Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK1876

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
03-11-2009
Zaaknummer
10/660060-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Rotterdam: PROMIS

Op Nieuwjaarsochtend werden op NS station Rotterdam-Alexander van een groep feestgangers twee jongens door een trein aangereden, waardoor één op slag werd gedood en de ander zwaar werd verwond. Drie jongens werden verdacht van openlijk geweld met strafverzwarende omstandigheid, van zware mishandeling en van dood door schuld. Hen werd verweten dat zij de slachtoffers (en andere jongens van de groep) hadden geduwd, getrokken, geslagen, gestompt en getrapt, alsmede vastgehouden zodat de twee slachtoffers niet tijdig konden wegkomen voor de aanstormende trein. De rechtbank achtte slechts het openlijk geweld plegen en ten opzichte van één verdachte tevens de mishandeling, bewezen. Met name achtte de rechtbank niet bewezen dat de schermutselingen hadden voortgeduurd tot kort voor de nadering van de trein. Voorst deelde de rechtbank niet het standpunt van de Ovj dat de dood aan de verdachten kon worden toegerekend omdat de door hen gepleegde handelingen een voorzienbaar ernstig risico opleverden, welk risico zich heeft verwezenlijkt en zij bewust deze onaanvaardbare risico's hebben genomen waardoor zij roekeloos hebben gehandeld. De rechtbank overwoog dat er voor de slachtoffers geen directe noodzaak was de spoorbaan op te gaan en dat zij door dit toch te doen, evenals de verdachten, een onaanvaardbaar groot risico namen, welk risico in gelijke mate voor de slachtoffers en voor de verdachten voorzienbaar was. Hoewel de verdachten door de confrontatie te zoeken een keten van gebeurtenissen in gang hebben gezet, bestond er tussen het door hen gepleegde geweld en de uiteindelijke fatale aanrijding niet een dusdanig verband dat hen de dood, hoe gruwelijk ook, in strafrechtelijke zin kan worden verweten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 141
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/660060-09

Datum uitspraak: 3 november 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen [penitentiaire inrichting],

raadsman mr. J.R. Juriaans, advocaat te Leiden.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek heeft plaatsgevonden op de terechtzittingen van 13 oktober 2009 en 20 oktober 2009.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 13 oktober 2009 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Verdachte wordt verweten dat hij zich op 1 januari 2009 schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6], terwijl het door hem gepleegde geweld (zwaar) lichamelijk lestel voor die [slachtoffer 4] tot gevolg heeft gehad.(1) Ook wordt hem het medeplegen van de mishandeling van genoemde personen verweten. (2) Tot slot wordt hem samen met anderen de dood door schuld van [slachtoffer 5] verweten.(3)

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. De Jong heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, zodat uitvoer kan worden gegeven aan het plan van aanpak;

- toewijzing van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van €7095,48 (materiële kosten) en verzoekt het overige deel niet-ontvankelijk

te verklaren;

- toewijzing van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 6] tot een bedrag van

€ 10267,13 (fotorapportage en kosten rechtsbijstand) en verzoekt het overige deel af te wijzen;

- niet-ontvankelijkheid van benadeelde partij [benadeelde partij 2];

-oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van de toegewezen vorderingen.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Namens de verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging, nu de verdachte wordt vervolgd in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Immers, het onderzoek heeft zich, zonder dat daarvoor bijzondere aanknopingspunten zijn, toegespitst op verdachte en het verkrijgen van belastend materiaal jegens hem. Verdachte is hierdoor onherstelbaar in zijn verdediging geschaad.

Het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel houdt in dat het openbaar ministerie, op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid, met betrekking tot het al dan niet strafrechtelijk vervolgen van verdachten de in het geding zijnde belangen kan afwegen. Deze belangenafweging kan door de rechter slechts marginaal worden getoetst. Slechts indien het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot vervolging had kunnen besluiten, of wanneer anderszins sprake is van schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde, kan het recht tot strafvervolging vervallen worden verklaard.

Gelet op de aard van de toetsing kan de rechtbank slechts beoordelen of het openbaar ministerie in redelijkheid tot de vervolging van verdachte heeft kunnen overgaan. Gelet op de verklaringen in het dossier, is de rechtbank van oordeel dat deze vraag bevestigend beantwoord dient te worden. Van enige schending van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake nu uit het dossier naast verdachte en zijn medeverdachten, geen andere personen naar voren komen die bij de gebeurtenissen als verdachte betrokken zouden kunnen zijn en voldoende individualiseerbaar zijn. Evenmin is er, gezien de inhoud van het dossier, reden om te concluderen dat er slechts belastend materiaal jegens verdachte in het dossier is gevoegd, zodat ook om die reden geen sprake is van een schending van het verdedigingsbelang van verdachte. Nu overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de officier van justitie niet-ontvankelijkheid is in de vervolging, wordt dit verweer verworpen.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en het tevens ten laste gelegde medeplegen van mishandeling. Verdachte en zijn medeverdachten hebben de slachtoffers geslagen, onder andere met een steen. Daarnaast zijn slachtoffers op het spoor vastgehouden en is er geduwd en getrokken.

Verdachte kan de dood van [slachtoffer 5] worden toegerekend omdat de door hem en zijn medeverdachten gepleegde handelingen in hoge mate aan hen verwijtbaar zijn en een voorzienbaar ernstig risico opleveren, welk risico zich bovendien heeft verwezenlijkt. Het ingetreden gevolg dient volgens de officier van justitie dan ook in strafrechtelijke zin aan verdachte te worden toegerekend. De gedragingen van de slachtoffers maken dat niet anders. Doordat verdachte en zijn medeverdachten de slachtoffers hebben belemmerd op het perron te klimmen is het risico op een fatale aanrijding ontstaan. Verdachte en zijn medeverdachten hebben bewust onaanvaardbare risico’s genomen, waardoor zij roekeloos hebben gehandeld.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat hij van alle drie de feiten dient te worden vrijgesproken.

Overwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van feit 2

Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat een medeverdachte als eerste [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en een slaande beweging heeft gemaakt. Niet bewezen is echter dat [slachtoffer 1] daadwerkelijk is geraakt en pijn of letsel heeft bekomen. Evenmin is er wettig bewijs voor het feit dat tegen [slachtoffer 5] enige geweldshandeling is gepleegd. Ten aanzien van de geweldshandelingen tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat deze zijn gepleegd door verdachte.

Voor zover de geweldshandelingen jegens [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] aan verdachte op grond van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) als medepleger kunnen worden toegerekend, is de rechtbank niet gebleken van de daarvoor vereiste bewuste en nauwe samenwerking ten aanzien van de geweldshandelingen. Het verweer dat door de raadsman van verdachte op dit onderdeel is gevoerd slaagt dan ook. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder twee ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 3

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte de slachtoffers heeft belemmerd tijdig het spoor te verlaten, waardoor [slachtoffer 5] werd aangereden door een passerende trein en is omgekomen. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de schermutselingen op het spoor voort duurden totdat de trein naderde. Geen van de getuigen heeft gezien dat [slachtoffer 5] op het spoor is belaagd, dan wel dat hij zelf actief aan de vechtpartij op het spoor heeft meegedaan. Bovendien hebben diverse getuigen verklaard dat [slachtoffer 5] alleen stond kort voordat de trein naderde, terwijl hieruit volgt dat [slachtoffer 5] niet is belet de spoorbaan (tijdig) te verlaten.

Voorts moet in aanmerking worden genomen dat [slachtoffer 4], [getuige 2], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] de spoorbaan hebben betreden, terwijl [slachtoffer 3] en [getuige 1] niet meer werden belaagd. Er was derhalve geen directe noodzaak voor de groep van de slachtoffers om de spoorbaan op te gaan. Door dit toch te doen hebben zij, evenals verdachte en zijn medeverdachten een onaanvaardbaar groot risico genomen. Dit risico was voor zowel de groep van de slachtoffers als de verdachten in gelijke mate voorzienbaar.

Er is dan ook in het onderhavige geval, anders dan in de door de officier van justitie aangehaalde jurisprudentie, geen sprake van een situatie waarin enkel door verdachte en zijn medeverdachten een onaanvaardbaar groot en voorzienbaar risico is genomen. Hoewel verdachte en zijn medeverdachten door op perron 1 de confrontatie te zoeken een keten van gebeurtenissen in gang hebben gezet, bestaat er tussen het door hen gepleegde geweld en de uiteindelijke dodelijke aanrijding niet een dusdanig verband dat hen de dood van [slachtoffer 5], hoe gruwelijk ook, in strafrechtelijke zin kan worden verweten. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 3 ten laste is gelegd.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

De hierna opgenomen feiten en omstandigheden zijn redengevend voor het bewijs van dit feit. De bewijsmiddelen waaruit die feiten en omstandigheden blijken staan vermeld in de voetnoten. Voor zover nodig is door middel van een nadere bewijsmotivering aangegeven waarom die feiten en omstandigheden tot het bewijs bijdragen.

Op 1 januari 2009 bevond dader 1 zich op perron 1 van treinstation Rotterdam Alexander te Rotterdam. Bij de trap van dit perron heeft dader 1 op enig moment [slachtoffer 1] vastgepakt. Er ontstond duw- en trekwerk. Vervolgens heeft dader 1 slaande bewegingen in de richting van [slachtoffer 1] gemaakt. Dader 2 en 3 zijn vanaf perron 2 de spoorbaan opgesprongen en vervolgens aan de overzijde perron 1 opgeklommen.

Vervolgens zijn dader 1, 2 en 3 naar een groepje gelopen waarvan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] deel uitmaakten. Zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 3] zijn vervolgens geslagen.

[slachtoffer 3] is daarop samen met [getuige 1] van perron 1 de spoorbaan opgesprongen om aan de daders te ontkomen. [slachtoffer 4] die gezien had dat [slachtoffer 3] werd geslagen, is daarop van perron 2 de spoorbaan opgesprongen, gevolgd door [getuige 2], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5]. Ook [getuige 3] is op de spoorbaan gesprongen. [slachtoffer 3] en [getuige 1] zijn naar perron 2 gegaan. [slachtoffer 4] is tegen zijn mond en met een steen op zijn neus geslagen, waardoor hij pijn en letsel had. Vervolgens zijn de daders vanaf perron 1 de spoorbaan opgesprongen. Twee daders zijn toen tegenover [slachtoffer 4], [getuige 2], [slachtoffer 6], [getuige 3] en [slachtoffer 5] komen te staan. Tussen de daders en de andere personen is op dat moment duw- en trekwerk ontstaan, waarbij [slachtoffer 6] werd vastgepakt.

Als gezegd, de officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.

Namens de verdachte wordt vorenstaande betwist. Uit het dossier kan volgens de raadsman worden opgemaakt dat de verdachte vanaf perron 2 via de spoorbaan perron 1 is opgeklommen. Voorts kan uit het dossier worden opgemaakt dat de verdachte op enig moment weer via de spoorbaan terug is gekomen op perron 2. Op grond van de verklaringen kan niet worden bewezen dat de verdachte daadwerkelijk heeft deelgenomen aan het openlijk geweld.

Nu niet is vast te stellen dat de verdachte heeft deelgenomen aan het openlijk geweld, dient de verdachte derhalve tevens te worden vrijgesproken van het onder één ten laste gelegde.

Nadere overwegingen

De rechtbank stelt allereerst het navolgende vast.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt naar voren dat een van de daders die van perron 2 naar perron 1 is gegaan, nadat daar [slachtoffer 1] was geslagen, een persoon van Marokkaanse afkomst is met stekelig en aan de zijkanten opgeschoren haar. Hij droeg op de bewuste ochtend een zwarte jas met bontkraag van het merk Nickelson en goudkleurige schoenen van het merk Nike.

In zijn verklaring van 15 april 2009 heeft de verdachte zichzelf beschreven. De rechtbank stelt vast dat deze beschrijving overeenkomt met de hiervoor weergegeven beschrijving van een van de daders.

De rechtbank overweegt voorts als volgt.

[getuige 5], die de avond en nacht met verdachte had doorgebracht, heeft verklaard dat hij verdachte het spoor heeft zien oversteken en op het andere perron heeft zien vechten. Ook [getuige 6] die die avond en nacht met verdachte was samen geweest heeft verklaard dat hij gezien heeft dat verdachte het spoor is overgestoken. De rechtbank kent aan deze verklaringen bijzonder gewicht toe, omdat beide getuigen de verdachte kenden. Dit gevoegd bij het feit dat verdachte voldoet aan de persoonsbeschrijving maakt dat verdachte moet worden aangemerkt als een van de drie daders van openlijke geweldpleging. Verdachte heeft zich niet losgemaakt van de groep die de confrontatie zocht, integendeel, verdachte heeft die groep juist opgezocht. Verdachte wist of had redelijkerwijs kunnen vermoeden dat hij in het handgemeen terecht zou kunnen komen en heeft zich hiervan niet tijdig gedistantieerd, ondanks dat hij voldoende mogelijkheden daartoe heeft gehad. Dat de verdachte zich blijkens diverse getuigenverklaringen in een later stadium heeft teruggetrokken doet daar niet aan af. Nu verdachte in ieder geval ook slaande bewegingen heeft gemaakt is er sprake van een voldoende significante en wezenlijke bijdrage door verdachte aan het gepleegde openlijk geweld.

Gezien het bovenstaande in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de verdachte zich op 1 januari 2009 schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. Hoewel niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 5] zelf direct betrokken is geweest bij de schermutselingen op het spoor, is het openlijk geweld ook tegen hem gericht geweest omdat hij deel uitmaakte van de groep van de slachtoffers die zich op het spoor bevonden waartegen geweld is gebruikt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen is gebleken dat het gepleegde geweld tegen [slachtoffer 4] moet worden toegerekend aan een medeverdachte, zodat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde strafverzwarende onderdeel zal worden vrijgesproken.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 01 januari 2009 te Rotterdam, op een voor publiek toegankelijke plaats, te weten het treinstation Rotterdam Alexander, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6],

welk geweld bestond uit het

- [slachtoffer 1] vastpakken/vastgrijpen en/of vasthouden en (vervolgens) duwen en/of trekken tegen/aan [slachtoffer 1] en het maken van slaande en/of stompende bewegingen in de richting van het gezicht, althans het hoofd, althans het lichaam van [slachtoffer 1], en

- die [slachtoffer 2] , slaan in het gezicht, , en

- die [slachtoffer 3] (krachtig) stompen in het gezicht, , en

-

- die [slachtoffer 4] slaan tegen de mond en met een steen tegen de neus althans éénmaal (telkens) (krachtig) (met een steen, althans een hard voorwerp), slaan en/of stompen op/tegen de mond en/of de neus, althans in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en

zich agressief en dreigend bewegen en/of gedragen en/of opstellen (mede) in de richting en/of nabijheid van die [slachtoffer 5], en

- die [slachtoffer 6] vastpakken en vasthouden en duwen tegen en/of trekken aan die [slachtoffer 6] ,

;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezen feit levert op:

1.

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich, komend uit een discotheek waar hij Nieuwjaar had gevierd, schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Op enig moment heeft een medeverdachte van de verdachte op perron 1 van NS station Rottterdam Alexander, waar het op dat moment druk was met feestgangers, zonder enige aanleiding het eerste slachtoffer vastgepakt, geduwd en getrokken. Hierop zijn de verdachte en een medeverdachte de spoorbaan overgestoken en hebben zich bij de medeverdachte gevoegd waarna op dit perron twee andere slachtoffers zijn geslagen. Nadat vrienden van een van de slachtoffers hierop reageerden, is er een confrontatie op het spoor geweest, waarbij opnieuw is geslagen, geduwd en getrokken. Toen een trein op hoge snelheid passeerde zijn [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] die zich op het spoor bevonden door de trein geraakt. [slachtoffer 6] is daarbij zwaargewond geraakt, [slachtoffer 5] is overleden.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben zonder enige aanleiding tegen meerdere voor hen volstrekt onbekenden geweld gebruikt. Verdachte kan de dood van [slachtoffer 5] en het zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 6] niet strafrechtelijk worden verweten. Bezien vanuit maatschappelijk perspectief zou hij zich daarvoor wel verantwoordelijk kunnen voelen aangezien [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] zich naar alle waarschijnlijkheid niet op het spoor hadden bevonden wanneer de verdachte en zijn medeverdachten hun handen thuis hadden gehouden. Het gemak waarmee de verdachte tot zijn daden is gekomen baart grote zorgen. De verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Het behoeft geen betoog dat het openlijk geweld en het ongeval dat daarna heeft plaatsgevonden voor de slachtoffers en hun familie en vrienden een traumatische en ingrijpende ervaring is geweest, die diepe sporen achterlaat. De gevolgen daarvan zullen zij nog lange tijd met zich meedragen. Dit geldt ook voor degene die daarvan getuige waren. Tevens heeft hetgeen zich in de nieuwjaarsnacht van 2009 heeft afgespeeld de samenleving geschokt en tot veel reacties geleid.

Op een dergelijke feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 april 2009 reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft kennis genomen van een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 10 juli 2009, opgesteld door S. Tempelaar. Hierin wordt - kort gezegd - weergegeven dat van middelengebruik geen sprake is. Na detentie wil verdachte zijn opleiding detailhandel voortzetten. Omtrent het recidiverisico kan geen inschatting worden gemaakt. Geadviseerd wordt een verplicht reclasseringscontact op te leggen bij een voorwaardelijke straf, waarin in ieder geval een aanmelding bij een forensische polikliniek gedaan kan worden om te onderzoeken welke factoren (eerder) tot delictgedrag hebben geleid, waarna mogelijk een behandelaanbod kan volgen en het realiseren van een structurele en zinvolle dagbesteding.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 1], domicilie kiezende ten kantore van mr. Martens, terzake van feiten 1, 2 en 3 . De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 7095,48 en immateriële schade tot een bedrag van € 20.000,00.

Nu de verdachte wordt vrijgesproken van die onderdelen van de tenlastelegging waar de vordering van de benadeelde partij betrekking op heeft, zal de vordering met betrekking tot het materiële deel niet-ontvankelijk worden verklaard. Nu de benadeelde partij geen rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit, zal ook het immateriële deel niet-ontvankelijk worden verklaard.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 6], [adres], terzake van feit 1. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 1725,26 en immateriële schade tot een bedrag van € 15.000,00.

Nu de verdachte wordt vrijgesproken van die onderdelen van de tenlastelegging waar de vordering van de benadeelde partij betrekking op heeft, zal deze vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 2, [adres], terzake van feiten 1 en 2. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 1725,26

Aangezien de benadeelde partij, vader van het slachtoffer [slachtoffer 6], geen rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit, zal deze vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast

indien:

- de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft;

stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt, welke aanwijzingen mede kunnen inhouden het volgen van behandeling bij Bouman GGZ, De Waag of Het Dok;

verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarde;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

verklaart de vordering materiële en immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet- ontvankelijk;

verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk;

verklaart de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. De Pauw Gerlings-Döhrn, voorzitter,

en mrs. Franken en Peeck, rechters,

in tegenwoordigheid van Rijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 november 2009.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.