Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BK1140

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
26-10-2009
Zaaknummer
340312 / KG ZA 09-1050 en 340296 / F2 RK 09-2463
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Beroep tegen huisverbod en verlenging van huisverbod ongegrond. Verzoek schadevergoeding afgewezen. Verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Voorzieningenrechter

Reg.nrs.: 340312 / KG ZA 09-1050 (voorlopige voorziening) 340296 / F2 RK 09-2463 (beroep)

Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

in de gedingen tussen

[naam verzoekster], verzoekster, tevens eiseres (hierna: verzoekster),

wonende te Rhoon, gemeente Albrandswaard,

thans verblijvende te [verbljfplaats],

gemachtigde mr. M.M. van Wijk,

en

de burgemeester van de gemeente ALBRANDSWAARD, verweerder,

zetelende te Albrandswaard,

in welke zaken belanghebbenden zijn:

[naam belanghebbende],

wonende te [postcode] Rhoon, gemeente Albrandswaard, [adres],

en

de minderjarige kinderen [naam zoon] en [naam dochter].

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 18 september 2009 uur heeft verweerder aan verzoekster een huisverbod opgelegd voor een periode van 10 dagen.

Bij besluit van 28 september 2009 heeft verweerder het huisverbod verlengd met een periode van 18 dagen.

Tegen deze besluiten heeft verzoekster bij brief van 12 oktober 2009 beroep ingesteld.

Voorts heeft verzoekster bij brief van 12 oktober 2009 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het huisverbod per direct wordt opgeheven, dan wel te bepalen dat verzoekster dient te worden behandeld alsof er geen huisverbod is opgelegd totdat op het beroep is beslist

Verweerder heeft bij faxberichten van 14 oktober 2009 stukken en een verweerschrift ingediend.

Verzoekster heeft bij faxberichten van 14 oktober 2009 nadere stukken ingediend.

De belanghebbende (echtgenoot) heeft op 15 oktober bij faxbericht stukken ingediend.

De minderjarigen zijn gehoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2009. Verzoekster is verschenen met haar gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen zijn gemachtigde A.G.M. Ostojic en loco-burgemeester V.H. Spruit-Remijn.

De belanghebbende is verschenen met zijn gemachtigde.

Tevens waren aanwezig E.J. Engels, beleidsmedewerker openbare orde gemeente Albrandswaard, A.C.H. Vermonden, casemanager ASHG Rotterdam, S. Etty, GGD Rotterdam en B.J. van der Meer, regiopolitie Rotterdam Rijnmond.

Als getuige is gehoord [naam getuige], wonende te Ridderkerk.

2 Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

Op 1 januari 2009 is de wet Regels strekkende tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk huisverbod; Stb. 2008, 421) in werking getreden.

Op grond van artikel 2 van deze wet kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

Verzoekster heeft het volgende aangevoerd.

Volgens verzoekster berust de beschikking van 18 september 2009 niet op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb. Uit het besluit valt niet af te leiden of, en zo ja, welke feiten en omstandigheden die worden genoemd in de bijlage bij het Besluit tijdelijk huisverbod zijn betrokken bij het besluit.

Voorts was het opleggen (en het verlengen) van het huisverbod volgens verzoekster disproportioneel en niet noodzakelijk gelet op het doel dat met het huisverbod wordt gediend en gelet op de geringe zwaarte van het incident en de geringe geweldsverwachting. Verzoekster stelt voorts dat verweerder heeft gehandeld in strijd met een zorgvuldige voorbereiding en evenredige belangenafweging als bedoeld in de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb. Tot slot verzoekt verzoekster om vergoeding van de schade die zij als gevolg van het huisverbod heeft geleden.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beschikking van 18 september 2009 voldoende is gemotiveerd. In de beschikking is aangegeven dat het besluit is gebaseerd op het ter plaatse gehanteerde risico-taxatie instrument huiselijk geweld, dat wordt geacht deel uit te maken van het besluit. Hieruit blijkt welke relevante feiten en omstandigheden ten grondslag hebben gelegen aan het besluit.

Voorts is verweerder van oordeel dat het huisverbod noodzakelijk en proportioneel was en is, gelet op de constatering dat verzoekster de rol van haar dochter bij de conflicten met haar man niet veroordeelt en evenmin tegengaat en gelet op het feit dat verzoekster in het vakantiehuis in [verblijfplaats] kan verblijven.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Aan het besluit van verweerder tot het opleggen van het huisverbod liggen, zoals in het besluit is vermeld, feiten en omstandigheden ten grondslag zoals die zijn genoemd in het door verweerder gehanteerde risico-taxatie instrument. In dit instrument worden de relevante aspecten zoals die zijn voorgeschreven in (de bijlage bij) het Besluit tijdelijk huisverbod genoemd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het besluit daarmee voldoende deugdelijk is gemotiveerd.

Ten aanzien van de grond dat het opleggen (en het verlengen) van het huisverbod disproportioneel en niet noodzakelijk was overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Met verzoekster is de voorzieningenrechter van oordeel dat een huisverbod een zeer ingrijpende maatregel is. Doel van het opleggen van een huisverbod is de veiligheid van de achterblijvers te waarborgen en een periode te creëren waarin maatregelen kunnen worden genomen om de dreiging van geweld weg te nemen. Hoewel de voorzieningenrechter van oordeel is dat het zeer goed mogelijk is dat verzoekster zich door het gedrag van haar echtgenoot heeft laten provoceren, doet dat er niet aan af dat uit de overgelegde stukken voldoende is komen vast te staan dat verzoekster geweld heeft gebruikt tegen haar echtgenoot en dat ook de 13 jarige dochter daarbij is betrokken. De dochter is niet door de moeder gecorrigeerd toen zij geweld jegens haar vader gebruikte. Ten tijde van het opleggen van het huisverbod ging de dreiging van geweld uit van verzoekster. Verweerder kon, gelet op hetgeen uit het risico-inventarisatie instrument naar voren komt, het noodzakelijk achten een huisverbod op te leggen teneinde de dreiging van geweld weg te nemen. Dit geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter te meer nu de minderjarige kinderen van verzoekster en haar echtgenoot bij de al dagenlang opbouwende conflicten tussen hun ouders aanwezig waren geweest. Anders dan de raadsvrouwe van verzoekster is de voorzieningenrechter van oordeel dat met de inzet van de hulpverlening door Bureau Jeugdzorg, zo die al direct beschikbaar zou zijn geweest, na het incident op 18 september j.l. de dreiging van geweld niet voldoende kon worden weggenomen. De voorzieningenrechter is van oordeel, gelet op de voormelde feiten en omstandigheden, dat het opgelegde huisverbod niet disproportioneel is.

Ter zake van de verlenging van het huisverbod is de voorzieningenrechter eveneens van oordeel dat verweerder deze noodzakelijk kon achten en dat deze niet disproportioneel was. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat verzoekster ten tijde van de verlenging nog onvoldoende inzicht had in de mogelijke zeer schadelijke gevolgen voor de minderjarigen van het betrekken van de dochter in de conflicten met haar echtgenoot. Voorts acht de voorzieningenrechter het daarbij van belang dat niet alleen de echtgenoot, maar ook de minderjarige zoon bang was dat er wederom geweld zou plaatsvinden als het huisverbod niet zou worden verlengd. Verweerder kon op basis van het zorgadvies concluderen dat de dreiging van (met name het psychische) geweld waardoor beide kinderen verscheurd dreigen te worden, nog onvoldoende was weggenomen om het huisverbod niet te verlengen.

De raadsvrouwe van verzoekster heeft ter zitting de beroepsgrond dat verweerder heeft gehandeld in strijd met een zorgvuldige voorbereiding onderbouwd door te stellen dat zowel bij het opleggen als bij de verlenging van het huisverbod het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. De voorzieningenrechter stelt vast dat zowel bij het opleggen als bij het verlengen van het huisverbod verzoekster en haar echtgenoot zijn gehoord. Deze grond treft derhalve geen doel. Ook anderszins is niet gebleken dat het huisverbod en de verlenging door verweerder onzorgvuldig zijn voorbereid.

Ten aanzien van de beroepsgrond dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het beginsel van evenredige belangenafweging is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet is gebleken dat de belangen van verzoekster onvoldoende zijn meegewogen bij de bij het besluit tot het opleggen van een huisverbod betrokken belangen. Gelet op het geweld dat door verzoekster was gebruikt en de dreiging die van verzoekster, die op dat moment niet voor rede vatbaar was, uitging, behoefde verweerder aan haar belang om in de echtelijke woning te blijven niet de doorslag te geven. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat verzoekster de beschikking heeft over vervangende woonruimte.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen.

Het beroep wordt, gelet op het voorgaande, ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Er is geen aanleiding een van de partijen te veroordelen in de proceskosten.

3 Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond,

wijst het verzoek tot schadevergoeding af

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. M.J.M. Marseille, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter en door deze en A.J.M. de Ronde, griffier, ondertekend.

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2009.