. Er ontstond duw- en trekwerk. Vervolgens heeft dader 1 slaande bewegingen in de richting van [slachtoffer 1] gemaakt. Dader 2 en 3 zijn vanaf perron 2 de spoorbaan opgesprongen en vervolgens aan de overzijde perron 1 opgeklommen. Vervolgens zijn dader 1, 2 en 3 naar een groepje gelopen waarvan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] deel uitmaakten. Zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 3] zijn vervolgens geslagen.

[slachtoffer 3] is daarop samen met [getuige 1] van perron 1 de spoorbaan opgesprongen om aan de daders te ontkomen. [slachtoffer 4] die gezien had dat [slachtoffer 3] werd geslagen, is daarop van perron 2 de spoorbaan opgesprongen, gevolgd door [getuige 2], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5]. Ook [getuige 3] is op de spoorbaan gesprongen. [slachtoffer 3] en [getuige 1] zijn naar perron 2 gegaan. [slachtoffer 4] is tegen zijn mond en met een steen op zijn neus geslagen, waardoor hij pijn en letsel had. Vervolgens zijn de daders vanaf perron 1 de spoorbaan opgesprongen. Twee daders zijn toen tegenover [slachtoffer 4] , [getuige 2], [slachtoffer 6], [getuige 3] en [slachtoffer 5] komen te staan. Tussen de daders en de andere personen is op dat moment duw- en trekwerk ontstaan, waarbij [slachtoffer 6] werd vastgepakt.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en medeplegen van mishandeling.

Namens de verdachte wordt dit betwist.

Allereerst dient volgens de raadsvrouw al het materiaal in het dossier van het bewijs te worden uitgesloten om redenen zoals aangevoerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank verwerpt dit verweer op dezelfde gronden als hiervoor weergegeven in haar overweging met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid.

Voorts is door de raadsvrouw betoogd dat de verklaring die verdachte heeft afgelegd op 1 januari 2009 kan niet voor het bewijs worden gebruikt omdat verdachte voorafgaand aan dat verhoor geen toegang heeft gehad tot rechtsbijstand. Dit is in strijd met jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 november 2008 in de zaak Salduz versus Turkije. Ook verdachtes verklaring van 14 april 2009 kan niet voor het bewijs worden gebruikt aangezien in dit geval sprake is van een categorie A-zaak als bedoeld in beleidsregels van het Openbaar Ministerie. Voor dit soort zaken geldt dat de verdachte geen afstand kan doen van het recht om een advocaat in persoon te raadplegen. Vorenstaande moet leiden tot vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte van 14 april 2009 wel voor het bewijs gebezigd kan worden, omdat hij daarbij in de gelegenheid is gesteld een advocaat te raadplegen. Dat verdachte daarvan heeft afgezien staat aan deze conclusie niet in de weg. De jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stelt immers niet als regel dat in een zaak als de onderhavige van dit recht geen afstand kan worden gedaan. Een mogelijk stringenter beleid op dit punt door het openbaar ministerie, ligt niet ter toetsing aan de rechtbank voor.

Verdachte heeft tijdens het tweede politieverhoor op 14 april 2009, de verklaring die hij op 1 januari 2009 had afgelegd bevestigd. Nu verdachte niet op zijn verklaring van 1 januari 2009 is teruggekomen, ook niet nadat hij een advocaat heeft kunnen consulteren, kan ook deze verklaring voor het bewijs worden gebezigd.

Voor zover door de raadsvrouw is betoogd dat er te weinig behoedzaamheid is betracht bij de uitvoering van de fotoconfrontaties en derhalve de herkenningen uit de fotomap van het bewijs moeten worden uitgesloten, overweegt de rechtbank dat bedoelde herkenningen niet voor het bewijs worden gebezigd. Het verweer behoeft om die reden geen verdere bespreking.

Hetgeen overigens door de raadsvrouw is betoogd heeft betrekking op de waardering van het bewijs. Daarop zal behoudens met de weergave van de gebezigde bewijsmiddelen en de nadere overwegingen daarbij niet afzonderlijk worden ingegaan.

Nadere overwegingen

Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt naar voren dat een van de personen die op perron 1 geslagen heeft een Turkse persoon is met opgeschoren haar en een moedervlek in het gezicht. In zijn verklaring van 14 april 2009 heeft de verdachte zichzelf beschreven. De rechtbank stelt vast dat die beschrijving met bovenstaande overeenkomt, hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte niet is betwist. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat verdachte bij de geweldshandelingen betrokken is geweest.

De rol die verdachte heeft gespeeld, blijkt uit de volgende verklaringen. [slachtoffer 6], heeft verklaard dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] door dezelfde persoon zijn geslagen. Hij omschrijft deze persoon als een bleke jongen met kort haar. Verdachte heeft verklaard dat hij zag dat een jongen op het andere perron een woordenwisseling had. Hij is daarna de spoorbaan opgesprongen en het andere perron opgeklommen. Hij voelde op enig moment dat hij door iemand bij zijn been werd vastgepakt en heeft diegene een klap gegeven. Hierna is hij met anderen de spoorbaan opgesprongen.

Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij daarvoor ook geslagen heeft. Op grond van deze verklaringen concludeert de rechtbank dat verdachte [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft geslagen. Uit de verklaring van verdachte blijkt bovendien dat hij dit bewust en dus met opzet heeft gedaan. Niet kan worden vastgesteld dat ten aanzien van de mishandeling sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van mishandeling.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op of omstreeks 01 januari 2009 te Rotterdam, op of aan een openbare weg en/of op een voor publiek toegankelijke plaats, te weten het treinstation Rotterdam Alexander, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6],

welk geweld bestond uit het

- die [slachtoffer 1] (krachtig) (bij de keel) vastpakken/vastgrijpen en/of vasthouden en/of (vervolgens) (krachtig) duwen en/of trekken tegen/aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 1] (krachtig) in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd slaan en/of stompen, althans het maken van slaande en/of stompende bewegingen in de richting van het gezicht, althans het hoofd, althans het lichaam van [slachtoffer 1], en/of

- die [slachtoffer 2] (krachtig) (met een steen, althans een hard voorwerp), slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of

- die [slachtoffer 3] (krachtig) (met een steen, althans een hard voorwerp), slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of

- schoppen en/of trappen tegen/op (althans in de richting van) het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer 4], en/of

- die [slachtoffer 4] meermalen, althans éénmaal (telkens) (krachtig) (met een steen, althans een hard voorwerp), slaan en/of stompen op/tegen de mond en/of de neus, althans in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of

- die [slachtoffer 5] tegen/op het lichaam slaan en/of stompen en/of schoppen en/of die [slachtoffer 5] vastpakken en/of vasthouden en/of duwen en/of trekken tegen/aan die [slachtoffer 5], althans zich agressief en dreigend bewegen en/of gedragen en/of opstellen (mede) in de richting en/of nabijheid van die [slachtoffer 5], en/of

- die [slachtoffer 6] vastpakken en/of vasthouden en/of (vervolgens) (krachtig) duwen tegen en/of trekken aan die [slachtoffer 6] en/of die [slachtoffer 6] (krachtig) door elkaar schudden en/of die [slachtoffer 6] dusdoende beletten, althans belemmeren, en/of verhinderen, althans hinderen, tijdig het spoor te verlaten voor een op hoge snelheid naderende trein,

terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (te weten één of meer verwonding(en) in/aan het gezicht, althans op/aan het hoofd) voor die [slachtoffer 4] ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 01 januari 2009 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend (een) perso(o)n(en), te weten

- [slachtoffer 1] (krachtig) in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd heeft geslagen en/of gestompt,

- [slachtoffer 3] (krachtig) (met een steen, althans een hard voorwerp) heeft geslagen en/of gestompt in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of

- [slachtoffer 4] heeft geschopt en/of getrapt tegen/op (althans in de richting van) het hoofd, althans het lichaam, en/of

- [slachtoffer 4] meermalen, althans éénmaal (telkens) (krachtig) (met een steen, althans een hard voorwerp) heeft geslagen en/of gestompt op/tegen de mond en/of de neus, althans in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of

- [slachtoffer 5] tegen/op het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of die [slachtoffer 5] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of tegen/aan die [slachtoffer 5] heeft geduwd en/of getrokken,

waardoor voornoemde perso(o)n(en) letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

2.

mishandeling.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich, komend uit een discotheek waar hij Nieuwjaar had gevierd, schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Hij is zonder enige aanleiding de spoorbaan van NS station Rottterdam Alexander, waar het op dat moment druk was met feestgangers, overgestoken en heeft zich op perron 1 gevoegd bij een van zijn medeverdachten die daar ruzie aan het maken was. Op dit perron en op het spoor heeft hij vervolgens [slachtoffer 3] geslagen. Nadat diens vrienden hierop reageerden, is er een confrontatie op het spoor geweest, waarbij verdachte [slachtoffer 4] tot tweemaal toe heeft geslagen, waarvan eenmaal met een steen als gevolg waarvan [slachtoffer 4] letsel heeft opgelopen. Toen een trein op hoge snelheid passeerde zijn [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5], die zich op het spoor bevonden door de trein geraakt. [slachtoffer 6] is daarbij zwaargewond geraakt, [slachtoffer 5] is omgekomen.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben zonder enige aanleiding tegen meerdere voor hen volstrekt onbekenden geweld gebruikt. Verdachte kan de dood van [slachtoffer 5] en het zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 6] niet strafrechtelijk worden verweten. Bezien vanuit maatschappelijk perspectief zou hij zich daarvoor wel verantwoordelijk kunnen voelen aangezien [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] zich naar alle waarschijnlijkheid niet op het spoor hadden bevonden wanneer de verdachte en zijn medeverdachten hun handen thuis hadden gehouden. Het gemak waarmee de verdachte tot zijn daden is gekomen baart grote zorgen. De verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Het behoeft geen betoog dat het openlijk geweld en het ongeval dat daarna heeft plaatsgevonden voor de slachtoffers en hun familie en vrienden een traumatische en ingrijpende ervaring is geweest, die diepe sporen achterlaat. De gevolgen daarvan zullen zij nog lange tijd met zich meedragen. Dit geldt ook voor degene die daarvan getuige waren. Tevens heeft hetgeen zich in de nieuwjaarsnacht van 2009 heeft afgespeeld de samenleving geschokt en tot veel reacties geleid.

Op een dergelijke feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf en een werkstraf van enige duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 april 2009 reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft kennis genomen van een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 14 juli 2009, opgesteld door J. Ivasko. Hierin wordt - kort gezegd - weergegeven dat verdachte geen probleemdrinker is, maar onder invloed van alcohol wel kan komen tot grensoverschrijdend en risicovol gedrag. Omdat verdachte ontkent kan het recidiverisico niet worden benoemd. Geadviseerd wordt om bij veroordeling een deels voorwaardelijke straf op te leggen met verplicht reclasseringstoezicht. Binnen dat kader kan verdachte deelnemen aan een behandeltraject zoals een agressieregulatietraining, waarbij met name aandacht zal moeten zijn voor de rol van het alcoholgebruik bij het gedrag van verdachte.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 1], domicilie kiezende ter kantore van mr. Martens, terzake van feiten 1, 2 en 3 . De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 7095,48 en immateriële schade tot een bedrag van € 20.000,00.

Nu de verdachte wordt vrijgesproken van die onderdelen van de tenlastelegging waar de vordering van de benadeelde partij betrekking op heeft, zal de vordering met betrekking tot het materiële deel niet-ontvankelijk worden verklaard. Nu de benadeelde partij geen rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit, zal ook het immateriële deel niet-ontvankelijk worden verklaard.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 6], [adres], terzake van feit 1. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 1725,26 en immateriële schade tot een bedrag van € 15.000,00.

Nu de verdachte wordt vrijgesproken van die onderdelen van de tenlastelegging waar de vordering van de benadeelde partij betrekking op heeft, zal deze vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 2], [adres], terzake van feiten 1 en 2. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 1725,26

Aangezien de benadeelde partij, vader van het slachtoffer [slachtoffer 6], geen rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit, zal deze vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 141 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast

indien:

- de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft;

stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt, welke aanwijzingen mede kunnen inhouden het volgen van behandeling bij Het Dok;

verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en

steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarde;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

legt de verdachte een taakstraf op bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uur, waarbij de Stichting Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

verklaart de vordering materiële en immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet- ontvankelijk;

verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk;

verklaart de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk;

bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. De Pauw Gerlings-Döhrn, voorzitter,

en mrs. Franken en Peeck, rechters,

in tegenwoordigheid van Rijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 november 2009.