Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK1883

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
03-11-2009
Zaaknummer
10/660032-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Rotterdam: PROMIS

Op Nieuwjaarsochtend werden op NS station Rotterdam-Alexander van een groep feestgangers twee jongens door een trein aangereden, waardoor één op slag werd gedood en de ander zwaar werd verwond. Drie jongens werden verdacht van openlijk geweld met strafverzwarende omstandigheid, van zware mishandeling en van dood door schuld. Hen werd verweten dat zij de slachtoffers (en andere jongens van de groep) hadden geduwd, getrokken, geslagen, gestompt en getrapt, alsmede vastgehouden zodat de twee slachtoffers niet tijdig konden wegkomen voor de aanstormende trein. De rechtbank achtte slechts het openlijk geweld plegen en ten opzichte van één verdachte tevens de mishandeling, bewezen. Met name achtte de rechtbank niet bewezen dat de schermutselingen hadden voortgeduurd tot kort voor de nadering van de trein. Voorst deelde de rechtbank niet het standpunt van de Ovj dat de dood aan de verdachten kon worden toegerekend omdat de door hen gepleegde handelingen een voorzienbaar ernstig risico opleverden, welk risico zich heeft verwezenlijkt en zij bewust deze onaanvaardbare risico's hebben genomen waardoor zij roekeloos hebben gehandeld. De rechtbank overwoog dat er voor de slachtoffers geen directe noodzaak was de spoorbaan op te gaan en dat zij door dit toch te doen, evenals de verdachten, een onaanvaardbaar groot risico namen, welk risico in gelijke mate voor de slachtoffers en voor de verdachten voorzienbaar was. Hoewel de verdachten door de confrontatie te zoeken een keten van gebeurtenissen in gang hebben gezet, bestond er tussen het door hen gepleegde geweld en de uiteindelijke fatale aanrijding niet een dusdanig verband dat hen de dood, hoe gruwelijk ook, in strafrechtelijke zin kan worden verweten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 141, geldigheid: 2009-11-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/660032-09

Datum uitspraak: 3 november 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [plaatsnaam] (Afghanistan),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen [penitentiaire inrichting],

raadsvrouw mr. S.E.M. Hooijman, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek heeft plaatsgevonden op de terechtzittingen van 13 oktober 2009 en 20 oktober 2009.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 13 oktober 2009 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Verdachte wordt verweten dat hij zich op 1 januari 2009 schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6], terwijl het door hem gepleegde geweld (zwaar) lichamelijk lestel voor die [slachtoffer 6] tot gevolg heeft gehad.(1) Ook wordt hem het medeplegen van de mishandeling van genoemde personen verweten. (2) Tot slot wordt hem verweten samen met anderen schuld te hebben aan de dood van [slachtoffer 5].(3)

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. De Jong heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, welke aanwijzingen mede kunnen inhouden het volgen van behandeling bij Bouman GGZ, De Waag of Het Dok;

- toewijzing van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1]

tot een bedrag van €7095,48 (materiële kosten) en verzoekt het overige deel niet-ontvankelijk

te verklaren;

- toewijzing van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 6] tot een bedrag van

€ 25267,13 (fotorapportage, kosten rechtsbijstand en immateriële kosten) en afwijzing van de vordering voor het overige;

- niet-ontvankelijkheid van benadeelde partij [benadeelde partij 2];

-oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van de toegewezen vorderingen.

VRIJSPRAAK

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en het tevens ten laste gelegde medeplegen van mishandeling. Verdachte en zijn mededaders hebben de slachtoffers geslagen, onder andere met een steen. Daarnaast zijn slachtoffers op het spoor vastgehouden en is er geduwd en getrokken. Verdachte heeft [slachtoffer 6] vastgepakt en zolang vastgehouden tot het moment dat de trein werd opgemerkt. Tot slot kan verdachte de dood van [slachtoffer 5] worden toegerekend omdat de door hem en zijn medeverdachten gepleegde handelingen in hoge mate aan hen verwijtbaar zijn en een voorzienbaar ernstig risico opleveren, welk risico zich bovendien heeft verwezenlijkt. Het ingetreden gevolg dient volgens de officier van justitie dan ook in strafrechtelijke zin aan verdachte te worden toegerekend. De gedragingen van de slachtoffers maken dat niet anders. Doordat verdachte en zijn medeverdachten de slachtoffers hebben belemmerd op het perron te klimmen is het risico op een fatale aanrijding ontstaan. Verdachte en zijn medeverdachten hebben bewust onaanvaardbare risico’s genomen, waardoor zij roekeloos hebben gehandeld.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft betoogd dat verdachte van alle drie de feiten dient te worden vrijgesproken.

Overwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer 6], door hem vast te houden, heeft belemmerd tijdig het spoor te verlaten, waardoor die [slachtoffer 6] werd geraakt door een passerende trein en zwaar lichamelijk letsel opliep. Uit de afgelegde verklaringen blijkt niet eenduidig tot welk moment er een vechtpartij op het spoor is geweest. Wel valt daaruit af te leiden dat op het moment dat de trein er aan kwam, er niet meer werd gevochten. Ook de verklaring van [slachtoffer 6] van 6 januari 2009 past in dit beeld. Hij heeft immers toen verklaard dat er een worsteling op het spoor was en dat hij zich op enig moment heeft kunnen lostrekken. Daarna hoorde hij dat er “Trein, trein” geroepen werd. In zijn schriftelijke verklaring van 18 februari 2009 zegt hij zich te hebben losgerukt pas nadat er twee keer “trein”geroepen werd. Deze verklaring wordt echter niet gesteund door andere bewijsmiddelen.

Hieruit volgt dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer 6] op het spoor dusdanig heeft belemmerd of gehinderd dat het voor [slachtoffer 6] niet mogelijk was een perron te betreden voordat de trein passeerde. Het strafverzwarende onderdeel van het onder 1 ten laste gelegde is derhalve, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat verdachte als eerste [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en een slaande beweging heeft gemaakt. Niet bewezen is echter dat [slachtoffer 1] daadwerkelijk is geraakt en pijn of letsel heeft bekomen. Evenmin is er wettig bewijs dat tegen [slachtoffer 5] enige geweldshandeling is gepleegd. Ten aanzien van de geweldshandelingen tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat deze zijn gepleegd door verdachte.

Voor zover de geweldshandelingen jegens [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] aan verdachte op grond van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) als medepleger kunnen worden toegerekend, is de rechtbank niet gebleken van de daarvoor vereiste bewuste en nauwe samenwerking ten aanzien van de geweldshandelingen. Het verweer dat door de raadsvrouw van verdachte op dit onderdeel is gevoerd slaagt dan ook. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder twee ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 3

Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat verdachte de slachtoffers heeft belemmerd tijdig het spoor te verlaten, waardoor [slachtoffer 5] werd aangereden door een passerende trein en overleed. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de schermutselingen op het spoor voort duurden totdat de trein naderde. Geen van de getuigen heeft gezien dat [slachtoffer 5] op het spoor is belaagd, dan wel dat hij zelf actief aan de vechtpartij op het spoor heeft meegedaan. Bovendien hebben diverse getuigen verklaard dat [slachtoffer 5] alleen stond kort voordat de trein naderde, terwijl hieruit volgt dat [slachtoffer 5] niet is belemmerd de spoorbaan (tijdig) te verlaten.

Voorts moet in aanmerking worden genomen dat [slachtoffer 4], [getuige 2], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] de spoorbaan hebben betreden, terwijl [slachtoffer 3] en [getuige 1] niet meer werden belaagd. Er was derhalve geen directe noodzaak voor de groep van de slachtoffers om de spoorbaan op te gaan. Door dit toch te doen hebben zij, evenals de verdachte en zijn medeverdachten een onaanvaardbaar groot risico genomen. Dit risico was voor zowel de groep van de slachtoffers als de verdachten in gelijke mate voorzienbaar.

Er is dan ook in het onderhavige geval, anders dan in de door de officier van justitie aangehaalde jurisprudentie, geen sprake van een situatie waarin enkel door verdachte en zijn medeverdachten een onaanvaardbaar groot en voorzienbaar risico is genomen. Hoewel verdachte en zijn medeverdachten door op perron 1 de confrontatie te zoeken een keten van gebeurtenissen in gang heeft gezet, bestaat er tussen het door hen gepleegde geweld en de uiteindelijke dodelijke aanrijding niet een dusdanig verband dat hen de dood van [slachtoffer 5], hoe gruwelijk ook, in strafrechtelijke zin kan worden verweten. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 3 ten laste is gelegd.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

De hierna opgenomen feiten en omstandigheden zijn redengevend voor het bewijs van dit feit. De bewijsmiddelen waaruit die feiten en omstandigheden blijken staan vermeld in de voetnoten. Voor zover nodig is door middel van een nadere bewijsmotivering aangegeven waarom die feiten en omstandigheden tot het bewijs bijdragen.

Op 1 januari 2009 bevond dader 1 zich op perron 1 van treinstation Rotterdam Alexander te Rotterdam. Bij de trap van dit perron heeft dader 1 op enig moment [slachtoffer 1] vastgepakt. Er ontstond duw- en trekwerk. Vervolgens heeft dader 1 slaande bewegingen in de richting van [slachtoffer 1] gemaakt. Dader 2 en 3 zijn vanaf perron 2 de spoorbaan opgesprongen en vervolgens aan de overzijde perron 1 opgeklommen. Vervolgens zijn dader 1, 2 en 3 naar een groepje gelopen waarvan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] deel uitmaakten. Zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 3] zijn vervolgens geslagen.

[slachtoffer 3] is daarop samen met [getuige 1] van perron 1 de spoorbaan opgesprongen om aan de daders te ontkomen. [slachtoffer 4] die gezien had dat [slachtoffer 3] werd geslagen, is daarop van perron 2 de spoorbaan opgesprongen, gevolgd door [getuige 2],

[slachtoffer 6] en [slachtoffer 5]. Ook [getuige 3] is op de spoorbaan gesprongen. [slachtoffer 3] en [getuige 1] zijn naar perron 2 gegaan. [slachtoffer 4] is tegen zijn mond en met een steen op zijn neus geslagen, waardoor hij pijn en letsel had. Vervolgens zijn de daders vanaf perron 1 de spoorbaan opgesprongen. Twee daders zijn toen tegenover [slachtoffer 4] , [getuige 2], [slachtoffer 6], [getuige 3] en [slachtoffer 5] komen te staan. Tussen de daders en de andere personen is op dat moment duw- en trekwerk ontstaan, waarbij [slachtoffer 6] werd vastgepakt.

Nadere overwegingen

Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt naar voren dat de persoon die dader 1 is genoemd een getint persoon is met lang zwart krullend haar, dat achterovergekamd en met veel gel werd gedragen, die zichzelf de Afghaan noemde.

In zijn verklaring van 15 april 2009 heeft de verdachte zichzelf beschreven. De rechtbank stelt vast dat de beschrijving met bovenstaande overeenkomt. Verdachte moet worden aangemerkt als de persoon die hiervoor met dader 1 is aangeduid. Daarnaast volgt uit de verklaringen van [slachtoffer 6] en [getuige 4] dat verdachte degene is die [slachtoffer 6] op het spoor heeft belaagd.

Gezien het bovenstaande in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de verdachte zich op 1 januari 2009 schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. Hoewel niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 5] zelf direct betrokken is geweest bij de schermutselingen op het spoor, is het openlijk geweld ook tegen hem gericht geweest omdat hij deel uitmaakte van de groep van de slachtoffers die zich op het spoor bevonden, waartegen geweld is gebruikt.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 01 januari 2009 te Rotterdam, op een voor publiek toegankelijke plaats, te weten het treinstation Rotterdam Alexander, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6],

welk geweld bestond uit het

- [slachtoffer 1] vastpakken/vastgrijpen en/of vasthouden en (vervolgens) duwen en/of trekken tegen/aan [slachtoffer 1] en het maken van slaande en/of stompende bewegingen in de richting van het gezicht, althans het hoofd, althans het lichaam van [slachtoffer 1] , en

- die [slachtoffer 2] , slaan in het gezicht, , en

- die [slachtoffer 3] (krachtig) stompen in het gezicht, , en

-

- die [slachtoffer 4] slaan tegen de mond en met een steen tegen de neus althans éénmaal (telkens) (krachtig) (met een steen, althans een hard voorwerp), slaan en/of stompen op/tegen de mond en/of de neus, althans in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en

zich agressief en dreigend bewegen en/of gedragen en/of opstellen (mede) in de richting en/of nabijheid van die [slachtoffer 5], en

- die [slachtoffer 6] vastpakken en vasthouden en duwen tegen en/of trekken aan die [slachtoffer 6] ,

;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezen feit levert op:

1.

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich, komend uit een discotheek waar hij Nieuwjaar had gevierd, schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Op enig moment heeft de verdachte op perron 1 van NS station Rotterdam Alexander, waar het op dat moment druk was met feestgangers, zonder enige aanleiding het eerste slachtoffer vastgepakt, geduwd en getrokken. Hierop zijn twee medeverdachten de spoorbaan overgestoken en hebben zich bij de verdachte gevoegd waarna op dit perron twee andere slachtoffers zijn geslagen. Nadat vrienden van een van de slachtoffers hierop reageerden, is er een confrontatie op het spoor geweest, waarbij opnieuw is geslagen, geduwd en getrokken. Toen een trein op hoge snelheid passeerde zijn [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5], die zich op het spoor bevonden, door de trein geraakt. [slachtoffer 6] is daarbij zwaargewond geraakt, [slachtoffer 5] is overleden.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben zonder enige aanleiding tegen meerdere voor hen volstrekt onbekenden geweld gebruikt. Verdachte kan de dood van [slachtoffer 5] en het zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 6] niet strafrechtelijk worden verweten. Bezien vanuit maatschappelijk perspectief zou hij zich daarvoor wel verantwoordelijk kunnen voelen aangezien [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] zich naar alle waarschijnlijkheid niet op het spoor hadden bevonden wanneer de verdachte en zijn medeverdachten hun handen thuis hadden gehouden. Het gemak waarmee de verdachte tot zijn daden is gekomen baart grote zorgen. De verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Het behoeft geen betoog dat het openlijk geweld en het ongeval dat daarna heeft plaatsgevonden voor de slachtoffers en hun familie en vrienden een traumatische en ingrijpende ervaring is geweest, die diepe sporen achterlaat. De gevolgen daarvan zullen zij nog lange tijd met zich meedragen. Dit geldt ook voor degene die daarvan getuige waren. Tevens heeft hetgeen zich in de nieuwjaarsnacht van 2009 heeft afgespeeld de samenleving geschokt en tot veel reacties geleid.

Op een dergelijke feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf en een werkstraf van enige duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 april 2009 reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft kennis genomen van een voorlichtingsrapport van Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering d.d. 16 juni 2009, opgesteld door P.J.J. Heijkoop. Hieruit volgt - kort gezegd - dat verdachte in 2006 betrokken is geweest bij een geweldsincident waarbij alcohol een rol speelde. Verdachte wordt niet goed in staat geacht zijn eigen zaken te regelen. Indien de verdachte schuldig wordt bevonden, wordt geadviseerd reclasseringstoezicht toe te wijzen, zodat onder andere zijn agressie en alcoholrisico kan worden behandeld. Hulpverlening kan tevens bestaan uit het volgen van behandeling bij Bouman GGZ, De Waag of Het Dok.

Alles afwegend wordt de na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 1], domicilie kiezende ten kantore van mr. Martens, terzake van feiten 1, 2 en 3 . De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 7095,48 en immateriële schade tot een bedrag van € 20.000,00.

Nu de verdachte wordt vrijgesproken van die onderdelen van de tenlastelegging waar de vordering van de benadeelde partij betrekking op heeft, zal de vordering met betrekking tot het materiële deel niet-ontvankelijk worden verklaard. Nu de benadeelde partij geen rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit, zal ook het immateriële deel niet-ontvankelijk worden verklaard.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 6], [adres] terzake van feit 1. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 1725,26 en immateriële schade tot een bedrag van € 15.000,00.

Nu de verdachte wordt vrijgesproken van die onderdelen van de tenlastelegging waar de vordering van de benadeelde partij betrekking op heeft, zal deze vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 2], [adres], terzake van feit 1. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 1725,26.

Aangezien de benadeelde partij, vader van het slachtoffer [slachtoffer 6], geen rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit, zal deze vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 strafverzwarende onderdeel en de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast

indien:

- de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft;

stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt, welke aanwijzingen mede kunnen inhouden het volgen van behandeling bij Bouman GGZ, De Waag of Het Dok;

verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en

steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarde;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

legt de verdachte een taakstraf op bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uur, waarbij de Stichting Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen;

verklaart de vordering materiële en immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet- ontvankelijk;

verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk;

verklaart de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. De Pauw Gerlings-Döhrn, voorzitter,

en mrs. Franken en Peeck, rechters,

in tegenwoordigheid van Rijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 november 2009.