Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ9026

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
312538 / HA ZA 08-1923
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderrechter heeft machtiging tot uithuisplaatsing verlengd met dien verstande dat de minderjarige op een bepaalde datum vanuit de gesloten inrichting in een besloten behandelinrichting zou moeten worden geplaatst. Het feit dat dit niet tijdig is gebeurd levert in de gegeven omstandigheden geen onrechtmatig handelen van Bureau Jeugdzorg op jegens de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 312538 / HA ZA 08-1923

Uitspraak: 16 september 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van [persoon 1],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. P. van Baaren,

- tegen -

de stichting STICHTING BUREAU JEUGDZORG,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. S. Scheimann.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "BJZ".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 22 juli 2008;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek, met productie;

- conclusie van dupliek, met productie.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1 [eiseres] is de wettelijke vertegenwoordiger van de op [geboortedatum] 1991 geboren, bij dagvaarding minderjarige, [persoon 1] (hierna: "[persoon 1]"). [eiseres] is bij beschikking van de kantonrechter in deze rechtbank gemachtigd tot het instellen van de onderhavige procedure.

2.2 In het gezin waartoe [persoon 1] behoort is gedurende langere tijd sprake geweest van contacten met hulpverlening.

2.3 Bij beschikking van 27 juli 2007 van deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [persoon 1] verlengd tot 27 juli 2008 en is de machtiging tot plaatsing van [persoon 1] in een normaal beveiligde justitiële jeugdinrichting verlengd tot 24 augustus 2007. [persoon 1] is op dat moment geplaatst in de Heuvelrug, locatie Eijkenstein (gesloten crisisopvang).

2.4 In het door Bavo Europoort opgestelde "Verslag van het psychologisch onderzoek van [persoon 1] van [eiseres] d.d. 7 augustus 2007 is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

"Advies

Gezien de zorgelijke ontwikkeling van [persoon 1] en de gezinsproblematiek is een intensieve behandeling c.q. begeleiding in een besloten setting geïndiceerd. Zodoende kan [persoon 1] loskomen van haar moeder, leert zij op eigen benen te staan en zal zij assertiever en weerbaarder worden.

[…] Mocht na een tijdje blijken dat de aversie ten opzichte van de hulpverlening vermindert en er van thuis uit meer ondersteuning van [persoon 1] en haar behandeling komt, kan gekeken worden naar een overplaatsing naar een Fasehuis."

2.5 Bij beschikking van 20 augustus 2007 heeft de kinderrechter in deze rechtbank met ingang van 24 augustus 2007 de duur van de machtiging tot plaatsing van [persoon 1] in een normaal beveiligde justitiële jeugdinrichting tot 27 juli 2008 verlengd. In deze beschikking is onder "De Beoordeling", voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

"[…] is de kinderrechter van oordeel dat verlenging van de duur van de machtiging tot plaatsing vereist is wegens ernstige gedragsproblemen van de minderjarige [persoon 1]. In vorengenoemd verslag van het psychologisch onderzoek is een besloten behandeling geadviseerd om [persoon 1] minder beïnvloedbaar te maken en haar zelfstandiger te laten worden. Het vermoeden is dat zij een symbiotische relatie met haar moeder heeft. De conclusie van het verslag is dat zij daarom niet thuis behandeld kan worden. […]

De kinderrechter is van oordeel dat de minderjarige de behandeling dient te krijgen die zij nodig heeft; zij moet daarvoor wel zo spoedig mogelijk op een besloten behandelplaats worden geplaatst. Haar gezinsvoogd heeft verteld dat zij op korte termijn naar de “Lindenhorst” kan gaan. De reeds lopende machtiging wordt dan ook verlengd, met dien verstande dat [persoon 1] uiteindelijk per 1 oktober 2007 uit de gesloten inrichting in de besloten behandelinrichting wordt geplaatst."

2.6 In het "Plan van aanpak en indicatiebesluit" van 11 oktober 2007 van BJZ is, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen:

"Gezien de laatste ontwikkelingen, contacten met verkeerde jongeren (zie verder in plan van aanpak) en de zorgen van moeder, school, crisisopvang en Bureau Jeugdzorg kan de veiligheid niet gewaarborgd worden. Ook kan er geen juiste hulpverlening gegeven worden.

Naar aanleiding van bovenstaande is [persoon 1], uit veiligheid, geplaatst in een JJI instelling. Middels de uitslag van het PO is besloten om [persoon 1] een veilige- en structurele opvoedingsplek te geven en heeft zij behandeling nodig, middels plaatsing op een besloten behandelgroep."

[…]

Op verzoek van Bureau Jeugdzorg Rotterdam zijn de onderzoeksresultaten waarop het indicatiebesluit is gebaseerd voorgelegd aan een onafhankelijk extern deskundige […]. Deze deskundige heeft Bureau Jeugdzorg […] als volgt geadviseerd:

Behandeling op een gesloten behandelgroep.

Dit advies is opgevolgd."

2.7 Bij beschikking van 14 november 2007 heeft de kinderrechter in deze rechtbank het op 17 oktober 2007 ingediende verzoek van [eiseres] tot beëindiging van de uithuis¬plaatsing van [persoon 1] afgewezen. De kinderrechter heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

"uit het psychologisch onderzoek duidelijk blijkt dat er sprake is van ernstige gedragsproblematiek.

De minderjarige heeft zich wel ontwikkeld en is zelfstandiger geworden, maar het is duidelijk dat zij nog behandeling behoeft.

In een andere situatie zou de minderjarige wellicht in afwachting van een plaatsing op een besloten behandelplek thuis geplaatst kunnen worden, echter nu dit reeds in het verleden is geprobeerd en niet goed is verlopen èn de moeder van de minderjarige zoveel weerstand tegen de hulpverlening laat zien, is de kinderrechter van oordeel dat dit, op dit moment, niet tot de mogelijkheden behoort."

2.8 [persoon 1] is op 11 december 2007 vanuit de Heuvelrug overgeplaatst naar de beperkt beveiligde afdeling van Den Hey-Acker.

2.9 [eiseres] heeft tegen de sub 2.5 genoemde beschikking hoger beroep aangetekend bij het gerechtshof ’s-Gravenhage. Bij beschikking van 5 maart 2008 heeft het hof de beschik¬king vernietigd voor zover deze de uithuisplaatsing betreft vanaf 29 maart 2008 en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van BJZ, voor zover het de verzochte uithuisplaatsing betreft vanaf 29 maart 2008, afgewezen. Het hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

"6. Ter zitting wordt duidelijk dat de moeder en [persoon 1] ook niet langer wensen dat [persoon 1] in een besloten behandelinrichting wordt of blijft geplaatst. Verwezen wordt naar de voortgangsrapportage 1e behandelplan betreffende [persoon 1], verzenddatum 7 februari 2008.

[…]

9. Het hof stelt vast dat uit de voortgangsrapportage 1e behandelplan blijkt dat de plaatsing van [persoon 1] in Den Hey-Acker voor haar niet goed uitwerkt. […]

Het Hof is van oordeel dat de noodzaak om [persoon 1] nog langer in Den Hey-Acker geplaatst te houden ontbreekt. Er is eerder sprake van een contra indicatie. Hoewel het wonen thuis wellicht niet in alle opzichten de meest ideale oplossing vormt, acht het hof dit meer in het belang van [persoon 1] dan voortzetting van de huidige situatie. […] [persoon 1] en de moeder hebben tijdens de zitting de bereidheid uitgesproken om de samenwerking met Jeugdzorg in de thuissituatie aan te gaan, […]

11. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd. Het hof zal de uithuisplaatsing beëindigen per 29 maart 2008, zodat [persoon 1] en de gezinsvoogd de tijd hebben de terugkeer van [persoon 1] in de thuissituatie naar behoren te laten verlopen."

2.10 De uithuisplaatsing van [persoon 1] is op 15 maart 2008 geëindigd.

3 De vordering

De vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad BJZ te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 16.700,-- aan [eiseres], met rente en kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [persoon 1] is niet in overeenstemming met de sub 2.5 genoemde beschikking per

1 oktober 2007 uit de gesloten inrichting in de besloten behandelinrichting geplaatst en is nimmer behandeld. Door [persoon 1], die geen enkel misdrijf heeft gepleegd, langdurig in een gesloten setting te plaatsen, zonder behandeling en onder een regime dat gelijkstaat aan een gevangenis, heeft BJZ de belangen van [persoon 1] geschaad en daarmee een onrechtmatige daad jegens [persoon 1] gepleegd. Doordat [persoon 1] ten onrechte opgesloten heeft gezeten en geen bezoek mocht ontvangen, heeft zij haar verblijf in de justitiële jeugdinrichting ook als een gevangenis ervaren.

3.2 De schade die [persoon 1] heeft geleden, dient te worden begroot op € 100,-- per dag dat [persoon 1] in de periode van 1 oktober 2007 tot 15 maart 2008 onrechtmatig werd vastgehou¬den. Het gaat derhalve in totaal om 167 dagen, derhalve € 16.700,--. Dit bedrag dient door BJZ te worden betaald.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de kosten van het geding.

BJZ heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Niet gezegd kan worden dat [persoon 1] gedurende een aan BJZ te wijten onrechtmatig lange termijn in een gesloten inrichting heeft verbleven en haar een behandeling is onthou¬den. De plaatsing in een normaal beveiligde justitiële jeugdinrichting was toegestaan en heeft voortgeduurd op gronden die een gesloten crisisopvang konden rechtvaardigen. Gedurende de wachttijd was er geen reëel alternatief voor de gesloten plaatsing. Thuisblijven in afwachting van de behandeling was, gezien de zorgelijke thuissituatie, geen optie, ook niet toen overplaatsing langer duurde dan werd verwacht. Plaatsing in De Heuvelrug was beter voor de ontwikkeling van [persoon 1] dan thuisplaatsing.

4.2 Betwist wordt dat [persoon 1] schade heeft geleden ten gevolge van haar verblijf in De Heuvelrug of Den Hey-Acker. Voorts wordt de hoogte van de gevorderde schade betwist.

5 De beoordeling

5.1 De kern van het geschil is de vraag of BJZ onrechtmatig heeft gehandeld door er niet voor zorg te dragen dat [persoon 1] vóór 1 oktober 2007 vanuit de gesloten inrichting in een besloten behandelinrichting is geplaatst.

5.2 De rechtbank overweegt het volgende.

Gesteld noch gebleken is dat tegen de beschikking van 5 maart 2008 van het gerechtshof ’s-Gravenhage cassatieberoep is ingesteld. Derhalve dient in deze procedure van de juistheid daarvan te worden uitgegaan. Aangezien het hof de beschikking van 20 augustus 2007, voor zover betrekking hebbende op de periode tot 29 maart 2008, in stand gelaten heeft, is in zoverre in de relevante periode van 1 oktober 2007 tot 15 maart 2008 geen sprake van een onwettige plaatsing in een gesloten respectievelijk besloten inrichting. Niettemin kan dat verblijf, ondanks dat [persoon 1] op basis van een door de kinderrechter verleende machtiging in de gesloten respectievelijk besloten inrich¬ting heeft verbleven, onder omstandigheden onrechtmatig zijn.

5.3 Bij beschikking van 20 augustus 2007 heeft de kinderrechter overwogen dat de reeds lopende machtiging wordt verlengd, met dien verstande dat [persoon 1] uiteindelijk per

1 oktober 2007 uit de gesloten inrichting in de besloten behandelinrichting wordt geplaatst. Vaststaat dat [persoon 1] niet per 1 oktober 2007 in de besloten behandelinrichting is geplaatst.

BJZ heeft niet weersproken dat [persoon 1] in de gesloten inrichting De Heuvelrug aan een regime dat gelijkstaat aan een gevangenis werd onder¬worpen en dat er beperkingen hebben gegolden ten aanzien van het ontvangen van bezoek. Wel heeft BJZ erop gewezen dat [persoon 1] gebaat was bij de structuur, zorg, aandacht en veiligheid die haar in De Heuvelrug werd geboden. Het door [eiseres] ingediende verzoek tot beëindiging van de uithuis¬plaatsing van [persoon 1] is bij beschikking van 14 november 2007 van de kinderrechter afgewezen omdat naar zijn oordeel een plaatsing thuis, in afwachting van een plaatsing op een besloten behandelplek, gezien de voorgeschiedenis niet tot de mogelijkheden behoorde. Aangezien gesteld noch gebleken is dat [eiseres] tegen deze beschikking in hoger beroep is gegaan, dient in deze procedure van de juistheid van die beschikking te worden uitgegaan.

5.4 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat plaatsing van [persoon 1] in de gesloten jeugdinrichting een noodzakelijke – ter bescherming van het belang van [persoon 1] – en aldus gerechtvaardigde inbreuk op het privé- en gezinsleven van [persoon 1] betrof. De enkele stelling van [eiseres] dat [persoon 1] is onderworpen aan een dergelijke regime, dat zij geen bezoek mocht ontvangen, en dat een en ander niet bevorderlijk is voor een even¬wichtige ontwikkeling van een minderjarige, is naar het oordeel van de rechtbank aldus onvoldoende om aan te kunnen nemen dat op die gronden sprake is geweest van een onrechtmatige situatie. De rechtbank overweegt wel dat naarmate een uithuisplaatsing langer voortduurt en (adequate) behandeling van een minderjarige uitblijft, de rechtvaardi¬ging van de onderwerping aan een dergelijk regime onder omstandigheden kan ontbreken.

5.5 De vraag is dan of de duur van het verblijf van [persoon 1] in de gesloten inrichting, in afwachting van plaatsing en behandeling in een besloten behandelinrichting, onrechtmatig is geweest en zo ja, of dit aan BJZ kan worden toegerekend.

De rechtbank overweegt dat geen maximumtermijn bestaat voor de periode die een minderjarige – op grond van een door de kinderrechter verleende machtiging – in afwachting van plaatsing in een behandelinrichting, in een (crisis)opvanginrichting kan verblijven. Bij de beoordeling van de vraag of de onderhavige wachttijd als onrecht¬matig lang moet worden gekwalificeerd, dienen naar het oordeel van de rechtbank de volgende omstandig¬heden in aanmerking te worden genomen.

5.6 Vaststaat dat [persoon 1] op 11 december 2007 is overgeplaatst naar een behandelplek op de beperkt beveiligde afdeling van Den Hey-Acker. [persoon 1] heeft derhalve vanaf 1 oktober 2007, zijnde de datum waarop zij in de besloten behandelinrichting had moeten worden geplaatst, tot 11 december 2007 in De Heuvelrug gewacht op overplaatsing. De overplaat¬sing, waartoe niet BJZ maar de selectiefunctionaris bevoegd was, kon wegens plaatsgebrek niet eerder worden gerealiseerd. BJZ heeft gesteld dat [persoon 1] gedurende de eerste zes weken in Den Hey-Acker is geobser¬veerd, dat op 7 februari 2008 door Den Hey-Acker een zogenaamde voortgangs¬rapportage 1e behandelplan is opgesteld waaruit bleek dat plaatsing in de instelling contraproductief werkt op de ontwikkeling en geestelijke gezondheid van [persoon 1], en dat BJZ dit rapport voor het eerst heeft gezien tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep op 20 februari 2008. Aangezien Van [eiseres] deze feiten en omstandigheden niet heeft weersproken, zal de rechtbank van de juistheid daarvan uitgaan. Uit de beschikking d.d. 5 maart 2008 van het hof ’s-Gravenhage blijkt dat voornoemde rapportage en de benodigde tijd om de terugkeer van [persoon 1] in de thuissituatie naar behoren te laten verlopen, ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank van 20 augustus 2007 voor zover betrekking hebbende op de uithuisplaatsing vanaf 29 maart 2008.

5.7 Op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat voormelde wachttermijn van ruim twee maanden, gedurende welke termijn [persoon 1] een plaatsing in een besloten behandelinrichting is onthouden, in de gegeven omstandigheden niet onrechtmatig lang is.

Voor zover [eiseres] bedoeld heeft te stellen dat BJZ ook onrechtmatig heeft gehandeld door [persoon 1] in de periode van 11 december 2007 tot 15 maart 2008, zonder daadwerke¬lijke behandeling, te laten verblijven in Den Hey-Acker, dient ook die stelling, gelet op hetgeen hiervoor onder 5.6 is overwogen, te worden verworpen.

5.8 Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de vordering [eiseres] niet toewijsbaar is.

5.9 [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6 De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vordering van [eiseres];

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van BJZ bepaald op € 365,-- aan vast recht en € 904,-- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis voor zover het de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege

Uitgesproken in het openbaar.

1990/204