Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ8874

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-08-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
10/750086-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Rotterdam PROMIS

Geen sprake van infiltratie ex artikel 126h van het Wetboek van Strafvordering, nu daardoor niet is meegewerkt of deelgenomen aan strafbare feiten. Met het sturen van een sms [aan een mogelijke verdachte] in het kader van het onderzoek, wordt geen inbreuk gemaakt op enig grondrecht, derhalve valt het binnen de normale opsporingsbevoegdheden.

Van invoer van cocaine, al of niet in de variant van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, of medeplichtigheid daaraan kan geen sprake zijn, nu de koffier met cocaine reeds door de Duitse politie in beslag genomen was en deze dus nimmer Nederland is binnengekomen.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 10
Opiumwet 10a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: […]

Datum uitspraak: 20 augustus 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres], ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief in de penitentiaire inrichting Rijnmond, “De IJssel”,

raadsvrouw mr. S. Boersma, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2009.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze overeenkomstig de vordering van de officier van justitie tijdens de pro forma zitting van

23 september 2008 is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met anderen invoeren van ongeveer 10 kg cocaïne in Nederland of een poging daartoe heeft gedaan, alsmede het treffen van voorbereidingen daarvoor.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Koorn heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaar met aftrek van voorarrest.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Namens de verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging, op basis van de volgende punten:

1. In het opsporingsonderzoek is sprake geweest van infiltratie ex art. 126h van het Wetboek van Strafvordering, nu op verzoek van een Nederlandse officier van justitie door een Duitse opsporingsambtenaar een sms-bericht is verzonden naar een telefoonnummer waarvan bij het opsporingsteam het vermoeden bestond dat deze telefoon toebehoorde aan iemand die betrokken was bij het vervoer van verdovende middelen. Er is echter niet voldaan aan de eisen van lid 3 van voornoemd artikel;

2. Het observatieverslag van 11 juli 2008 is niet conform de werkelijkheid. Er wordt gesproken over het pand, in plaats van de flat en - gezien de situatie ter plaatse - is het onmogelijk dat iemand heeft waargenomen bij welk huisnummer de verdachte heeft aangebeld;

3. De verdediging is ernstig in haar belangen geschaad omdat het onderzoek zich alleen op de verdachte heeft gericht en er geen nader onderzoek is gedaan naar de in Brazilië betrokken personen.

De rechtbank overweegt het volgende.

1. Met de enkele verzending van een sms-bericht is er geen sprake van infiltratie ex artikel 126h van het Wetboek van Strafvordering, nu daardoor niet is meegewerkt of deelgenomen aan strafbare feiten, in casu de invoer van cocaïne, die door een groep van personen werden beraamd of gepleegd. Bovendien was de medeverdachte op dat moment al aangehouden en de cocaïne in beslag genomen.

Nu met het sturen van een sms geen inbreuk wordt gemaakt op enig grondrecht, valt het binnen de normale opsporingsbevoegdheden.

2. Het observatieverslag van 11 juli 2008 is door vijf opsporingsambtenaren op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat in strijd met de werkelijkheid is geverbaliseerd. De verklaring van de verdachte dat hij ook nog andere handelingen heeft verricht dan de verbalisanten hebben waargenomen, maakt dit niet anders. In het verslag wordt weliswaar gesproken over het pand, maar er wordt ook melding gemaakt van een centraal bellenbord en een centrale brievenbus. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat er op het moment dat hij bij de flat was, een groep Antillianen en een postbode in de buurt waren, zodat niet kan worden uitgesloten dat is waargenomen bij welk nummer hij heeft aangebeld.

3. Het is aan het openbaar ministerie om te bepalen welk onderzoek verricht wordt en wanneer dat is afgerond en de rechtbank dient vervolgens tot een oordeel te komen op basis van de stukken die aan haar worden voorgelegd.

Het is de verdachte zelf geweest die niet heeft willen wachten op de uitkomst van het bij de Braziliaanse autoriteiten ingediende rechtshulpverzoek.

Gezien het vorenstaande is het openbaar ministerie ontvankelijk in haar vordering.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Ten aanzien van feit 1 primair:

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het onder feit 1 primair tenlastegelegde.

Op het tijdstip dat de verdachte zich naar de woning van de medeverdachte [naam medeverdachte] in Rotterdam begaf, was de koffer met cocaïne reeds door de Duitse politie in beslag genomen en deze is dus nimmer Nederland binnengekomen. Hieruit volgt dat van invoer van cocaïne, al of niet in de variant van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, of medeplichtigheid daaraan geen sprake kan zijn. Het onder 1 primair tenlastegelegde kan derhalve niet bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank spreekt de verdachte eveneens vrij van het onder feit 2 tenlastegelegde.

De medeverdachte [naam medeverdachte] heeft op 18 augustus 2008 tegenover de politie in Duitsland verklaard dat [voornaam overeenkomend met voornaam verdachte] hem enkele maanden geleden had gebeld, dat hij een paar keer bij [medeverdachte] thuis is geweest en nog een aantal malen gebeld heeft om af te spreken wanneer [medeverdachte] naar Brazilië zou kunnen reizen. Vervolgens heeft [medeverdachte] als getuige tegenover de rechter-commissaris verklaard dat alles in Nederland is besproken en dat tijdens de telefoongesprekken tussen hem en verdachte tijdens zijn verblijf in Brazilië niet over de ‘gang van zaken’ is gesproken. Dit betekent dat de uitvoeringshandelingen zoals die onder feit 2 ten laste zijn gelegd, niet op of omstreeks de ten laste gelegde periode zijn gepleegd en dit feit derhalve niet bewezen kan worden verklaard.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Betrouwbaarheid van de verklaring van de medeverdachte [naam medeverdachte]

De raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte] onbetrouwbaar zijn omdat deze niet consistent zijn en hij daar in zijn eigen zaak belang bij had. Deze dienen daarom te worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank overweegt dat het feit dat [medeverdachte] er in zijn eigen zaak mogelijk belang bij had om een verklaring af te leggen niet impliceert dat hij in strijd met de waarheid heeft verklaard. Daar waar [medeverdachte] in zijn verklaring schuift betreft het punten die van ondergeschikt belang zijn. De kern van zijn verklaring is van meet af aan gelijk. De rechtbank zal de verklaringen van [medeverdachte] dan ook gebruiken voor het bewijs.

Verdere bewijsmotivering ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Van het volgende wordt uitgegaan:

Op woensdag 8 juli 2008 is [medeverdachte] aangehouden op het vliegveld van Frankfurt am Main in Duitsland. In zijn koffer bevond zich circa 10.000 gram cocaïne. [medeverdachte] heeft van [voornaam overeenkomend met voornaam verdachte] opdracht gekregen om 2,5 à 3 kg cocaïne op te halen in Sao Paulo (Brazilië) en naar Nederland te vervoeren. Op 29 juni 2008 is [medeverdachte] naar Sao Paulo gevlogen. Daar heeft hij van een hem onbekende man de koffer met cocaïne gekregen. [medeverdachte] had met [voornaam overeenkomend met voornaam verdachte] afgesproken dat hij vanuit Sao Paulo naar Frankfurt am Main zou reizen en vervolgens via Brussel naar Rotterdam. Zodra hij daar zou aankomen, zou [medeverdachte] [voornaam overeenkomend met voornaam verdachte] bellen. Vervolgens zou [voornaam overeenkomend met voornaam verdachte] de koffer met cocaïne bij hem thuis komen ophalen en zou [medeverdachte] hiervoor € 12.000 ontvangen.

Het telefoonnummer dat [medeverdachte] van [voornaam overeenkomend met voornaam verdachte] had gekregen is […]. Op vrijdag 11 juli 2008 heeft een Duitse opsporingsambtenaar om 13:02 vanaf de mobiele telefoon van [medeverdachte] een sms-bericht verstuurd naar voornoemd telefoonnummer. Dat luidde: ‘Ik ben thuis’. Sinds de aanhouding van de verdachte zijn via dit telefoonnummer geen gesprekken meer gevoerd of ontvangen. [medeverdachte] woont op [adres].

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij op vrijdag 11 juli 2008 tussen 13:00 en 14:00 uur bij de flat op [adres medeverdachte] was, dat hij daar heeft aangebeld en heeft gehengeld in twee brievenbussen.

De verdachte heeft verklaard dat zijn aanwezigheid daar niets met de invoer van verdovende middelen te maken had en dat hij [medeverdachte] niet kende. Hij had een afspraak met [naam 2] bij een ‘hang-out’ voor het winkelcentrum, omdat die een ‘mannetje’ had die zijn auto zou kunnen repareren. Als [naam 2] niet bij de ‘hang-out’ zou zijn, was de afspraak dat hij moest aanbellen bij de kennis van [naam 2] die woont op [adres kennis naam 2]. Omdat hij [naam 2] niet zag heeft hij bij dit nummer aangebeld, maar toen er niet werd opengedaan heeft hij in de brievenbus van [medeverdachte] én een brievenbus vlak naast de ingang van de flat gekeken of [naam 2] daar soms een bericht voor hem had achtergelaten.

Met [naam 3] was hij op weg naar de Spaanse Polder om een radiateur op te halen, maar dat was bij iemand anders. Het ‘mannetje’ van [naam 2] zou de radiateur plaatsen.

De rechtbank acht het onaannemelijk dat de verdachte de medeverdachte [naam medeverdachte] niet kent. Al vanaf zijn eerste verklaring noemt [medeverdachte] de naam [voornaam overeenkomend met voornaam verdachte] als degene in wiens opdracht hij heeft gehandeld. Hij beschrijft hem daarbij als een man die in Rotterdam woont, van […] afkomst is, een lichte huidskleur heeft en nagenoeg kaal is. [voornaam overeenkomend met voornaam verdachte] rijdt in een Honda en ze kennen elkaar via een Mexicaanse vrouw, die zich [naam 4] noemt. Tijdens een fotoconfrontatie herkent [medeverdachte] de verdachte als de [voornaam overeenkomend met voornaam verdachte] waarover hij heeft gesproken. In een in de woning van de verdachte in beslag genomen telefoon is onder de naam [bijnaam medeverdachte] het telefoonnummer van [medeverdachte] aangetroffen en [medeverdachte] verklaart dat de verdachte hem wel eens zo noemde.

De verdachte voldoet aan de beschrijving die [medeverdachte] van hem geeft. Verder heeft de getuige [naam 4] verklaard dat volgens haar de verdachte en [medeverdachte] elkaar in 2004 tijdens de Heineken Danceparade hebben leren kennen en wordt door [naam 3] bevestigd dat de verdachte in een Honda rijdt.

De verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft gegeven voor zijn aanwezigheid op 11 juli 2008 bij de flat op [adres medeverdachte] en de handelingen die hij daar heeft verricht, acht de rechtbank niet geloofwaardig en objectief gezien ook onaannemelijk.

Deze verklaring vindt ook geen steun in de verklaringen van de getuige [naam 3], die de verdachte met de auto naar [adres medeverdachte] heeft gebracht. Hij verklaart dat hij juist degene was die iemand wist die iets aan de kapotte auto van de verdachte kon doen en die tevens onderdelen voor hem regelde. Toen ze daar naar op weg gingen heeft de verdachte tegen hem gezegd dat hij eerst nog even iets in [woonplaats medeverdachte] moest doen, maar niet wat dat was. Toen hij in [woonplaats medeverdachte] gelijk met de verdachte wilde uitstappen, heeft verdachte tegen hem gezegd dat hij in de auto moest blijven wachten. De verklaring van [naam 3] wordt bevestigd door [naam 5].

De verklaring van de getuige [naam 2] maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, ook al omdat deze niets zegt over een afspraak om bij [kennis naam 2] aan te bellen als hij niet op de hangplek zou zijn. Voorts verklaart [naam 2] dat hij met de verdachte had afgesproken naar de monteur te gaan, hetgeen in tegenspraak is met de afspraak van verdachte met [naam 3] en het feit dat verdachte [naam 3] in de auto liet wachten zonder te zeggen waar hij heen ging.

Tenslotte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat aan de verdachte geen enkele wetenschap kan worden toegedicht ten aanzien van de ten laste gelegde soort en de hoeveelheid verdovende middelen.

De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

[medeverdachte] heeft verklaard dat de verdachte hem opdroeg om 2,5 à 3 kg cocaïne op te halen uit Sao Paulo. De verdachte wist derhalve dat [medeverdachte] cocaïne zou vervoeren. Omdat de koffer met cocaïne volgens [medeverdachte] is aangeleverd door een ander dan de verdachte, valt niet uit te sluiten dat de verdachte niet wist hoeveel cocaïne er in de koffer was gedaan. De rechtbank acht daarom “slechts” de invoer van 2,5 à 3 kg cocaïne bewezen.

Gelet op het vorenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 29 juni 2008 tot en met 11 juli 2008 te Rotterdam en Sao Paulo in elk geval in Nederland en Brazilië

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in art. 1 lid 4 van de Opiumwet) een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, opzettelijk

(met ) verdachtes mededader, een koffer gevuld met cocaïne heeft aangeleverd aan en vervoerd naar en vervolgens deze koffer overgedragen aan medeverdachte [naam medeverdachte]teneinde naar Nederland te worden (over)gebracht;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 2/A Opiumwet jo art. 47/1/1 Wetboek van Strafrecht jo art. 45/1 Wetboek van Strafrecht).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

1. subsidiair

Het medeplegen van een poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij art. 10, vijfde lid, van de Opiumwet.

Het feit is strafbaar

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met anderen geprobeerd cocaïne in te voeren in Nederland. De politie in Duitsland heeft de cocaïne weten te onderscheppen. De drugs zijn daarom Nederland niet binnengekomen. Door de onderschepping zijn schadelijke gevolgen voorkomen. Cocaïne is een harddrug en vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid. Daarnaast veroorzaakt het gebruik van een dergelijk middel, door het vaak daarmee gepaard gaand crimineel gedrag, onrust en schade voor de samenleving.

Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur. Omdat de rechtbank minder bewezen acht dan ten laste is gelegd, zal deze aanzienlijk lager uitvallen dan door de officier van justitie is geëist. Tevens is gekeken naar de straffen die in vergelijkbare gevallen eerder door de rechtbank zijn opgelegd.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in voorts in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 februari 2009 in de afgelopen tien jaren niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en tevens is rekening gehouden met de gezondheid van de verdachte.

Om te bevorderen dat de verdachte zich voortaan zal onthouden van het plegen van strafbare feiten, ziet de rechtbank aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op de artikelen 14a, 14b, 45 en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van vierentwintig (24) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes (6) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren; de tenuit¬voerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Bijl - de Jong,

en mrs. Lamers - Wilbers en Houweling, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. McGivern , griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 augustus 2009 .

Bijlage bij vonnis van 20 augustus 2009:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

primair

hij in of omstreeks de periode van 29 juni 2008 tot en met 11 juli 2008 te Rotterdam en/of Sao Paulo en/of Frankfurt am Main, in elk geval in Nederland en/of Brazilië en/of Duitsland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 Opiumwet), een hoeveelheid van ongeveer 9880 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s), een koffer gevuld met cocaïne aangeleverd aan en/of vervoerd naar en vervolgens deze koffer heeft/hebben overgedragen een medeverdachte [naam medeverdachte]en/of de luchtvaartmaatschappij waarmee die [medeverdachte] reisde teneinde naar Nederland te worden (over)gebracht;

(art. 2/A OW jo. Art 47 Sr)

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 29 juni 2008 tot en met 11 juli 2008 te Rotterdam en/of Sao Paulo en/of Frankfurt am Mein, in elk geval in Nederland en/of Brazilië en/of Duitsland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in art. 1 lid 4 van de Opiumwet) van een hoeveelheid van ongeveer 9.880 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, opzettelijk (met een of meer van) verdachtes mededader(s), een koffer gevuld met cocaïne aangeleverd aan en/of vervoerd naar en/of vervolgens deze koffer heeft/hebben overgedragen aan medeverdachte [naam medeverdachte]en/of luchtvaartmaatschappij waarmee die [medeverdachte] reisde teneinde naar Nederland te worden (over)gebracht; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 2/A Opiumwet jo art. 47/1/1 Wetboek van Strafrecht jo art. 45/1 Wetboek van Strafrecht).

2.

hij in of omstreeks de periode van 29 juni 2008 tot en met 11 juli 2008 t Rotterdam en/of Sao Paulo en/of Frankfurt am Main, in elk geval in Nederland en/of Brazilië en/of Duitsland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 9880 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s),

- een koerier, [medeverdachte], geregeld voor het vervoer van de verdovende middelen en/of

- afspraken gemaakt over de wijze van overdracht en/of aflevering van de verdovende middelen;

(art.10a lid 1 onder 1 jo. 10a lid 1 onder 2 OW jo. Art 47 Sr)