Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ8962

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
306493 / HA ZA 08-1110
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat. Vordering verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 306493 / HA ZA 08-1110

Uitspraak: 2 september 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats 1],

eiseres,

advocaat mr. J.C. Moree,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde,

advocaat mr. P.H.C.M. van Swaaij.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiseres]” respectievelijk “[gedaagde]”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 24 april 2008 en de door [eiseres] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 2 juli 2008, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 6 oktober 2008;

- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door mr. Kossen (namens [gedaagde]) overgelegde producties;

- conclusie van repliek, met één productie;

- conclusie van dupliek.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1 [eiseres] is op 14 mei 1997 met [persoon 1] (hierna: “[persoon 1]”) gehuwd.

2.2 Op 17 september 1999 hebben [eiseres] en [persoon 1] een overeenkomst van geldlening gesloten met RVS Financiële Diensten (hierna: “RVS”). Op grond van die overeenkomst heeft RVS aan [eiseres] en [persoon 1] een krediet in rekening-courant verstrekt tot een bedrag van maximaal f. 50.001,-. [eiseres] en [persoon 1] zijn op grond van de algemene voorwaarden van RVS hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van het gehele bedrag.

2.3 [gedaagde] heeft vanaf oktober/november 1999 de belangen behartigd van [eiseres] en [persoon 1] in een echtscheidingsgeding en bij de totstandkoming van een daar¬aan voorafgaand echtscheidingsconvenant, dat [eiseres] en [persoon 1] op 23 november 1999 hebben ondertekend (hierna: “het convenant”). Deze rechtbank heeft op 14 februari 2000 de echtscheiding tussen [eiseres] en [persoon 1] uitgesproken en daarbij de verdeling van de gemeenschap tussen hen vast¬gesteld conform het convenant.

2.4 In het convenant is bepaald dat aan [persoon 1] werd toegedeeld de verplichtingen die voortvloeiden uit de hiervoor vermelde kredietovereenkomst met RVS en dat hij [eiseres] zou vrijwaren voor aanspraken van RVS uit hoofde van die lening, met dien verstande dat [eiseres] uit haar aandeel in de overwaarde van de echtelijke woning (na verkoop daarvan) een bedrag van f. 15.000,- zou benutten om de hoofdsom van die lening te verminderen.

2.5 [persoon 1] heeft nagelaten zijn afspraken zoals vastgelegd in het convenant na te komen. Met name is hij zijn verplichting niet nagekomen om zijn aandeel in het verschuldigde bedrag aan RVS te voldoen.

2.6 Bij brief van 2 januari 2002 heeft RVS medegedeeld dat [eiseres] door onder¬tekening van de tussen haar, [persoon 1] en RVS gesloten financieringscontract hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling van de rente en aflossing totdat de lening geheel is afgelost. Voorts is [eiseres] in die brief in kennis gesteld van de op dat moment bestaande achterstand op het plan van aflossing van € 124,73 en is haar verzocht, ter voorkoming van maatregelen, die achterstand binnen acht dagen te voldoen. Blijkens een brief van RVS aan [eiseres] van 16 april 2002 was de achterstand op dat moment opgelopen tot € 628,30. [eiseres] is tot betaling gesommeerd.

2.7 [eiseres] heeft in de periode van mei 2003 tot en met november 2005 maandelijks € 50,- aan RVS betaald.

2.8 Bij vonnis van 9 augustus 2006 heeft de rechtbank Dordrecht [eiseres] en [persoon 1], overeen¬komstig de dagvaarding van RVS van 27 oktober 2005, hoofdelijke veroordeeld tot betaling van € 15.846,59 vermeerderd met de overeengekomen rente en kosten. In vrijwaring heeft de rechtbank Dordrecht [persoon 1] veroordeeld om aan [eiseres] al datgene te betalen waartoe [eiseres] in de hoofdzaak was veroordeeld met inbegrip van de kosten van de procedure.

2.9 [persoon 1] heeft niet betaald. RVS heeft op 29 juni 2007 het vonnis geëxecuteerd door ten laste van [eiseres] loonbeslag te leggen voor een bedrag van € 495,41 per maand.

2.10 Namens [eiseres] heeft mr. S. Bharatsingh (advocaat te Hilversum) [gedaagde] bij brief van 17 juli 2007 aansprakelijk gesteld.

3 De vordering

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor recht dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de deugdelijke nakoming van de met [eiseres] gesloten overeenkomst van opdracht, [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] schadevergoeding te betalen op te maken bij staat en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [eiseres] heeft met [persoon 1] tijdens hun bespreking van de echtscheiding met [gedaagde] de afspraak gemaakt dat [eiseres] niet aansprakelijk gesteld zou worden door RVS. [eiseres] en [persoon 1] hebben aan [gedaagde] tijdens deze bespreking aangegeven dat hij in de tekst van het convenant een bepaling van die strekking moest opnemen. Die bepaling moest inhouden dat [persoon 1] ertoe werd verplicht te bewerkstelligen dat [eiseres] na betaling van f. 15.000,- van haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de resterende schuld zou worden ontslagen.

3.2 Door in het convenant slechts een bepaling op te nemen op grond waarvan [persoon 1] gehouden was de aflossing van de RVS-lening voor zijn rekening te nemen en [eiseres] te vrijwaren, is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de met [eiseres] en [persoon 1] gesloten overeenkomst van opdracht en aansprakelijk voor de door [eiseres] geleden schade.

3.3 [gedaagde] is aan [eiseres] vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de kosten van het geding.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 De vordering is verjaard. [eiseres] was vanaf begin 2002 op de hoogte van de omstandigheid dat RVS de achterstanden op de aflossing van de lening op haar verhaalde, zodat de verjaringstermijn op dat moment is aangevangen. De verjaring is niet tijdig gestuit.

4.2 Betwist wordt dat [eiseres] en [persoon 1] [gedaagde] hebben verzocht in het convenant een bepaling op te nemen met de strekking dat [persoon 1] ertoe werd verplicht te bewerkstelligen dat [eiseres] na betaling van f. 15.000,- van haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de resterende schuld zou worden ontslagen. Eind 1999 bestond er geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat [persoon 1] niet in staat zou zijn om aan de resterende kredietverplichtingen jegens RVS te voldoen. Bij de toedeling van een rekening-courantlening aan één van de echtelieden, zonder voorzienbaar risico op betalingsonmacht van diegene en met vrijwaring van de andere echtgenoot ter zake aanspraken van de kredietverstrekker valt, behoudens bijzondere omstandigheden, niet in te zien dat en waarom op de advocaat van de echtelieden de verplichting rust om hen van die afspraken te weerhouden.

4.3 RVS zou niet hebben meegewerkt aan het onstlag van [eiseres] uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid.

4.4 Betwist wordt dat [persoon 1] eind 1999 genegen zou zijn geweest om mee te werken aan een verdeling bij welke de overwaarde van de woning volledig was aangewend voor de (gedeeltelijke) aflossing van het RVS-krediet en bij welke de auto werd verkocht ter delging van de resterende kredietschuld.

4.5 Voor zover het verjaringsverweer wordt gepasseerd en voor zover geoordeeld wordt dat [gedaagde] niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat verwacht had mogen worden, wordt betwist dat [eiseres] schade heeft geleden die daaraan is toe te rekenen.

5 De beoordeling

5.1 [gedaagde] heeft als meest verstrekkend verweer betoogd dat de vordering van [eiseres] is verjaard. [eiseres] heeft betwist dat haar vordering is verjaard en heeft daartoe een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 1998, gepubliceerd in NJ 2000, 15. De rechtbank overweegt als volgt.

5.2 Ingevolge artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade in beginsel door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. [eiseres] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat deze verjaringstermijn begin januari 2002 met de kennisname van de onder 2.6 bedoelde brief van RVS is aangevangen. Voorts is niet gesteld of gebleken dat die verjaring tijdig is gestuit. Vast staat dat [gedaagde] pas bij de onder 2.8 bedoelde brief van 17 juli 2007 aansprakelijk is gesteld. Op dat moment was de termijn van vijf jaar reeds verstreken.

5.3 Het beroep van [eiseres] op het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 1998, NJ 2000, 15 kan haar niet baten. In dat arrest heeft de Hoge Raad beslist dat in een geval een vordering verjaart welke de schuldenaar niet geldend heeft kunnen maken en dat niet geldend kunnen maken voortvloeit uit omstandigheden die aan de debiteur (in dit geval dus [gedaagde]) moeten worden toegerekend, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de debiteur zich erop zou mogen beroepen dat de vijfjarige verjaring een aanvang heeft genomen op het moment dat de benadeelde met de schade en de voor die schade aansprakelijke persoon bekend is geworden. In zodanig geval moet worden aangenomen dat de verjarings¬termijn eerst een aanvang neemt wanneer die omstandigheden het kunnen geldend maken van de vordering niet langer verhinderen. Zonder nadere toe¬lichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [eiseres] haar vordering jegens [gedaagde] niet geldend heeft kunnen maken. Zij heeft niet toegelicht waarom zij, toen zij door RVS werd aangesproken, op haar beurt niet in staat was naast [persoon 1] ook [gedaagde] aan te spreken. Evenmin heeft zij toegelicht dat, als al sprake zou zijn van een niet geldend kunnen maken van de vordering in vorenbedoelde zin, dit niet geldend kunnen maken voortvloeit uit omstandigheden die zijn toe te rekenen aan [gedaagde]. Ook overigens heeft [eiseres] geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond van welke geoordeeld zou moeten worden dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.4 Op grond van het voorgaande slaagt het door [gedaagde] gedane beroep op verjaring. Dit brengt met zich dat de vordering moet worden afgewezen. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6 De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vordering van [eiseres];

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 254,00 aan vast recht en op € 1.356,00 aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis voor zover het de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren.

Uitgesproken in het openbaar.

336/204