Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ9345

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
06-10-2009
Zaaknummer
322806 / HA ZA 09-182
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvaring van twee binnenschepen in monding Oostbuitenhaven Terneuzen. Toepasselijke reglementen, voorrangsregels; betekenis gebodsbord. Niet inachtnemen voorzorgsmaatregelen volgens goede zeemanschap. Schuldverdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2011/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 322806 / HA ZA 09-182

Uitspraak: 23 september 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

de vereniging VERENIGING ORANJE ONDERLINGE VERZEKERING VAN SCHEPEN U.A.,

gevestigd te Groningen,

eiseres,

advocaat mr E.A. Bik,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr T. Roos.

Partijen worden hierna aangeduid als "Vereniging Oranje" respectievelijk "[gedaagde]".

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 3 december 2008;

- akte houdende overlegging producties van Vereniging Oranje, met producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 29 april 2009, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

- brief van mr Roos d.d. 31 augustus 2009, met bijgevoegde foto's;

- brief van mr Roos d.d. 3 september 2009, met bijgevoegde DVD met de beelden van de

walradar en de opnames van de marifoongesprekken;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 8 september 2009, met de ter

gelegenheid van de comparitie van partijen door de raadslieden overgelegde

spreekaantekeningen en door mr Bik overgelegde productie.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1

Op 27 april 2006 heeft omstreeks 5:01 uur bij de havenmond van de Oosthaven te Terneuzen en de Westerschelde een aanvaring plaatsgevonden tussen het [schip 1], eigendom van [bedrijf 1] te Ouderkerk aan den IJssel en haar vennoten, en het

[schip 2], eigendom van [gedaagde].

2.2

De cascoschade van de [schip 1] als gevolg van de aanvaring bedroeg € 13.365,-. Daarvan is ingevolge verzekeringsovereenkomst € 12.117,- vergoed door Vereniging Oranje, terwijl het eigen risico voor [bedrijf 1] € 1.248,- bedroeg. [bedrijf 1] en haar vennoten hebben aan Vereniging Oranje last gegeven dit laatste bedrag voor hen te innen.

De expertisekosten voor het vaststellen van deze cascoschade bedroegen € 970,- en de kosten voor het verkrijgen van de incidentregistratie en kosten van rechtsbijstand bedroegen (ten minste) € 3.095,-. Ook deze zijn door Vereniging Oranje betaald. Daarnaast heeft Vereniging Oranje nog € 1.111,- betaald ter zake van kosten van rechtsbijstand.

3. De vordering

3.1

De vordering luidt dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. voor recht zal verklaren dat Vereniging Oranje voor 75% en [gedaagde] voor 25% schuldig is aan deze aanvaring [kennelijk is bedoeld: dat [gedaagde] voor 75% en [bedrijf 1] met haar vennoten voor 25% schuldig is aan de aanvaring; de rechtbank leest het laatste voor het eerste] en dat de schade geleden door partijen dienovereenkomstig dient te worden afgewikkeld,

2. dan wel een andere schuldverhouding tussen partijen vast zal stellen,

3. de schade ten belope van € 18.541,- met rente op basis van de vastgestelde schuldverhouding zal toewijzen,

4. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.

3.2

Vereniging Oranje heeft aan de vordering - zakelijk samengevat - de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

1. op basis van de toedracht van de aanvaring en gelet op de ter plaatse geldende regels en gewoontes dient de schuldverdeling te worden bepaald op 75-25 in het nadeel van de [schip 2]/[gedaagde];

2. de totale, bij de afwikkeling in aanmerking te nemen schade aan de zijde van de [schip 1] bedraagt € 18.541,-.

4. Het verweer

4.1

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Vereniging Oranje in de kosten van het geding.

4.2

[gedaagde] heeft daartoe - kort weergegeven - het volgende aangevoerd:

1. de aanvaring is veroorzaakt door de vaarwijze en schuld van de [schip 1], terwijl de [schip 2] geen verwijt treft;

2. van de advocaatkosten wordt de post ad € 1.111,- niet erkend, nu het daarbij gaat om werkzaamheden die hebben gediend ter voorbereiding van de procedure.

5. De beoordeling

5.1

Op grond van de incidentregistratie van verkeerspost Terneuzen met beelden van de walradar en de gevoerde marifoongesprekken, in samenhang met hetgeen door partijen naar voren is gebracht, kan van het navolgende worden uitgegaan.

(1) De [schip 1] voer op de ochtend van 27 april 2006 afvarend op de Westerschelde en wilde de voor haar aan bakboord gelegen Oostbuitenhaven bij Terneuzen invaren, op weg naar de Oostsluis. De [schip 2] kwam uit de Oostsluis en wilde via de Oostbuitenhaven naar stuurboord de Westerschelde opvaren in de richting van Hansweert.

(2) Om 4:54 uur meldde de [schip 1] zich bij verkeerspost Terneuzen. De verkeerspost deelde aan de [schip 1] mee dat zij bestemd was voor de Oostsluis, dat er uit deze sluis net een binnenschip kwam dat richting Hansweert zou gaan en dat de [schip 1] dus door kon komen. De [schip 1] zei:"even kijken hoe dat uitkomt met die uitvaart die richting Hansweert gaat".

(3) Om 4:58 uur meldde de [schip 2] aan verkeerspost Terneuzen dat zij de Oostsluis was uitgevaren en richting Hansweert zou gaan. De verkeerspost deelde aan de [schip 2] (onder meer) mee dat er afvarige binnenvaart was op 750 meter, die zo naar binnen kwam.

De [schip 2] bevestigde dat zij dit had begrepen. Desgevraagd deelde de verkeerspost verder aan de [schip 2] mee dat er op de Westerschelde een ebstroom stond.

(4) Na haar gesprek met de verkeerspost verminderde de [schip 1] haar snelheid geleidelijk vanaf ongeveer 11 knoop. De [schip 1] voer naar bakboord, in de richting van de havenmond, waarbij zij het vaarwater overstak, op een zodanige koers dat zij de Oostbuitenhaven dicht langs het oostelijke havenhoofd zou invaren.

(5) De [schip 2] voer in haar stuurboordshelft van de Oostbuitenhaven op een ongeveer noordelijke koers in de richting van de havenmond en bouwde snelheid op tot circa 5,5 knoop.

(6) In de havenmond raakten de schepen elkaar stuurboord op stuurboord. De aanvaring vond plaats ongeveer op de grens tussen de Westerschelde en de Oostbuitenhaven.

(7) Kort voor de aanvaring had de verkeerspost nog tweemaal de [schip 1] opgeroepen en had zij aan de [schip 1] gevraagd of deze de uitvaart had gezien. De [schip 1] had daarop niet geantwoord. De [schip 1] en de [schip 2] hadden onderling geen marifooncontact gezocht. De schepen hadden kennelijk geen maatregelen genomen om een aanvaring te voorkomen, met name door roer- en machinemanoeuvres.

(8) Op de Westerschelde gold het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990. In de Oostbuitenhaven gold - tot aan de denkbeeldige lijn getrokken over de koppen van de havenhoofden - het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen.

In de Oostbuitenhaven was voor het verkeer vanuit de Oostsluis naar de Westerschelde een verlicht bord B.9a van bijlage 5 bij laatstgenoemd reglement geplaatst.

5.2

Uit het voorgaande blijkt dat beide schepen tijdig op de hoogte waren gesteld van de aanwezigheid en vaarrichting van het andere schip. Zij wisten aldus dat zij elkaar zouden ontmoeten, waarschijnlijk in of nabij de monding van de Oostbuitenhaven.

5.3

Partijen zijn het oneens over de voor deze situatie geldende voorrangsregels en over ter plaatse geldende gebruiken.

5.4

Het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990 bevat geen regels die hier van toepassing zijn. Art. 9 lid 4 onder b ziet op het niet hinderen door een schip dat de vaargeul van de Westerschelde wil binnenvaren van een schip dat in die vaargeul vaart en ervan de richting volgt, derhalve op het niet hinderen van doorgaande vaart op de Westerschelde; de [schip 1] was echter geen doorgaande vaart. Art. 6 lid 4a ziet op schepen die elkaar in een bocht van het vaarwater van de Westerschelde naderen op tegengestelde koersen; de [schip 2] voer echter nog niet in het vaarwater van de Westerschelde.

5.5

Het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen geeft in art. 9 lid 3 regels enerzijds voor een schip dat het kanaal wil binnenvaren ten opzichte van een schip dat in het kanaal vaart en de richting ervan volgt, en anderzijds voor een schip dat de Westerschelde invaart ten opzichte van een schip dat dit vaarwater in gestrekte koers volgt. Ook deze regels zijn kennelijk niet bedoeld voor de zich hier voordoende situatie, waarbij de [schip 2] nog wel in het kanaal voer maar op het punt stond dit bij de monding te verlaten en waarbij de [schip 1] op de Westerschelde bezig was dit vaarwater te verlaten.

5.6

In het Kanaal van Gent naar Terneuzen was het gebodsteken B.9a geplaatst, dat gold voor de [schip 2]. De betekenis daarvan luidde: Verplichting niet het hoofdvaarwater op te varen of over te steken, indien daardoor schepen op het hoofdvaarwater zouden worden genoodzaakt hun koers of snelheid te wijzigen. In bijlage 7 bij het Binnenvaart Politiereglement staat ditzelfde gebodsteken B.9a met dezelfde omschrijving van de betekenis, waarbij echter tevens wordt verwezen naar art. 6.16 lid 8 BPR, dat bepaalt dat, ingeval langs een haven of een nevenvaarwater voor de uitmonding daarvan in het hoofdvaarwater dit teken wordt getoond, een schip dat uit deze haven of dit nevenvaarwater komt voorrang moet verlenen aan een schip op het hoofdvaarwater. Bij deze omschrijving van de betekenis van het gebodsteken wordt geen beperking aangebracht ten aanzien van het schip dat zich op het hoofdvaarwater bevindt, in die zin dat dit het hoofdvaarwater in gestrekte koers volgt (of daarvan de richting volgt). Datzelfde geldt voor het bepaalde in

art. 6.16 lid 8 BPR. In het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen ontbreekt een dergelijke bepaling.

5.7

De rechtbank leidt uit een en ander af dat het in het kanaal geplaatste bord B.9a was bedoeld om eenzelfde regeling te geven als die van art. 6.16 lid 8 BPR, waarbij het schip dat uit de Oostbuitenhaven komt voorrang moet verlenen aan een schip op de Westerschelde en dat het daarbij niet uitmaakt of het schip dat zich op de Westerschelde bevindt daarvan de richting volgt dan wel bezig is de Westerschelde te verlaten en de Oostbuitenhaven in te varen.

5.8

Dat betekent dat de [schip 2] voorrang had behoren te verlenen aan de [schip 1] en dat de [schip 2], door dat niet te doen, schuld heeft aan de aanvaring.

5.9

Voor beide schepen gold de algemene verplichting alle voorzorgsmaatregelen te nemen die volgens de goede zeemanschap geboden waren om het gevaar voor aanvaring te onderkennen en te voorkomen en om daartoe alle beschikbare middelen te gebruiken (vergelijk de artikelen 3, 5, 7 en 8 van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990 en het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen).

5.10

In dit geval betekende dit dat de schippers van de [schip 2] en de [schip 1], die van elkaars aanwezigheid en van een mogelijk gevaar voor aanvaring op de hoogte waren, doch die elkaar kennelijk (vanwege laag water en de hoogte van de havendam) niet konden waarnemen, al dan niet via de verkeerspost, over de marifoon met elkaar contact hadden moeten opnemen om door het maken van afspraken een gevaarlijke situatie te voorkomen.

Deze verplichting gold voor de [schip 2] die aan de [schip 1] voorrang zou moeten verlenen en die wist dat de [schip 1] met de ebstroom mee de Oostbuitenhaven zou gaan invaren en ermee rekening moest houden dat de [schip 1] bij het aanvaren van de havenmond eerst naar haar bakboordshelft van de Westerschelde zou oversteken om dan de haven in te varen zonder de kans te lopen te ver benedenstooms uit te komen en daarom langs het oostelijke havenhoofd zou willen varen. Volgens de (kennelijk slechts gedeeltelijk) overgelegde beschouwing van [registerloods] voltrekt het aanlopen van deze haven zich onder de gegeven omstandigheden in de regel in een dergelijke vloeiende vaarbeweging.

Er is geen concrete informatie in het geding gebracht waaruit het tegendeel kan worden afgeleid en die erop wijst dat de [schip 2] op de vaarwijze van de [schip 1] niet bedacht hoefde te zijn.

De juistbedoelde verplichting gold ook voor de [schip 1], welk schip weliswaar niet voorrangsplichtig was doch wel voornemens was de Oostbuitenhaven op korte afstand van het oostelijke havenhoofd in te varen, terwijl zij kon verwachten dat de [schip 2] daar - aan haar stuurboordszijde van het vaarwater - ook langs zou gaan varen.

5.11

De rechtbank concludeert dat beide schepen zijn tekortgeschoten in hun hiervoor aangegeven algemene voorzorgsverplichtingen.

5.12

Aan de zijde van de [schip 1] is nog aangevoerd dat aldaar de vaste gewoonte bestaat dat de uitvaart uit de Oostbuitenhaven wacht op de voorstrooms varende invaart vanaf de Westerschelde. Door [gedaagde] is het bestaan van die gewoonte ontkend. De rechtbank laat dit geschilpunt in het midden, omdat het voor de schuldvraag niet van werkelijke betekenis is, nu de [schip 2] ingevolge het gebodsbord al verplicht was aan de [schip 1] voorrang te verlenen.

5.13

Het verwijt dat de [schip 1] te snel zou hebben gevaren wordt van de hand gewezen. Volgens de incidentregistratie was de snelheid van de [schip 1] ten tijde van de aanvaring ongeveer 6 à 7 knoop. Dat dit teveel zou zijn wordt niet voldoende onderbouwd.

5.14

Bij afweging van de ernst van de wederzijdse fouten komt de rechtbank tot een schuldverhouding van 75% tegen 25% ten nadele van de [schip 2]. Op deze basis dienen partijen de schade aan de zijde van de [schip 1] af te wikkelen.

5.15

Van deze schade is € 17.430,- door [gedaagde] erkend. Betwist is een bedrag van € 1.111,- aan advocaatkosten voor het verkrijgen van de radarbeelden, nu het daarbij zou gaan om werkzaamheden die hebben gediend ter voorbereiding van de procedure.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De kosten van het verkrijgen van de radarbeelden (incidentregistratie) kunnen worden beschouwd als kosten die redelijkerwijs moesten worden gemaakt voor het verzamelen van bewijs ter vaststelling van de aansprakelijkheid. Datzelfde geldt voor de kosten die verband houden met het bekijken van de radarbeelden. De redelijke omvang van deze advocaatkosten is niet omstreden.

Derhalve kan de totale schade van de [schip 1] worden gesteld op € 18.541,-. Daarvan dient 75% ofwel € 13.905,75 door [gedaagde] te worden vergoed.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij - die bovendien vóór dagvaarding een minnelijke regeling op basis van dezelfde schuldverhouding had afgewezen - worden veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing

De rechtbank,

verklaart voor recht dat de [schip 2] ([gedaagde]) voor 75% en de [schip 1] ([bedrijf 1] met haar vennoten) voor 25% schuld heeft aan de aanvaring en dat de door partijen daardoor geleden schade dienovereenkomstig dient te worden afgewikkeld;

veroordeelt [gedaagde] om aan Vereniging Oranje te betalen € 13.905,75, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 april 2006 tot de dag van betaling;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van Vereniging Oranje begroot op € 410,- aan vast recht, € 85,44 aan overige verschotten en

€ 904,- aan salaris van de advocaat;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

ontzegt het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr Van Zelm van Eldik.

Uitgesproken in het openbaar.

10.