Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ9033

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
334107 / HA ZA 09-1816
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Welke partij is rechthebbende van strook grond?; geen verkrijging door bevrijdende verjaring; verklaring voor recht; matigen dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 334107 / HA ZA 09-1816

Uitspraak: 23 september 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.H. van Meurs,

- tegen -

1. [eiser sub 1],

2. [eiseres sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. J.U. Stam.

Eiser wordt hierna aangeduid als "[gedaagde]". Gedaagden worden hierna gezamenlijk aangeduid als "[eisers]".

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 30 juni 2009 en de door [gedaagde] overgelegde producties;

- brief van mr. Van Meurs voornoemd van 6 juli 2009;

- conclusie van antwoord tevens voegingsverzoek;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 29 juli 2009.

1.2 Ter comparitie van partijen hebben de advocaten van beide partijen verzocht om voeging en gezamenlijke behandeling met de bij deze rechtbank aanhangige procedure met zaak-/rolnummer 327995 / HA ZA 09-925. De rechter heeft het verzoek tot voeging van beide zaken gehonoreerd. Vervolgens zijn beide zaken gezamenlijk ter comparitie van partijen mondeling behandeld.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 In het kader van ruilverkaveling Voorne-Putten heeft in juli 1989 een veldmeting van de percelen [adres 1] en [adres 2] te [woonplaats] door het Kadaster plaatsgevonden. Deze veldmeting, waarbij de erfgrens tussen genoemde percelen is bepaald, is op 1 december 1989 in een akte vastgelegd. Het perceel [adres 1] is in 1989 opgesplitst in [adres 1] en [adres 3].

2.2 [gedaagde] is sinds 1998 eigenaar van het perceel [adres 3]. [eisers] zijn sinds januari 2006 eigenaren van het perceel [adres 2]. De percelen van [gedaagde] en [eisers] grenzen aan elkaar.

2.3 Een rechtsvoorganger van [gedaagde] heeft na de onder 2.1 omschreven erfgrensbepaling op perceel [adres 3] langs de erfgrens met perceel [adres 2] een coniferenhaag laten plaatsen.

2.4 In de eerste helft van 2008 hebben [eisers] parallel aan de coniferenhaag op en langs een circa anderhalve meter brede strook grond die zich bevond naast de coniferenhaag aan de zijde van perceel [adres 2], een nieuwe oprit vanaf de openbare weg naar hun garage laten aanleggen.

2.5 Bij brief van 22 juni 2008 heeft de gemachtigde van [gedaagde], [gedaagde], het volgende aan [eisers] medegedeeld:

“(…) Ultimo mei van dit jaar hebt u enige voorzieningen aan de uitrit van uw perceel doen aanbrengen die zich uitstrekken tot op het erf van mijn cliënt. Het betreft een brievenbus, een toegangshek (…) en een schuin over en voor het erf van cliënt naar de openbare weg lopend stuk bestrating van 1 á 2 m2.

Mijn cliënt heeft u in twee gesprekken gewezen op de onrechtmatigheid van het aanbrengen van deze voorzieningen en u verzocht deze te verwijderen. (…)

Ik verzoek u, voorzover nodig sommeer u, derhalve thans nogmaals de aangebrachte voorzieningen binnen één maand na dagtekening van deze brief te verwijderen. (…)”

3 De vordering

De vordering luidt om bij vonnis, voor zover rechtens toegestaan uitvoerbaar bij voorraad,

- te verklaren voor recht dat de strook grond waarop [eisers] aanspraak menen te kunnen maken in overeenstemming met de kadastrale vaststelling uit 1989 geheel aan [gedaagde] toebehoort;

- [eisers] en de zijnen te verbieden op de strook werken, verharding of beplanting aan te brengen, bouwwerken op te richten of werkzaamheden uit te voeren of anderszins daarop te verblijven of te vertoeven, tenzij [gedaagde] daartoe voorafgaande schriftelijke toestemming heeft verleend; en

daarbij te bepalen:

- dat [eisers] bij niet eerbiediging van dit verbod een onmiddellijk opeisbare boete aan [gedaagde] verbeuren van € 1.000,- per overtreding, waarbij een overtreding die langer dan een dag voortduurt, voor elke nieuwe dag ook als een nieuwe overtreding zal worden aangemerkt, tot een maximum van € 75.000,-;

met veroordeling van [eisers] in de kosten van de procedure, en voeging van deze procedure met de bij deze rechtbank aanhangige procedure met zaak-/rolnummer 327995 / HA ZA 09-925.

3.1 [gedaagde] heeft daartoe aangevoerd dat de strook grond geen eigendom van [eisers] is (geworden), zoals [eisers] stellen. De akte in het kader van de ruilverkaveling en verdeling van de grond en veldmeting dateert van december 1989. Van een onafgebroken bezit van de strook grond gedurende 20 jaar is volgens [gedaagde] dan ook geen sprake. Immers, de door [eisers] gestelde periode van ongestoord bezit is door de onder 2.5 genoemde brief tijdig gestuit en ook de rechtsvoorgangers van [eisers] hebben nimmer bezitsdaden verricht of macht uitgeoefend over de onderhavige strook grond, aldus [gedaagde].

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding. [eisers] verzoeken om voeging van deze zaak met de bij deze rechtbank aanhangige procedure met zaak-/rolnummer 327995 / HA ZA 09-925.

4.1 [eisers] stellen daartoe het volgende. [eisers] zijn door verjaring eigenaar geworden van de onder 2.4 genoemde strook grond. De coniferenhaag staat al 20 jaar op deze plek en de strook grond is door [eisers] en door de vorige bewoners van [adres 2] in bezit geweest en onderhouden. Er is geen sprake van stuiting van de verjaring door [gedaagde]. Zowel [eisers] als de [familie] – de vorige bewoners van [adres 2] – beschouw(d)en de coniferenhaag als erfafscheiding.

5 De beoordeling

5.1 De rechtbank heeft het verzoek om voeging van deze procedure met die welke bij de rechtbank aanhangig is met zaak-/rolnummer 327995 / HA ZA 09-925 ter comparitie van partijen toegewezen.

5.2 De vraag die moet worden beantwoord, is welke van partijen rechthebbende is op de onder 2.4 omschreven strook grond, en mitsdien of [eisers] door bevrijdende verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

5.3 Tussen partijen staat onweersproken vast dat voor de kadastrale grens tussen de percelen van [eisers] en [gedaagde] moet worden uitgegaan van de kadastrale veldmeting zoals die in juli 1989 in het kader van ruilverkaveling Voorne-Putten door het Kadaster is verricht en op 1 december 1989 in een akte is vastgelegd. Daarbij is, als door [gedaagde] gesteld en door [eisers] niet betwist, de erfgrens tussen beide percelen vastgesteld op circa anderhalve meter van de – thans bestaande – coniferenhaag in de richting van perceel [adres 2]. De rechtbank zal er derhalve bij haar beoordeling vanuit gaan dat de erfgrens aldus is vastgesteld.

5.4 Tussen partijen is evenmin in geschil dat met de ingebruikname van de onder 2.4 genoemde strook grond [eisers] deze erfgrens hebben overschreden. Van een gerechtvaardigd in gebruik nemen van deze strook grond kan, in de lijn van de stellingen van [eisers], slechts sprake zijn bij een ononderbroken bezit gedurende 20 jaar. In het licht van de wettelijke bepalingen waarop [eisers] hun vordering uit hoofde van bevrijdende verjaring in de procedure onder zaak-/rolnummer 327995 / HA ZA 09-925 inroepen en het feit dat de erfgrens in 1989 is vastgesteld, moet worden geconcludeerd dat de termijn van verjaring van de rechtsvordering strekkende tot opeising van de grond nog niet is voltooid. Immers, vanaf het moment van vaststelling van de erfgrens in 1989 tot de onder 2.5 omschreven brief van 22 juni 2008 zijn nog geen 20 jaar verstreken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat deze laatste brief, naar [gedaagde] onweersproken heeft gesteld, als stuitingshandeling moet worden aangemerkt.

5.5 [eisers] hebben in de procedure onder zaak-/rolnummer 327995 / HA ZA 09-925 aangevoerd dat de strook grond bij hen en hun rechtsvoorgangers onafgebroken in bezit is geweest. Echter, onvoldoende is gebleken dat dit vanaf de vaststelling van de erfgrens in 1989 het geval is geweest. [eisers] hebben weliswaar een verklaring van [persoon 1] en [persoon 2], die van 1983 tot 2003 woonachtig zijn geweest op het perceel [adres 1], overgelegd, maar uit deze verklaring blijkt niets over het gebruik van de strook grond vanaf 1989. [eisers] hebben voorts een verklaring van [persoon 3], die vanaf 2000 woonachtig is op [adres 1], overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat zich naast de coniferenhaag een grondstrook bevond met daarin een fruitboom, twee grote populieren en een paar lage plantjes, maar uit deze verklaring blijkt evenmin over het gebruik van de strook grond vanaf 1989 (tot 2000). Uit de verklaring van [persoon 4], waaruit blijkt dat hij in 2007 naast de coniferenhaag twee populieren en een appelboom heeft aangetroffen, kan niets worden afgeleid omtrent het gebruik van de strook grond vanaf 1989. [eisers] hebben ten slotte verklaringen van [persoon 5], die van 1997 tot 2006 eigenaar was van het perceel [adres 2], overgelegd, waarin [persoon 5] verklaart dat hij de strook grond altijd heeft onderhouden en onkruidvrij heeft gehouden, maar waaruit evenmin kan worden afgeleid of de strook grond vanaf 1989 onafgebroken in bezit is geweest bij (de rechtsvoorgangers van ) [eisers] De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het onderhouden en onkruidvrij houden van de strook grond niet zonder meer voldoende is om te concluderen dat van een bezitsdaad met het oog op bevrijdende dan wel verkrijgende verjaring sprake is.

5.6 Ter onderbouwing van zijn verweer dat de strook grond niet in bezit is geweest bij (de rechtsvoorgangers van) [eisers] heeft [gedaagde] in de procedure onder zaak-/ rolnummer 327995 / HA ZA 09-925 een verklaring van [persoon 6] (hierna: [persoon 6]) d.d. 15 mei 2009 overgelegd. [persoon 6] verklaart onder meer dat hij in oktober 1983 eigenaar is geworden van het perceel [adres 1]. Bij koop heeft hij het perceel gesplitst in [adres 1] en 13A, waarna hij tot 17 juli 1998 eigenaar was van [adres 3]. [persoon 6] verklaart voorts dat hij op enig moment heeft besloten een coniferenhaag te (laten) plaatsen langs de erfgrens tussen [adres 1] en [adres 2] en dat deze haag in overleg met de toenmalige eigenaar van [adres 2], [persoon 7], die tot 1996 eigenaar van dit perceel is geweest, op circa 2 meter van de erfgrens is geplaatst. [persoon 7] heeft de strook grond niet in bezit genomen of gebruikt, aldus [persoon 6]. Van bezit van de strook grond gedurende 20 jaar is derhalve geen sprake, zodat ook aan die voorwaarde voor bevrijdende verjaring van de strook grond niet is voldaan.

5.7 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is van bevrijdende verjaring geen sprake en ligt de vordering van [gedaagde] voor toewijzing gereed, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden toegewezen tot een bedrag als hierna bepaald.

5.8 [eisers] verzetten zich ten slotte tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring van dit vonnis. [eisers] stellen daartoe dat zij daardoor onterecht boetes zouden kunnen verbeuren. Immers, gelet op de door [eisers] in de parallelle procedure geëiste vorderingen en de gevoerde verweren in deze procedure, is het goed mogelijk dat, indien de vorderingen in deze instantie geheel of gedeeltelijk worden toegewezen en de vorderingen in de parallelle procedure geheel of gedeeltelijk worden afgewezen, in hoger beroep anders zal worden geoordeeld, aldus [eisers]

De rechtbank overweegt als volgt. [gedaagde] heeft belang bij een ongestoord genot van de strook grond waarvan hij eigenaar is en bij opheffing van iedere daarmee strijdige situatie. Gelet op de mogelijk lange duur van een procedure in hoger beroep, op de mogelijkheid om onterecht verbeurde dwangsommen als onverschuldigd betaald terug te vorderen, en op het feit dat verwijdering door [eisers] van hetgeen zich thans nog onrechtmatig op het perceel van [gedaagde] bevindt binnen korte tijd kan plaatsvinden, ziet de rechtbank reden om aan het verweer van [eisers] voorbij te gaan. De rechtbank is van oordeel dat het belang van [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraadverklaring van dit vonnis groter is dan het belang van [eisers] bij afwijzing daarvan, en zal daarom, conform de vordering van [gedaagde], dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De dwangsom zal echter niet eerder worden verbeurd dan vanaf twee weken na betekening van dit vonnis, teneinde [eisers] in de gelegenheid te stellen om de zich thans nog op het perceel van [gedaagde] bevindende werken te verwijderen.

5.9 De rechtbank ziet voorts aanleiding om de hoogte van de gevorderde dwangsom per dag te matigen tot een bedrag van € 500,- en het totale maximum te matigen tot een bedrag van

€ 25.000,-.

5.10 [eisers] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank ziet daarbij aanleiding om bij de hoogte van het salaris voor de advocaat rekening te houden met de omstandigheid dat de zaak ter comparitie gelijktijdig is behandeld met de zaak onder zaak-/rolnummer 327995 / HA ZA 09-925, en de gemaakte kosten in verband met deze comparitie te bepalen op nihil.

6 De beslissing

De rechtbank,

verklaart voor recht dat de strook grond als genoemd onder 2.4 voor zover in overeenstemming met de kadastrale vaststelling uit 1989 geheel aan [gedaagde] toebehoort;

verbiedt de Groot c.s. en de zijnen op de strook werken, verharding of beplanting aan te brengen, bouwwerken op te richten of werkzaamheden uit te voeren of anderszins daarop te verblijven of te vertoeven, tenzij [gedaagde] daartoe voorafgaande schriftelijke toestemming heeft verleend;

bepaalt dat [eisers] vanaf twee weken na betekening van dit vonnis een dwangsom verbeuren voor iedere dag - een gedeelte van een dag voor een hele dag te rekenen - dat zij in strijd met bovengenoemd verbod handelen, ter hoogte van € 500,- per dag met een maximum van € 25.000,- in totaal;

veroordeelt [eisers] in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 262,- aan vast recht, op € 94,31 aan overige verschotten en op

€ 452,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog.

Uitgesproken in het openbaar.

1902/548