Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ9341

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
06-10-2009
Zaaknummer
222526 /HA ZA 04-2300
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over eigendom vliegtuig en brandstof daarin. Bewijsbeoordeling van eigendom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 222526 /HA ZA 04-2300

Uitspraak: 30 september 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

gevestigd te St. John's, Antigua and Barbuda,

eiseres,

advocaat mr W.J. Hengeveld,

- tegen -

1. [gedaagde 1],

gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

2. [gedaagde 2],

gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

3. [gedaagde 3],

gevestigd te Gatwick, West Sussex, Verenigd Koninkrijk,

4. [gedaagde 4],

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

5. [gedaagde 5],

gevestigd te Crawley, West Sussex, Verenigd Koninkrijk,

gedaagden,

advocaat mr E.M. van der Heijden,

Eiseres wordt hierna aangeduid als "[eiseres]"; gedaagden worden hierna afzonderlijk aangeduid als "[gedaagde 1]", "[gedaagde 2]", "[gedaagde 3]", "[gedaagde 4]" en "[gedaagde 5]" en samen als "[gedaagden]".

1. Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- vonnis d.d. 28 mei 2008 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- akte van [eiseres], met producties;

- akte na niet gehouden enquête van [gedaagden];

- akte tot wijziging van eis van [eiseres];

- akte houdende bezwaar tegen eiswijziging van [gedaagden];

- beslissing van de rechtbank d.d. 28 mei 2008;

- proces-verbaal van het op 21 oktober 2008 gehouden getuigenverhoor;

- conclusie na enquête van [eiseres], met producties;

- akte houdende inbreng producties van [eiseres], met productie;

- conclusie na enquête van [gedaagden], met productie.

2. De verdere beoordeling

2.1

In het vonnis van 28 maart 2007 was [eiseres] toegelaten te bewijzen dat zij ten tijde van de beslagleggingen in februari 2004 eigenaar was van het vliegtuig en de zich daarin bevindende brandstof.

2.2

Ingevolge die bewijsopdracht heeft [eiseres] een aantal producties in het geding gebracht.

[gedaagden] heeft als getuige doen horen: [getuige 1] en [getuige 2], directeur en aandeelhouder van [eiseres], [bedrijf 1] en [bedrijf 2].

2.3

De rechtbank acht [eiseres] geslaagd in het bewijs dat zij ten tijde van de beslagleggingen in februari 2004 eigenaar was van het vliegtuig. Naast de in het vonnis van 28 maart 2007 onder 7.3 genoemde feiten en omstandigheden, berust dit oordeel op enkele overgelegde stukken die eerder ontbraken en op de verklaring van [getuige 2] die goed aansluit op de overgelegde stukken en deze van een nadere toelichting voorziet.

Hoewel er enige ongerijmdheden kunnen worden aangewezen, die niet stroken met de eigendom van [eiseres] doch erop zouden kunnen wijzen dat het vliegtuig toebehoorde aan (met name) [bedrijf 2] of [bedrijf 3], zijn deze tegenover hetgeen overigens is gebleken onvoldoende zwaarwegend om tot een ander oordeel te komen.

Ook de verklaring van [getuige 1] legt niet voldoende tegenwicht in de schaal. Daarbij is onder meer van belang dat diens communicatie met de bemanning zeer moeilijk verliep omdat de vluchtkapiteins heel gebrekkig Engels spraken en dat registratiedocumenten van het vliegtuig niet aan hem ter inzage werden gegeven. Bovendien heeft de bemanning niet aan [getuige 1] gezegd dat [bedrijf 1] de eigenaar was van het vliegtuig.

Op grond van overgelegde stukken is voldoende aannemelijk dat de handelsnaam [bedrijf 1] (of CBJ) in augustus 2003 was verkocht aan [bedrijf 2].

2.4

Voor de door [gedaagden] voorgestane vereenzelviging van [eiseres], [bedrijf 1] en [bedrijf 2] is geen goede grond gelegen in de positie van [getuige 2] bij deze drie vennootschappen, hun overeenkomende adressen en de gebleken gedragingen van deze vennootschappen. Ook kan niet worden gezegd dat [gedaagden] op grond van de gedragingen van [eiseres] of aan [eiseres] toe te rekenen gedragingen van anderen redelijkerwijs mocht aannemen dat het vliegtuig eigendom was van [bedrijf 1].

2.5

Het hiervoor gegeven oordeel leidt ertoe dat de beslaglegging op het vliegtuig door [gedaagden], die geen vordering had op [eiseres], jegens [eiseres] onrechtmatig was. [gedaagden]

is gehouden tot vergoeding van de schade die [eiseres] daardoor heeft geleden. Dat [eiseres] mogelijk schade heeft geleden is genoegzaam aannemelijk. Voor een beroep op eigen schuld van [eiseres] is - naast het voorgaande - onvoldoende gesteld of gebleken.

2.6

Kennelijk stelt [eiseres] zich thans primair op het standpunt dat zij niet ook de eigendom had van de zich in het vliegtuig bevindende brandstof (zie akte [eiseres] 5 december 2007 onder 1.6 en 5.1; vergelijk dagvaarding onder 3 en 11). Dat [eiseres] eigenaar was van de brandstof, zoals zij subsidiair meent, is niet gebleken. Dit volgt niet uit het enkele feit dat zij de eigendom had van het vliegtuig en ook wat [eiseres] in dit verband verder nog heeft aangevoerd kan dit subsidiaire standpunt niet dragen.

Wel is voldoende duidelijk geworden dat [bedrijf 1] evenmin eigenaar was van de brandstof. Dat betekent dat de beslaglegging voor vorderingen op [bedrijf 1] ook in zoverre als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

2.7

Het vorenstaande betekent dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden toegewezen als hierna vermeld. De bankgarantie die is afgegeven ter opheffing van de onrechtmatige beslagen ten laste van [bedrijf 1] als beslagdebiteur, dient te worden teruggegeven, waaraan niet afdoet dat [gedaagden] wel een vordering had op [bedrijf 1] en dat de garantie mede was gesteld ten behoeve van [bedrijf 1] als schuldenaar. Uit de tussen de betrokken partijen op 20 februari 2004 gesloten overeenkomst (productie 4 bij dagvaarding) en het kortgedingvonnis d.d. 24 februari 2004 onder 3.8, in samenhang met de vaststaande feiten en de stellingen van partijen, kan worden afgeleid dat het de bedoeling was dat [eiseres] in rechte teruggave van de bankgarantie zou kunnen vorderen en dat daartoe in een bodemprocedure bij deze rechtbank zou worden geprocedeerd over de vraag of de beslagen al dan niet onrechtmatig waren gelegd. De garantie strekte tot zekerheid voor de betaling van de vordering op [bedrijf 1] voor zover de beslagen rechtmatig zouden blijken te zijn. Daaruit volgt dat indien zou worden vastgesteld dat de beslagen onrechtmatig waren, de garantie zou moeten worden teruggegeven.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt. Er zijn onvoldoende redenen gesteld of gebleken om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3. De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagden] (ieder van haar) om de originele bankgarantie d.d. 20 februari 2004 binnen drie dagen nadat het vonnis aan ieder van haar is betekend af te geven aan [eiseres] of haar advocaat, op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag tot een maximum van € 70.000,-;

verklaart voor recht dat het vliegtuig en de zich daarin bevindende brandstof ten tijde van de beslagen niet aan [bedrijf 1] toebehoorden;

verklaart voor recht dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiseres] door beslag te leggen op het vliegtuig en de daarin aanwezige brandstof;

veroordeelt [gedaagden] tot vergoeding van de schade die [eiseres] ten gevolge van de beslagen heeft geleden, nader op te maken bij staat;

veroordeelt [gedaagden] in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 241,- aan vast recht, € 224,58 aan overige verschotten en € 2.486,- aan salaris van de advocaat;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

ontzegt het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr Van Zelm van Eldik.

Uitgesproken in het openbaar.

10.