Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ9070

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-10-2009
Datum publicatie
01-10-2009
Zaaknummer
338167 / HA RK 09-175
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De benadeelde partij in een strafzaak kan de wraking van de rechter verzoeken. Wraking afgewezen. De gebeurtenissen ter zitting vormen geen zwaarwegende aanwijzing voor een objectief gerechtvaardige vrees voor partijdigheid van de rechter. Verzoeker was zelf buiten de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 12

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak : 1 oktober 2009

Zaaknummer : 338167

Rekestnummer : HA RK 09-175

Parketnummer : 10/692276-09

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. R.W. Koevoets,

strekkende tot wraking van [naam rechter], rechter in de rechtbank Rotterdam, sector strafrecht (hierna: de rechter).

1. Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 2 september 2009 is door de rechter, zitting houdende als politierechter, behandeld de tegen [naam verdachte] aanhangig gemaakte strafzaak met parketnummer 10/692276-09.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft verzoeker, bijgestaan door mr. K.R. Verkaart als raadsman, zich in die strafzaak als benadeelde partij gevoegd en heeft hij de rechter gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier van de hiervoor omschreven strafzaak tegen [naam verdachte] als verdachte, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde terechtzitting.

Verzoeker, zijn raadsman, de rechter, alsmede [naam verdachte] zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Ter zitting van 17 september 2009, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen: verzoeker, zijn advocaat mr. R.W. Koevoets, mr. K.R. Verkaart voornoemd en [naam verdachte] voornoemd.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende - verkort en zakelijk weergegeven - aangevoerd:

2.1.1

Verzoeker is ontvankelijk in het verzoek tot wraking van de rechter. Een benadeelde partij, die zich voegt in de strafzaak, maakt dat de strafzitting mede een civielrechtelijk karakter krijgt. De politierechter moet zich in die strafzaak een oordeel vormen over de vordering van de benadeelde partij. Die benadeelde partij heeft recht op een eerlijk proces. Artikel 6 EVRM brengt dat met zich mee. Niet alleen het Wetboek van Strafvordering is ten deze van toepassing, maar ook artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Een ieder die belanghebbende is heeft het recht een verzoek tot wraking te doen. Het zou in strijd zijn met de geest van de wet indien een benadeelde partij niet de beoordeling van zijn vordering door een onpartijdige rechter zou kunnen bewerkstelligen.

2.1.2

Beoordeeld moet worden of er sprake is van objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid. Op grond van hetgeen is voorgevallen ter zitting van 2 september 2009 - zoals dat is ervaren door verzoeker en zijn raadsman, alsmede zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van die zitting - moet worden geconcludeerd dat de sfeer op die zitting van meet af aan en bij voortduring vijandig is geweest.

Dat begon al voor het uitroepen van de zaak, toen de rechter met betrekking tot verzoeker en zijn raadsman zei: "Ja, maar dat zijn toch twee kantoorgenoten van elkaar?"

Op een volgend moment tijdens die zitting wilde de raadsman van verzoeker het woord nemen over het nog niet aan hem verstrekt zijn van gevraagde processtukken, zodat de benadeelde partij daarvan geen kennis had kunnen nemen. Het enige dat de raadsman wilde vragen was: mag ik alstublieft het dossier? De rechter stond dat niet toe en beduidde de raadsman op kinderlijke wijze, met een naar beneden wijzende vinger van zijn hand, dat hij moest gaan zitten en zijn mond moest houden. De advocaat van verzoeker is geen schooljongen.

De rechter heeft ter zitting, sprekende met verdachte, letterlijk gezegd: "Ik vind uw versie van het verhaal, kijkend naar meneer [naam verdachte], aannemelijker dan die van [naam verzoeker]." Op dat moment treed je in secundaire victimisering. Als je als slachtoffer ongeloofwaardig wordt geacht, ga je als rechter te ver. Dat mag niet, zo blijkt ook uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel spreekrecht slachtoffers en voeging beledigde partij. Dat moet door de rechter voorkomen worden.

Verder sprak de rechter door elk woord heen, dat ter zitting door verzoeker of zijn raadsman werd gesproken.

Op een gegeven moment werd de behandeling ter zitting door de rechter onderbroken. Verzoeker en zijn raadsman werd te verstaan gegeven dat zij de gehoorzaal moesten verlaten. Verzoeker heeft hierop de rechter gevraagd of de verdachte, die nog bleef zitten, dan niet ook de zaal moest verlaten. Hierop zei de rechter tegen verzoeker dat hij zijn mond moest houden en dat hij werd gewaarschuwd. Hij kreeg van de rechter te horen dat de rechter overwoog een klacht tegen hem in te dienen.

Nadat verzoeker de zaal had verlaten, is verzoeker in de zaal teruggekeerd en er is een discussie ontstaan tussen de rechter en verzoeker, waarbij de rechter heeft gezegd dat verzoeker aan de rechter zijn excuses moest aanbieden.

Het feit dat de rechter zegt dat er een klacht komt en dat excuses moeten worden aangeboden aan de rechter, geeft al aan dat er een situatie is ontstaan waarin sprake is van gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.

Toen verzoeker had meegedeeld dat hij de wraking van de rechter verzocht, was de reactie van de rechter: dat kunt u helemaal niet, u heeft het recht niet te wraken. Dan kent die rechter het recht en de wet niet goed. Dat recht heeft verzoeker wel degelijk, zodra zich de situatie van partijdigheid manifesteert.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 september 2009, zoals dat (mede) door de rechter is opgemaakt, klopt niet. Het is een leugenachtig proces-verbaal. Verzoeker heeft daarover inmiddels een klacht gedaan bij de president van de rechtbank.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

Hij verwijst naar de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 september 2009. De rechter werpt - mede gelet op het bepaalde in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, welke bepaling slechts de verdachte en het Openbaar Ministerie noemt als degenen die een verzoek tot wraking kunnen doen - de vraag op of een benadeelde partij in een strafprocedure bevoegd is tot het doen van een wrakingsverzoek.

De rechter wijst er met nadruk op dat er geen sprake van is geweest dat hij (de raadsman van) de benadeelde partij de kennisneming van processtukken zou hebben onthouden. De rechter stelt dat er geen sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren.

2.3

De officier van justitie heeft ter zitting geconcludeerd (primair) tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek, omdat de wet niet de mogelijkheid geeft dat de benadeelde partij in een strafzaak de wraking van de rechter verzoekt.

Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het wrakingsverzoek ongegrond moet worden verklaard, nu er in het gebeuren ter zitting van de rechter op 2 september 2009 geen aanleiding is te vinden voor twijfel aan de onpartijdigheid van de rechter.

3. De ontvankelijkheid van het verzoek

Artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat op verzoek van de verdachte en het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

In dat wetsartikel wordt de benadeelde partij, die zich als zodanig in een strafzaak heeft gevoegd, niet genoemd als een procesdeelnemer die de wraking van de rechter in een dergelijk geval kan verzoeken. Genoemd wetboek biedt ook geen andere aanknopingspunten voor het oordeel dat de benadeelde partij bevoegd is een verzoek tot wraking te doen.

De rechtbank volgt niet het standpunt van verzoeker dat zijn verzoek moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Weliswaar gaat het bij de benadeelde partij om een civielrechtelijke vordering op de verdachte die in diens strafzaak geldend kan worden gemaakt, maar dat neemt niet weg dat die met de strafzaak verweven vordering van de benadeelde partij beheerst blijft door de regels van het Wetboek van Strafvordering.

Al het voorafgaande neemt niet weg dat de benadeelde partij, die zich als zodanig voegt in de strafzaak tegen een verdachte teneinde van hem een schadevergoeding te verkrijgen, aanspraak heeft op de bescherming van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, waarin onder meer is vastgelegd het recht op een eerlijke behandeling door een onpartijdig gerecht. Dat recht behoort niet te worden ingeperkt op grond van het uitgangspunt dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij niet ten koste mag gaan van de aandacht voor de strafzaak, met welk doel de wet aan de rechten en de bevoegdheden van de benadeelde partij beperkingen stelt.

Met het recht op een eerlijke behandeling door een onpartijdige rechter staat op gespannen voet dat een benadeelde partij niet de wraking zou kunnen verzoeken van een rechter die niet onpartijdig is, althans jegens welke rechter die benadeelde partij vreest dat hij een vooringenomenheid jegens hem koestert.

Op grond van het voorafgaande is de rechtbank van oordeel dat een benadeelde partij, die zich in een strafzaak heeft gevoegd, een verzoek tot wraking van de behandelend rechter kan doen.

Verzoeker is derhalve ontvankelijk in zijn verzoek.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was. Dit is door verzoeker ook niet gesteld en ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

4.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde en anderszins aannemelijk geworden omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de - beweerdelijk - bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

De rechtbank overweegt daarbij het volgende.

4.4

Wat betreft de gang van zaken ter zitting van de rechter op 2 september 2009 gaat de rechtbank uit van het proces-verbaal van die zitting, zoals zich dat bij de stukken bevindt. De rechtbank heeft - ondanks de door verzoeker gestelde onjuistheid van de inhoud van dat proces-verbaal - geen grond om aan de in dat proces-verbaal gegeven lezing van de gebeurtenissen te twijfelen, eens temeer niet nu de officier van justitie ter zitting een nagenoeg gelijkluidende lezing van die gebeurtenissen gaf, terwijl hij nog geen kennis had genomen van de inhoud van dat proces-verbaal.

4.5

Op grond van de gang van zaken ter zitting van 2 september 2009 kan worden vastgesteld dat de irritatie tussen rechter en verzoeker is geëscaleerd op het moment dat verzoeker meende de orde ter zitting mede te moeten gaan bepalen, door de rechter - kennelijk nog voordat hij zelf daartoe de gelegenheid had de verdachte te vragen eveneens de zaal te verlaten - erop te wijzen dat hij 'op een dunne lijn liep' en hem erop te wijzen dat ook de verdachte de zaal moet verlaten gedurende de korte onderbreking van de behandeling van de zaak die ertoe diende om verzoeker alsnog de gelegenheid te geven het strafdossier in te zien.

4.6

Met deze wijze van optreden was verzoeker buiten de orde. Het is immers de rechter die de orde op de zitting bepaalt. Die bevoegdheid impliceert verder ook, anders dan verzoeker lijkt te menen, dat de rechter bepaalt wanneer een benadeelde partij het woord krijgt. Het is vervolgens ook aan de rechter te bepalen welke gevolgtrekkingen hij eraan verbindt indien een procesdeelnemer zich daarnaar niet lijkt te willen voegen. Niet aannemelijk is geworden dat de rechter daarbij maatregelen heeft getroffen die zozeer onbegrijpelijk zijn dat daaraan een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid tegen verzoeker ontleend kan worden, noch ook dat hij daarbij bewoordingen heeft gebezigd die een dergelijke vrees naar objectieve maatstaven kunnen rechtvaardigen.

4.7

Omtrent de klacht van verzoeker over hetgeen hij aanduidt als secundaire victimisering overweegt de rechtbank dat het nu juist tot de taak van de rechter behoort onder meer de geloofwaardigheid van bewijsmateriaal in een strafzaak af te wegen, waaronder in dit geval de verklaringen van verzoeker en die van de verdachte [naam verdachte]. Verzoeker wordt daarom niet gevolgd in zijn standpunt dat dit de rechter niet vrijstaat.

4.8

Op grond van het voorafgaande is de rechtbank van oordeel dat de aangevoerde en anderszins aannemelijk geworden omstandigheden niet een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hen een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

5. De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van [naam rechter].

Deze beslissing is gegeven op 1 oktober 2009 door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter,

mr. H. van Lokven-van der Meer en mr. M.C. van der Kolk, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.