Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ9311

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-10-2009
Datum publicatie
05-10-2009
Zaaknummer
10-613134-08 en 10-610162-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0347, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft samen met anderen drie gewapende overvallen gepleegd, waarbij diverse goederen en geldbedragen zijn buitgemaakt. Bij deze overvallen hebben de verdachte en zijn medeverdachten op uiterst koelbloedige wijze geweld gebruikt tegen de aanwezigen en/of de aanwezigen bedreigd met vuurwapens en/of met een mes. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de groepsverkrachting van een jonge vrouw. Het slachtoffer is met geweld en met bedreiging met geweld een woning ingesleurd. Vervolgens is het slachtoffer door de verdachte en zijn medeverdachten verkracht. Bij de verkrachting werden er diverse bedreigingen geuit jegens het slachtoffer en werd er een pistool op haar hoofd gericht en in haar mond gehouden. Tijdens de groepsverkrachting heeft de verdachte gedreigd het slachtoffer te slaan met een riem en een schroevendraaier tegen haar gezicht gehouden. Het hele gebeuren heeft een aantal uren in beslag genomen.

De rechtbank is van oordeel dat de justitiële voorgeschiedenis van de verdachte en de over hem uitgebrachte rapporten geen andere conclusie toelaat dan dat bij hem ten tijde van de onderhavige feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en dat de verdachte mede onder invloed daarvan tot zijn daden is gekomen. De omstandigheid dat door de weigerachtige houding van de verdachte bij de onderzoeken geen duidelijke diagnose gesteld kon worden maakt dit niet anders. Als de verdachte niet behandeld wordt zal hij zich vrijwel zeker opnieuw schuldig maken aan ernstige strafbare feiten van gewelddadige aard. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen eisen dat aan de verdachte - naast gevangenisstraf - tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 55, geldigheid: 2009-10-01
Wetboek van Strafrecht 242, geldigheid: 2009-10-01
Wetboek van Strafrecht 312, geldigheid: 2009-10-01
Wetboek van Strafrecht 317, geldigheid: 2009-10-01
Wetboek van Strafrecht 37a, geldigheid: 2009-10-01
Wetboek van Strafrecht 37b, geldigheid: 2009-10-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummers: 10/613134-08 en 10/610162-08

Datum uitspraak: 1 oktober 2009

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaken tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Midden Holland, De Geniepoort te Alphen aan den Rijn,

raadsvrouw mr. S.R. Kwee, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 september 2009, 16 september 2009 en van 17 september 2009.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met de parketnummers 10/613134-08 en 10/610162-08, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie zijn gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlasteleggingen is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De rechtbank heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. De rechtbank zal die nummering in dit vonnis en in de bijlage aanhouden.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Rebel heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) jaar met aftrek van voorarrest, alsmede ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Feit 6

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging, aangezien de betrokken opsporingsambtenaren niet dan wel niet voldoende conform de regels zoals neergelegd in de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (hierna: “de Aanwijzing”) hebben gehandeld. Hierdoor zijn de waarborgen die in deze aanwijzing besloten liggen geschonden.

De raadsvrouw wijst in dit verband op het feit dat het informatieve gesprek dat op 7 mei 2008 met [slachtoffer 1] heeft plaatsgehad eerst op 31 maart 2009 is gerelateerd in een proces-verbaal. Voorts is niet te controleren of de aangifte op band is opgenomen, nu de bandopname van de middag van 7 mei 2008 er niet is. Ook is er geen zedenkit bij [slachtoffer 1] afgenomen en is haar moeder - en daarmee een vertrouwenspersoon - bij het opnemen van de aangifte van 23 april 2008 aanwezig geweest. In het voorbereidend onderzoek is derhalve niet, dan wel niet voldoende zorgvuldig gehandeld, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Het informatieve gesprek met [slachtoffer 1] van 7 mei 2008 in de ochtend is audiovisueel vastgelegd. Op 14 mei 2008 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van verkrachting, hetgeen eveneens audiovisueel is vastgelegd. De verdediging is in de gelegenheid gesteld van deze verhoren kennis te nemen. Voorts is op verzoek van de verdediging het informatieve gesprek later uitgewerkt in een proces-verbaal van bevindingen (d.d. 31 maart 2009, nummer 2008160064-30, onderzoek Bilderdijkstraat (2), zaaksdossier “Verkrachting”).

De Aanwijzing schrijft niet voor dat het slachtoffer van een zedenmisdrijf zich dient te onderwerpen aan een medisch onderzoek. Wel moet het slachtoffer op de mogelijkheid van een medisch onderzoek worden gewezen. Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 april 2008 (PL1583/2008/9373-4) van de politie Haaglanden blijkt dat de betrokken verbalisanten [slachtoffer 1] de mogelijkheden hebben uitgelegd en haar de zedenfolder hebben toegestuurd. Voorts wordt uit voornoemd proces-verbaal afgeleid dat de betrokken verbalisanten hebben geoordeeld dat het afnemen van een zedenkit bij [slachtoffer 1] op dat moment weinig zinvol was.

Ten aanzien van de stelling van de raadsvrouw dat [slachtoffer 1]’s moeder, [getuige 1], bij de aangifte van [slachtoffer 1] op 23 april 2008 aanwezig is geweest en later als getuige is gehoord, overweegt de rechtbank als volgt.

Op 23 april 2008 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van wederrechtelijke vrijheidsberoving, bedreiging en diefstal. Daarbij kwam ook aan orde dat [slachtoffer 1] door een groep jongens zou zijn verkracht. [slachtoffer 1] wilde op dat moment vooralsnog geen aangifte doen van verkrachting. Aangezien de aangifte werd opgenomen door een niet gecertificeerde zedenrechercheur, werd [slachtoffer 1] voor het doen van aangifte van verkrachting verwezen naar Rotterdam, alwaar zij op 14 mei 2008 aangifte heeft gedaan van verkrachting. Haar moeder was daar niet bij aanwezig.

Van handelen in strijd met de Aanwijzing is gelet op een en ander derhalve geen sprake. Voorts zijn er geen aanwijzingen dat door de betrokken opsporingsambtenaren tijdens het vooronderzoek onzorgvuldig is gehandeld, noch dat de verdachte in enig opzicht in zijn belangen is geschaad. Het beroep van de raadsvrouw op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wordt dan ook afgewezen.

Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Het onder 7 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen nu niet is komen vast te staan dat de verdachte en/of zijn medeverdachte(n) ten tijde van het verwerven ofwel ten tijde van het voorhanden krijgen van de bromfiets (merk/type Peugeot Fight) (met kenteken [kenteken 1]) wist(en) dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen bromfiets betrof. De verdachte wordt derhalve van dit feit vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 13 mei 2008 te Capelle aan den IJssel en Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf diefstal met geweld en/of afpersing, opzettelijk vuurwapens en daarbij behorende munitie en een auto (merk: Volkswagen, type: Golf, kenteken [kenteken 2]) en handschoenen, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf/die misdrijven, voorhanden heeft gehad.

2.

hij op 13 mei 2008 te Capelle aan den IJssel en Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II, onder 3° en een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III, onder 1° en een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten

- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet, nl een vuurwapen dat zodanig is vervaardigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is, te weten een verkort vuurwapen (een hagelgeweer van het merk SAVAGE, model 940 E) en

- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk Tanfoglio, model Gt-28, kaliber 8 mm oorspronkelijk (gewijzigd in 6,35 mm) en

- een alarm- c.q. startpistool (merk KIMAR, model Lady K, 8 mm),

en

munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten

- vier hagelpatronen, kaliber 20 Gauge en

- zeventien kogelpatronen, kaliber .25 AUTO (gelijk aan 6,35 mm) en

- drie alarm- c.q. knalpatronen, kaliber 8 mm

voorhanden heeft gehad.

3.

hij op 24 april 2008 te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld toebehorende

aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en andere in café [café 1] aanwezige personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken ,

en

met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot de afgifte van geld en een portemonnee (met inhoud), toebehorende aan die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] voornoemd

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit

- het tonen van vuurwapens en/of van op vuurwapensgelijkende voorwerpen en

- het richten van die vuurwapens en/of die daarop gelijkende voorwerpen op genoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en andere in café [café 1] aanwezige personen en

- het met een vuurwapen slaan tegen het hoofd van die [slachtoffer 4] en

- daarbij de woorden toevoegen "liggen en je geld" en "je portemonnee" en "alles afgeven" en "allemaal rustig blijven", "geld, geld, portemonnees erin" en "op de grond liggen".

4.

hij in de periode van 24 april 2008 tot en met 25 april 2008 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld entelefoons en een horloge en een (gouden) bril, toebehorende aan [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] en/of café [café 2], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en zijn mededaders,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 6] en/of die [slachtoffer 7] en/of die [slachtoffer 8] en andere in genoemd café aanwezige personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit

- het tonen van een mes en vuurwapens en/of op vuurwapens gelijkende voorwerpen en

- het richten van die vuurwapens en/of die op vuurwapens gelijkende voorwerpen op genoemde [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en andere in genoemd café aanwezige personen en

- het aan de trui meetrekken van [slachtoffer 6] en

- daarbij de woorden toevoegen "dit is een overval" en "mond houden" en "kassa openmaken, geld geld".

5.

hij op 8 mei 2008 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld en een hoeveelheid softdrugs, toebehorende aan coffeeshop [coffeeshop], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of andere in genoemde coffeeshop aanwezige personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

en

met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 11] heeft gedwongen tot de afgifte van geld , toebehorende aan coffeeshop [coffeeshop], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders,

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit

- het tonen van vuurwapens en/of op vuurwapens gelijkende voorwerpen en

- het richten van die vuurwapens en/of die op vuurwapens gelijkende voorwerpen op genoemde [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] en andere in genoemde coffeeshop aanwezige personen en

- het geven van een klap op het hoofd van die [slachtoffer 10] en

- (daarbij) de woorden toevoegen "draai je om" en "waar is de wiet" en "blijf rustig, blijf liggen".

6.

hij op of omstreeks 21 april 2008 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, door geweld en andere feitelijkheden en door bedreiging met geweld iemand, te weten [slachtoffer 1], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk;

- (telkens) brengen van zijn, verdachtes, penis en de penissen van zijn mededaders in de vagina van die [slachtoffer 1] en

- (telkens) brengen van zijn, verdachtes, penis en de penissen van zijn mededaders in de mond van die [slachtoffer 1],

waarbij het geweld en de andere feitelijkheden en de bedreiging met geweld hebben bestaan uit het ;

- die [slachtoffer 1] duwen en/of trekken in de richting van de portiek, althans de woning en

- het omsingelen van die [slachtoffer 1] en

- betasten van het lichaam van die [slachtoffer 1] en

- tonen/voorhouden van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en

- dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp richten op het hoofd van die [slachtoffer 1] en

- het houden van dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de mond van die [slachtoffer 1] en

- die [slachtoffer 1] dreigend toespreken met de woorden: "doe je t-shirt uit, anders ga ik je slaan met het pistool" en "moet ik nu gaan schieten dan" en "ik kan je ook vermoorden, dan spat het zo helemaal op de muur, dat bloed vegen we wel weg" en "doe je kettingen af", althans woorden van een dergelijke (dreigende) aard en/of strekking en

- filmen van die [slachtoffer 1] en

- de broek, althans de kleding van die [slachtoffer 1] uittrekken en

- op het lichaam van die [slachtoffer 1] gaan zitten en

- dreigen met een riem te slaan in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] en

- houden van een schroevendraaier in/op/tegen het gezicht van die [slachtoffer 1] en

- tezamen met een of meer van zijn, verdachtes, medeverdachten een dusdanig overwicht op die [slachtoffer 1] uitoefenen, dat zij werd belemmerd in haar mogelijkheden tot verzet.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSOVERWEGING MET BETREKKING TOT DE FEITEN 1 EN 2

Op 13 mei 2008 zijn de verdachte, [getuige 2], [medeverdachte 1] (medeverdachte) en [medeverdachte 2] (medeverdachte) aangehouden terwijl zij in een door [getuige 2] bestuurde auto zaten. [medeverdachte 2] zat als bijrijder in die auto met [medeverdachte 1] achter hem en de verdachte achter de bestuurder. In de auto werden aangetroffen: drie vuurwapens (één in een roze tasje op de vloer voor de bijrijderstoel, één in een zwarte tas rechts achterin en één in een rode tas links achterin), bij die vuurwapens behorende munitie en handschoenen (zie proces-verbaal van bevindingen, nummer 08085132217.AMB, dossier Bilderdijkstraat 2, bladzijde 52 en proces-verbaal van bevindingen, nummer 2008160019-85, dossier Bilderdijkstraat 2, bladzijde 63).

Uit de bewezenverklaring van de feiten 3, 4 en 5 blijkt dat de verdachte samen met anderen voor 13 mei 2008 meerdere gewapende overvallen heeft gepleegd, te weten samen met genoemde [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Uit de verklaring van [getuige 2] van 15 mei 2008 (pagina 128) blijkt dat [medeverdachte 2] ten tijde van zijn aanhouding een klein tasje met een koord bij zich had, [medeverdachte 1] een zwarte tas en de verdachte een rode tas. Gelet op het vorenstaande kan uit de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken en het berichtenverkeer tussen de verdachte en zijn medeverdachten in samenhang met de observaties op 13 mei 2008 worden afgeleid dat zij op 13 mei 2008 bezig waren met het voorbereiden van een (gewapende) overval.

Zoals hierboven vermeld bevonden de drie vuurwapens zich in drie tassen. In twee tassen is tevens bijbehorende munitie aangetroffen. De bij het derde wapen behorende munitie is aangetroffen in een sok op de vloer van de auto.

Gelet op voormelde omstandigheden waaronder verdachte en zijn medeverdachten zijn aangehouden en op het feit dat zij gezamenlijk een (gewapende) overval aan het voorbereiden waren, is wettig en overtuigend bewezen dat zij de vuurwapens en bijbehorende munitie gezamenlijk voorhanden hebben gehad.

BESPREKING VAN DE VERWEREN

VERWEER TEN AANZIEN VAN HET VOORBEREIDEND ONDERZOEK

De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de aanhouding onrechtmatig is geweest, aangezien het voor de aanhouding vereiste redelijk vermoeden van schuld niet kan worden afgeleid uit hetgeen op 13 mei 2008, of de dagen daarvoor, is getapt of geobserveerd, zodat al het bewijs dat is verkregen naar aanleiding van die aanhouding van de verdachte en zijn medeverdachten van het bewijs dient te worden uitgesloten. Voorts is aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer 1] van 7 mei 2008 onvoldoende is om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld zodat de machtigingen om de telefoons van de verdachte en zijn medeverdachten af te tappen, alsmede de machtiging tot stelselmatige observatie onrechtmatig zijn verleend. Al het bewijs dat is verkregen naar aanleiding van de opgenomen en uitgeluisterde tapgesprekken tussen de verdachte en zijn medeverdachten, alsmede al het bewijs dat is verkregen naar aanleiding van de observaties, dient derhalve van het bewijs te worden uitgesloten, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

[slachtoffer 1] heeft op 7 mei 2008 een getuigenverklaring afgelegd tegenover de politie, waarin zij heeft verklaard dat de verdachte en zijn medeverdachten meerdere overvallen hebben gepleegd. [slachtoffer 1] heeft in haar verklaring specifieke gegevens waaronder bijnamen, telefoonnummers, adresgegevens en signalementen van de verdachte en zijn medeverdachten genoemd. Op dat moment vond er bij de politie Rotterdam-Rijnmond reeds onderzoek plaats naar een reeks gepleegde overvallen. De verklaring van [slachtoffer 1] in combinatie met de op dat moment voorhanden zijnde informatie deed de politie vermoeden dat het mogelijk dezelfde daders betrof. Hierop is nader onderzoek ingesteld naar de identiteit van de door [slachtoffer 1] genoemde personen en is de identiteit van deze personen vastgesteld, te weten die van de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1].

Aldus waren er feiten en omstandigheden waaruit een redelijk vermoeden van schuld, zoals bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering, voortvloeide, zodat er voldoende verdenking was voor het verlenen van de machtigingen tot het opnemen van telecommunicatie door middel van een technisch hulpmiddel zoals bedoeld in artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering, het verlenen van een machtiging tot stelselmatige observatie zoals bedoeld in artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering alsmede voor de aanhouding van de verdachte en zijn medeverdachten op 13 mei 2008. Van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek is geen sprake. Het verweer wordt verworpen.

VERWEER MET BETREKKING TOT DE FEITEN 3, 4 EN 5

De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte van het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken nu er geen steunbewijs is voor de verklaringen van de getuige [getuige 3]. Bovendien zijn die verklaringen ongeloofwaardig en onbetrouwbaar. De raadsvrouw heeft in dit verband opgemerkt dat de hand van de medeverdachte [medeverdachte 1] ten tijde van de onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten in het gips zat in verband met een gebroken vinger terwijl [getuige 3] tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dit niet te hebben waargenomen. Voorts is aangevoerd dat [getuige 3] heeft verklaard op 8 mei 2008 om ongeveer 00.30 uur bij het huis van zijn moeder te zijn aangekomen, terwijl de overval op Café [coffeeshop] volgens aangevers om omstreeks 00.45 uur heeft plaatsgevonden. Voorts werd de telefoon van [getuige 3] op 8 mei 2008 om 00.48 uur aangestraald door zendmast Spartastraat, terwijl de telefoon van de verdachte op dat tijdstip niet direct bij [getuige 3] in de buurt werd aangestraald, maar meer dan één kilometer verderop, door zendmast Mathenesserdijk. Derhalve is het zeer onwaarschijnlijk dat de getuige [getuige 3] en de verdachte zich op 8 mei 2008 om 00.48 uur op dezelfde plaats hebben bevonden, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De verklaringen van de getuige [getuige 3] zijn consistent en worden geloofwaardig geacht. In zijn algemeenheid wordt de verklaring van [getuige 3] ondersteund door de zendmastgegevens van de telefoons van [medeverdachte 2] en van [getuige 3]. Het gegeven dat de telefoon van [getuige 3] om 00.48 (kort na de overval op coffeeshop [coffeeshop], feit 5) wordt aangestraald door een zendmast op de Spartastraat en de telefoon van de verdachte door een zendmast op de Mathenesserdijk (pagina 189 van het zaaksdossier Nieuwe Binnenweg 3) sluit de door [getuige 3] geschetste gang van zaken niet uit. Temeer nu deze zendmasten zich relatief dicht bij elkaar bevinden en niet uitgesloten is dat personen die zich op dezelfde plek bevinden verschillende zendmasten aanstralen.

Voorts doet het feit dat [getuige 3] niet heeft gezien dat [medeverdachte 1] in het gips zat niet af aan zijn geloofwaardigheid. Niet vast te stellen is immers in hoeverre het gips van [medeverdachte 1], die op 20 april 2008 een vingerkootje van zijn linkerwijsvinger heeft gebroken, op 24 april en 8 mei 2008 zichtbaar was.

Kennelijk vergist [getuige 3] zich ten aanzien van een tijdstip nu hij op 27 mei 2008 (zijn eerste verklaring) verklaart dat hij op 8 mei 2008 om ongeveer 00.30 uur bij zijn moeder aankomt nadat hij verdachte en zijn medeverdachten heeft afgezet in de buurt van Marconiplein, terwijl de overval op coffeeshop [coffeeshop] volgens aangevers om 00.45 uur ’s nachts zou hebben plaatsgevonden.

Voorts worden de verklaringen van [getuige 3] ondersteund door de verklaringen van aangever(s) en/of getuige(n) van de onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde overvallen, inhoudende dat zij drie overvallers hebben waargenomen.

Het verweer ter zake van het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde wordt dan ook verworpen.

VERWEER MET BETREKKING TOT FEIT 6

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde subsidiair op het standpunt gesteld dat het hiervoor onder het kopje ‘ontvankelijkheid van de officier van justitie’ vermelde verweer, te weten dat gehandeld is in strijd met de Aanwijzing, tot gevolg dient te hebben dat het hierdoor vergaarde bewijsmateriaal, bestaande uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en haar moeder [getuige 1], van het bewijs dient te worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Zoals hiervoor onder het kopje ‘ontvankelijkheid van de officier van justitie’ is overwogen is er niet gehandeld in strijd met de Aanwijzing. Van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek is geen sprake. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om de verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige 1] van het bewijs uit te sluiten.

Het verweer wordt dan ook verworpen. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige 1] mogen voor het bewijs worden gebruikt.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

Medeplegen van voorbereiding van diefstal voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld en/of afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2.

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie;

3.

De voortgezette handeling van

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

4.

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

5.

De voortgezette handeling van

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

6.

Medeplegen van verkrachting;

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING / MOTIVERING MAATREGEL

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met anderen drie gewapende overvallen gepleegd, waarbij diverse goederen en geldbedragen zijn buitgemaakt. Bij deze overvallen hebben de verdachte en zijn medeverdachten op uiterst koelbloedige wijze geweld gebruikt tegen de aanwezigen en/of de aanwezigen bedreigd met vuurwapens en/of met een mes.

Verdachte is op heterdaad door de politie aangehouden toen hij samen met anderen onderweg was om opnieuw een overval te plegen. In de auto waarin zij reden zijn drie vuurwapens en munitie aangetroffen.

De verdachte heeft zich bij het plegen van deze delicten uitsluitend laten leiden door zijn verlangen naar geldelijk gewin en heeft zich op geen enkele manier bekommerd om de personen die slachtoffer zijn geworden van zijn handelen. Deze feiten zijn voor de slachtoffers zeer schokkend en angstaanjagend geweest. Het is een feit van algemene bekendheid dat veel slachtoffers van dergelijke delicten nog langdurig de psychisch nadelige gevolgen daarvan ondervinden. Daarnaast worden door feiten als de onderhavige de algemene gevoelens van onveiligheid in de samenleving vergroot.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de groepsverkrachting van een jonge vrouw. Het slachtoffer is met geweld en met bedreiging met geweld een woning ingesleurd. Vervolgens is het slachtoffer door de verdachte en zijn medeverdachten vaginaal en oraal verkracht. Bij de verkrachting werden er diverse bedreigingen geuit jegens het slachtoffer en werd er een pistool op haar hoofd gericht en in haar mond gehouden. Tijdens de groepsverkrachting heeft de verdachte gedreigd het slachtoffer te slaan met een riem en een schroevendraaier tegen haar gezicht gehouden. Het hele gebeuren heeft een aantal uren in beslag genomen. Met zijn handelen heeft de verdachte op buitengewoon brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hij heeft zijn eigen lust- en machtsgevoelens gesteld boven het belang van het slachtoffer en zich daarbij volstrekt niet bekommerd om haar gevoelens. Voor het slachtoffer moeten de gebeurtenissen buitengewoon vernederend, kwetsend en beangstigend zijn geweest. Daarbij kan als feit van algemene bekendheid worden aangenomen, dat slachtoffers van dit soort delicten vaak langdurig te lijden hebben van de tengevolge van deze delicten opgelopen trauma's en de daardoor veroorzaakte emotionele schade, zoals ook blijkt uit het faxbericht d.d. 11 september 2009 van de psycholoog van het slachtoffer. Daarbij veroorzaken zedendelicten als de onderhavige gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen.

De ernst van de feiten gebiedt in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Dit geldt zeker nu de verdachte al eerder voor strafbare feiten, waaronder berovingen, is veroordeeld.

De officier van justitie heeft gevorderd dat, naast gevangenisstraf, aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd. De verdachte heeft bezwaar gemaakt tegen oplegging van die maatregel.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

In deze zaak is over de verdachte gerapporteerd door de psychiater D.J. Vinkers. In diens rapport van 11 augustus 2008 wordt onder meer het volgende overwogen:

"Betrokkene heeft vanwege […] straatroven in 2004 een PIJ maatregel [plaatsing in een inrichting voor jeugdigen] opgelegd gekregen. Er zijn tijdens deze PIJ maatregel vier ernstige geweldsincidenten geweest, waarbij betrokkene agressief was naar groepsleiding of medegedetineerden [...] Voor het officiële einde van de PIJ maatregel is hij in maart 2008 op de resocialisatieafdeling gevlucht. Er is dus nog een openstaande PIJ maatregel van enkele maanden, maar het is de vraag of deze maatregel voldoende is om het recidiverisico te verminderen. Betrokkene heeft immers keer op keer bewezen dat hij zijn impulsieve en agressieve neigingen niet onder controle heeft. Hij heeft absoluut geen inzicht in het problematische van zijn gedrag. Betrokkene legt de schuld [...] buiten hemzelf. Van berouw is geen sprake. De gedragsproblemen bestaan vanaf jonge leeftijd. Het risico op recidive is zeer groot. Indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht, moet een maatregel worden overwogen [...] Wij adviseren [...] om betrokkene middels opname in het Pieter Baan Centrum verder te onderzoeken [...]. De onderzochte lijdt aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een intermitterende explosieve stoornis."

De verdachte heeft niet willen meewerken aan een onderzoek door de psycholoog M.H. de Groot. Deze deskundige heeft bij brief van 14 augustus 2008 opgemerkt dat - gelet op de feiten, op de eerdere PIJ-maatregel en op de bevindingen van psychiater Vinkers - rapportage in het Pieter Baan Centrum sterk overwogen dient te worden.

De verdachte is ter observatie opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum. Hij heeft daar geen medewerking verleend aan een onderzoek naar zijn persoon. In de rapportage van het Pieter Baan Centrum wordt aan de hand van de beschikbare informatie, zakelijk weergeven, onder meer het volgende geconcludeerd:

- overtuigend kan worden aangetoond dat verdachte vanaf zijn vroege jeugd ernstige gedragsproblemen heeft vertoond dan wel vertoont; er zijn nauwelijks of geen levensterreinen waarop de verdachte op adequate en leeftijdsconforme wijze heeft gefunctioneerd;

- hoewel een classificerende diagnose niet kan worden gegeven is het onderzoekend team er zonder twijfel van overtuigd dat bij verdachte ten tijde van de feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens;

- er kan geen gedragskundige uitspraak worden gedaan over de vraag in hoeverre die gebrekkige ontwikkeling van invloed was op de keuzevrijheid van de verdachte voor wat betreft de tenlastegelegde feiten;

- evenmin kan in die zin een uitspraak worden gedaan over het risico op herhaling van strafbare feiten.

De officier van justitie heeft in de onderhavige zaak de deskundigenrapportages overgelegd die ten grondslag lagen aan de oplegging van de PIJ maatregel op 20 januari 2004. Het gaat om het rapport van psychiater W. Postema d.d. 2 januari 2004 en het rapport van psycholoog R.A. Sterk d.d. 2 januari 2004. Beide deskundigen waren destijds – kort weergegeven - van oordeel dat bij de verdachte sprake was van een oppositionele gedragsstoornis, die aan het uitgroeien was in de richting van een antisociale persoonlijkheidsstructuur, waarbij de lacunaire gewetensfunctie steeds meer op de voorgrond trad. De deskundigen waren van oordeel dat er een verband bestond tussen de stoornis en het strafbare gedrag van de verdachte en zij achtten een gedwongen behandeling noodzakelijk.

Kort samen gevat moet het volgende worden vastgesteld. De verdachte is in 2004 veroordeeld voor een zestal overvallen en een openlijke geweldpleging. Hij is tot het plegen van die feiten gekomen mede door toedoen van een gedragsstoornis. De verdachte onttrekt zich in maart 2008 voortijdig aan de behandeling in het kader van de PIJ maatregel. Kort daarna pleegt hij weer een drietal overvallen en wordt hij op heterdaad aangehouden op weg naar een nieuwe overval. Ook is hij intussen betrokken geweest bij een zeer gewelddadige groepsverkrachting.

De rechtbank is van oordeel dat deze gang van zaken geen andere conclusie toelaat dan dat bij de verdachte ten tijde van de onderhavige feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en dat de verdachte mede onder invloed daarvan tot zijn daden is gekomen. De rapportages die na zijn aanhouding over de verdachte zijn opgemaakt laten daar ook geen twijfel over bestaan. De omstandigheid dat door de weigerachtige houding van de verdachte bij de onderzoeken geen duidelijke diagnose gesteld kon worden maakt dit niet anders. Als de verdachte niet behandeld wordt zal hij zich vrijwel zeker opnieuw schuldig maken aan ernstige strafbare feiten van gewelddadige aard.

De rechtbank is gezien het hiervoor overwogene van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen eisen dat aan de verdachte - naast gevangenisstraf - tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

De delicten ter zake waarvan de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging wordt opgelegd betreffen misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Alles overziend wordt de oplegging van na te noemen gevangenisstraf en maatregel passend en geboden geacht. In het belang van een spoedige aanvang van de behandeling in het kader van de maatregel zal een lagere gevangenisstraf worden opgelegd dan door de officier van justitie was geëist.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ [SLACHTOFFER 1]/ SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 1], domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat, mr. D. Koeslan-van Walsum, Simon de la Valléestraat 15, 3067 XR Rotterdam, terzake van feit 6. De benadeelde partij vordert een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,-.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 6 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht door de verdachte en zijn mededaders. Die schade zal op dit moment naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op totaal € 5.250,-, waarbij het aandeel van de verdachte wordt vastgesteld op € 1.500,-. De vordering in de strafzaak tegen de verdachte zal tot dit bedrag van € 1.500,- worden toegewezen.

Voor het overige is de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard, dat dit deel van die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 46, 47, 56, 57, 242, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1,2, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 7 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 4 (VIER) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 1.500,- (zegge: VIJFTIENHONDERD EURO), en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [slachtoffer 1], domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat, mr. D. Koeslan-van Walsum, Simon de la Valléestraat 15, 3067 XR Rotterdam, te betalen;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] te betalen € 1.500,- (zegge: VIJFTIENHONDERD EURO), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Klein Wolterink, voorzitter,

en mrs. Reinds en Sikkel, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. Commandeur en Schut, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 oktober 2009.

Bijlage bij vonnis van 1 oktober 2009:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 13 mei 2008 te Capelle aan den IJssel en/of Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf diefstal met geweld en/of afpersing, opzettelijk één of meer vuurwapen(s) en/of (daarbij behorende) munitie en/of een (zak)mes en/of een auto (merk Volkswagen, type Golf, kenteken [kenteken 2]) en/of een pantykous en/of (een) handschoen(en) en/of dikke/verhullende kleding (kennelijk) bestemd tot het (in vereniging) begaan van dat misdrijf/die misdrijven, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

[art. 46 jo 312/317 Wetboek van Strafrecht]

2.

hij in of omstreeks de periode van 10 mei 2008 tot en met 13 mei 2008 te Capelle aan den IJssel en/of Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II, onder 3° en/of Categorie III, onder 1° en/of onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten

- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet, nl een vuurwapen dat zodanig is vervaardigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is, te weten een (verkort) vuurwapen (een (hagel)geweer van het merk SAVAGE, model 940 E) en/of

- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk Tanfoglio, model Gt-2888, kaliber 8 mm (oorspronkelijk) (gewijzigd in 6,35 mm) en/of

- een alarm- c.q. startpistool (merk KIMAR, model Lady K, 8 mm),

en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten

- vier hagelpatronen, kaliber 20 Gauge en/of

- zeventien kogelpatronen, kaliber .25 AUTO (gelijk aan 6,35 mm) en/of

- drie alarm- c.q. knalpatronen, kaliber 8 mm

voorhanden heeft gehad;

[art. 26 jo 55 Wet wapens en munitie jo art. 57 Wetboek van Strafrecht]

3.

hij op of omstreeks 24 april 2008 te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld en/of een of meerdere portemonnee(s) (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of

[slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] voornoemd en/of (een) andere (in café [cafe 1] aanwezige) perso(o)n(en), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot de afgifte van geld en/of een of meerdere portemonnee(s) (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] voornoemd, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit

- het tonen van een of meerdere vuurwapen(s) en/of van (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) en/of

- het richten van dat/die vuurwapen(s) en/of dat/die daarop gelijkend(e) voorwerp(en) op genoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of (een) andere (in café [café 1] aanwezige) perso(o)n(en) en/of

- het (met een vuurwapen) slaan (tegen het hoofd en/of het lichaam) van die [slachtoffer 4] en/of

- (daarbij) de woorden toevoegen "leggen en je geld" en/of "je portemonnee" en/of "alles afgeven" en/of "allemaal rustig blijven", "geld, geld, portemonnees erin" en/of "op de grond liggen", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking;

(art. 312 en/of 317 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij in of omstreeks de periode van 24 april 2008 tot en met 25 april 2008 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld en/of een telefoon/telefoons en/of een horloge en/of een (gouden) bril, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of café [cafë 2], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 6] en/of die [slachtoffer 7] en/of die [slachtoffer 8] voornoemd en/of (een) andere (in genoemd café aanwezige) perso(o)n(en), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] heeft gedwongen tot de afgifte van geld en/of een telefoon/telefoons en/of een horloge en/of een (gouden) bril, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] voornoemd en/of [slachtoffer 9] en/of café [café 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit

- het tonen van een mes en/of een of meerdere vuurwapen(s) en/of (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) en/of

- het richten van dat/die vuurwapen(s) en/of die/dat op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) op genoemde [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of (een) andere (in genoemd café aanwezige) perso(o)n(en) en/of

- het aan de trui meetrekken van die [slachtoffer 6] en/of

- (daarbij) de woorden toevoegen "dit is een overval" en/of "mond houden" en/of kassa openmaken, geld geld", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking;

(art. 312 en/of 317 Wetboek van Strafrecht)

5.

hij op of omstreeks 8 mei 2008 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld en/of een hoeveelheid softdrugs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of coffeeshop [coffeeshop], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] voornoemd en/of (een) andere (in genoemde coffeeshop aanwezige) perso(o)n(en), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] heeft gedwongen tot de afgifte van geld en/of een hoeveelheid softdrugs, in elk geval enig goed , geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] voornoemd en/of coffeeshop [coffeeshop], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit

- het tonen van een of meerdere vuurwapen(s) en/of (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) en/of

- het richten van dat/die vuurwapen(s) en/of die op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) op genoemde [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of (een) andere (in genoemde coffeeshop aanwezige) perso(o)n(en) en/of

- het geven van een klap op het hoofd van die [slachtoffer 10] en/of

- (daarbij) de woorden toevoegen "draai je om" en/of "waar is de wiet" en/of "blijf rustig, blijf liggen", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking;

(art. 312 en/of 317 Wetboek van Strafrecht)

6.

hij op of omstreeks 21 april 2008 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer 1], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk;

- (telkens) brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis en/of de penis(sen) van zijn mededader(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] en/of

- (telkens) brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis en/of de penis(sen) van zijn mededader(s) in de mond van die [slachtoffer 1],

waarbij het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het meermalen, althans eenmaal (telkens);

- die [slachtoffer 1] duwen en/of trekken in de richting van de portiek, althans de woning en/of

- omsingelen van die [slachtoffer 1] en/of

- betasten van het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- tonen/voorhouden van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of

- dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp richten op het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of

- het houden van dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de mond van die [slachtoffer 1] en/of

- die [slachtoffer 1] dreigend toespreken met de woorden: "doe je t-shirt uit, anders ga ik je slaan met het pistool" en/of "moet ik nu gaan schieten dan" en/of "ik kan je ook vermoorden, dan spat het zo helemaal op de muur, dat bloed vegen we wel weg" en/of "doe je kettingen af", althans woorden van een dergelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes penis en/of de penissen van zijn mededader(s) voor/bij de mond van die [slachtoffer 1] en/of

- filmen van die [slachtoffer 1] en/of

- de broek, althans de kleding van die [slachtoffer 1] uittrekken en/of

- op het lichaam van die [slachtoffer 1] gaan zitten en/of

- (dreigen) met een riem (te) slaan in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- houden van een schroevendraaier in/op/tegen het gezicht van die [slachtoffer 1] en/of

- tezamen met een of meer van zijn, verdachtes, medeverdachte(n) een dusdanig overwicht op die [slachtoffer 1] uitoefenen, dat zij werd belemmerd in haar mogelijkheden tot verzet;

(art. 242 Wetboek van Strafrecht)

7.

hij in of omstreeks de periode van 11 mei 2008 tot en met 14 mei 2008 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (een) goed(eren), te weten een bromfiets (merk/type Peugeot Fight) (met kenteken [kenteken 1]), heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

(art. 416 Wetboek van Strafrecht)