Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ6256

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
27-08-2009
Zaaknummer
300167 / HA ZA 08-300
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil omtrent declaratie advocaat. De rechtbank concludeert dat advocaat geen beroepsfout heeft gemaakt. De overige stellingen van gedaagde richten zich tegen de hoogte van de facturen. Dit is een geschil als bedoeld in artikel 32 Wtbz, zodat de Raad van Toezicht de aangewezen instantie is om over dit resterende geschil te oordelen. De rechtbank houdt daarom elke verdere beslissing aan totdat partijen de in de Wtbz voorgeschreven procedure hebben gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 300167 / HA ZA 08-300

Uitspraak: 29 juli 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.P.M. Borsboom,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. P.H.Ch.M. van Swaaij.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiseres]” respectievelijk “[gedaagde]”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 12 april 2007 en de door [eiseres] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

- conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

- conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, met producties;

- conclusie van dupliek in reconventie;

- de stukken van de op 13 oktober 2006 ten verzoeke van [eiseres] en ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire beslagen.

2 De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1 [eiseres] heeft [gedaagde], in zijn opdracht en voor zijn rekening, in de periode van maart 1999 tot en met september 2004 in een aantal zaken advies en rechtsbijstand gegeven. Tussen partijen was afgesproken dat [eiseres] de door haar te verrichten werkzaamheden in rekening zou brengen op basis van een uurtarief.

2.2 Het advies en de bijstand had betrekking op de volgende zaken:

- Twee aansprakelijkheidsprocedures ex de artikelen 49 en 50 Invorderingswet 1990. De Ontvanger had [gedaagde] aansprakelijk gesteld in zijn hoedanigheid van bestuurder van de inmiddels failliete vennootschap Holland Food Machinery B.V. (hierna: HFM).

- Een aansprakelijkstelling door het UWV van [gedaagde] ten aanzien van onbetaald gebleven sociale verzekeringspremies van HFM.

- Een procedure tussen de VSB Bank en [gedaagde] ter zake een gestelde dubbele verpanding.

2.3 [eiseres] heeft voor de door haar verrichte werkzaamheden en voorgeschoten kosten declaraties gestuurd voor een totaalbedrag van € 170.271,66. [gedaagde] heeft deze declaraties tot een bedrag ad € 79.385,16 voldaan.

2.4 [eiseres] heeft haar aan [gedaagde] gezonden declaraties op 3 mei 2006 ter begroting ingediend bij de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement Dordrecht. De Raad van Toezicht heeft zich op 18 augustus 2006 onbevoegd verklaard de declaraties te begroten, nu het in die procedure gevoerde verweer van [gedaagde] vooral betrekking had op een zogenoemd wanprestatieverweer en de Raad niet bevoegd is te oordelen in geschillen over tekortkomingen in de dienstverlening door de advocaat.

3 Het geschil in conventie

De vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen aan [eiseres] te betalen € 110.659,87 met rente en kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [gedaagde] heeft ten onrechte de hem door [eiseres] gezonden declaraties tot een bedrag ad € 90.886,50 onbetaald gelaten.

3.2 Op grond van artikel 10 van de algemene voorwaarden van [eiseres] en de wet dient de hoofdsom verhoogd te worden met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de facturen (zijnde 21 dagen na de factuurdatum) en met de kosten van buitengerechtelijke incasso.

3.3 De wettelijke rente bedraagt tot en met 21 februari 2007 € 16.931,37. De buitengerechtelijke incassokosten bedragen € 2.842,-.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.

4 Het geschil in reconventie

De vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

- [eiseres] te veroordelen aan [gedaagde] te vergoeden de door hem reeds geleden dan wel nog te lijden schade, nader op te maken bij staat;

- [eiseres] te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente vanaf de dag van beslaglegging door [eiseres] op het woonhuis van [gedaagde];

- de opheffing te bevelen van de diverse gelegde beslagen;

- met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.

Aan deze vordering heeft [gedaagde] naast hetgeen in conventie als verweer is aangevoerd, de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

4.1 Door het handelen van [eiseres] heeft [gedaagde] de volgende schade geleden:

- [gedaagde] heeft teveel aan [eiseres] betaald en hem zijn ten onrechte bedragen in rekening gebracht.

- [gedaagde] heeft kosten moeten maken om geld te lenen teneinde betalingen te kunnen doen. Hij heeft verzuimuren gehad om zijn verweer op papier te moeten zetten.

- [gedaagde] heeft immateriële schade geleden door de ergernis samenhangende met de als te hoog ervaren declaraties en de pogingen tot overleg en redelijke afdoening.

- [gedaagde] heeft schade geleden als gevolg van het beslag op zijn woonhuis.

[eiseres] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [gedaagde] in de kosten van het geding.

5 De beoordeling

In conventie

5.1 [gedaagde] heeft gesteld dat niet de rechtbank Rotterdam, doch de rechtbank Arnhem bevoegd is om van onderhavig geschil kennis te nemen. [eiseres] heeft de bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam gegrond op de door haar gehanteerde algemene voorwaarden. [gedaagde] heeft niet betwist dat hij deze algemene voorwaarden, waarnaar verwezen wordt op de door [eiseres] aan hem gezonden opdrachtbevestigingsbrieven en facturen, heeft aanvaard. Wel heeft hij gesteld dat deze algemene voorwaarden destijds niet zijn meegezonden. Kennelijk doelt [gedaagde] hiermee op artikel 6:233 BW. Nu [gedaagde] echter geen beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van deze algemene voorwaarden gaat de rechtbank aan deze stelling voorbij. De algemene voorwaarden zijn derhalve op de tussen partijen gesloten overeenkomst van toepassing. Nu [gedaagde] niet heeft betwist dat daarin de rechtbank Rotterdam wordt aangewezen als de bevoegde rechter, heeft [eiseres] onderhavig geding terecht bij de rechtbank Rotterdam aanhangig gemaakt.

5.2 [gedaagde] heeft voorts gesteld dat [eiseres] altijd gefactureerd heeft aan de besloten vennootschap EN-BE B.V. (hierna: EN-BE). Voor zover [gedaagde] hiermee heeft bedoeld te stellen dat hij op die grond niet gehouden is de facturen te voldoen, gaat de rechtbank hieraan voorbij. [gedaagde] heeft niet betwist dat [eiseres] in zijn opdracht en voor zijn rekening de werkzaamheden heeft verricht, waarvan thans betaling wordt verlangd.

5.3 [gedaagde] heeft voorts gesteld dat [eiseres] in de door haar behandelde zaken heeft nagelaten bepaalde feiten en omstandigheden naar voren te brengen, bepaalde stellingen van de wederpartij niet althans onvoldoende heeft bestreden en bepaalde handelingen, zoals het oproepen van een derde in vrijwaring, heeft nagelaten. Kennelijk verwijt [gedaagde] [eiseres] dat zij is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst.

De rechtbank stelt voorop dat indien een partij een advocaat inschakelt om hem bij te staan in juridische procedures op deze advocaat een inspanningsverplichting rust. Hij dient de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen en te handelen overeenkomstig de zorg die een advocaat dient te betrachten ten opzichte van degene wier belangen hij behartigt. De advocaat heeft hierbij een zekere vrijheid om, in overleg met zijn cliënt, te bezien welke strategie in een bepaalde procedure wordt gekozen, welke stellingen naar voren zullen worden gebracht, welke stukken worden overgelegd, welke (proces)handelingen zullen worden verricht etc. De raadsman dient echter bij zijn werkzaamheden de zorgvuldigheid te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Er kan pas gesproken worden van een toerekenbare tekortkoming indien een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden anders gehandeld zou hebben dan wel een advies niet zou hebben gegeven. [gedaagde] heeft slechts gesteld wat [eiseres] in zijn ogen anders had moeten doen, doch heeft niet gesteld dat een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden anders gehandeld zou hebben. Voor zover [gedaagde] dit wel heeft bedoeld te stellen, overweegt de rechtbank omtrent de door hem naar voren gebrachte verwijten als volgt.

5.3.1 De procedures van de Ontvanger

[gedaagde] verwijt [eiseres] dat in deze zaken niet is ingegaan op de grondslag van de aansprakelijkheid, de hoogte en de rechtsbasis voor die naheffingaanslagen.

Voor wat betreft de hoogte van de naheffingsaanslagen heeft [eiseres] aangevoerd dat uitdrukkelijk met [gedaagde] is afgesproken dat hij zelf bezwaar zou maken tegen deze hoogte. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst [eiseres] naar de opdrachtbevestigingen van 30 maart 1999 respectievelijk 14 april 1999 (productie 2 bij dagvaarding). In de opdrachtbevestiging van 30 maart 1999 staat vermeld: “Ik wijs u erop dat bezwaar tegen de hoogte van de schuld door ons niet zal worden ingesteld. Dat kunt u het beste doen door tussenkomst van uw accountant.” In de opdrachtbevestiging van 14 april 1999 staat vermeld: “Wij bespraken dat (…) u zelf (…) bezwaar maakt tegen de hoogte van de aansprakelijkheidsschuld.” In het licht hiervan is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd op grond waarvan [eiseres] desondanks in de procedures in had moeten gaan op de hoogte van de aanslagen. De rechtbank gaat mitsdien aan deze stelling van [gedaagde] voorbij.

Voor wat betreft de overige verwijten is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft geconcretiseerd waarop deze verwijten zien. Uit de stellingen van partijen begrijpt de rechtbank dat de Ontvanger zijn vorderingen had gegrond op “kennelijk onbehoorlijk bestuur”. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat zij hiertegen uitgebreid verweer heeft gevoerd. Wat [gedaagde] bedoelt met zijn stelling dat [eiseres] niet is ingegaan op de grondslag van de aansprakelijkheid is vervolgens, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk. De rechtbank gaat mitsdien ook aan deze stelling van [gedaagde] voorbij.

5.3.2 De aansprakelijkstelling door het UWV

[gedaagde] verwijt [eiseres] dat niet, althans onvoldoende is bestreden de niet-tijdige melding van betalingsonmacht en de hoogte van de premieschuld.

[eiseres] heeft hierop onbetwist gesteld dat in deze procedure met nadruk is betoogd dat HFM ([gedaagde]) aan haar meldingsplicht van betalingsonmacht heeft voldaan. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij verwezen naar de door haar opgestelde “Gronden van het hoger beroep ex artikel 18 jo 21 Beroepswet”, waarin het hierbedoelde verweer onder de punten 26-32 inderdaad staat vermeld. De rechtbank is van oordeel dat in het licht hiervan [gedaagde] zijn stelling dat [eiseres] de niet-tijdige melding van betalingsonmacht onvoldoende heeft bestreden onvoldoende heeft onderbouwd en gaat mitsdien aan deze stelling voorbij.

[eiseres] heeft voorts gesteld dat ook ten aanzien van de hoogte van de premieschuld tussen partijen is afgesproken dat [gedaagde] hiertegen zelf bezwaar zou aantekenen. Gezien hetgeen hiervoor onder 5.3.1 op dit punt is overwogen, gaat de rechtbank ook hier voorbij aan de stelling van [gedaagde] dat [eiseres] de hoogte van de premieschuld niet heeft bestreden.

Voorts verwijt [gedaagde] [eiseres] dat het geding ten onrechte is beperkt tot de weerlegging van het wettelijke vermoeden dat de niet-betaling van de premies het gevolg is geweest van aan [gedaagde] te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Uit de stellingen van partijen volgt dat dit de grondslag van de vordering van het UWV vormde, zodat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom [eiseres] haar verweer niet hierop had mogen richten. [gedaagde] heeft niet, althans niet voldoende specifiek, gesteld welk ander verweer [eiseres] als redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat naast dit verweer had moeten voeren.

5.3.3 De procedure van de VSB Bank

[gedaagde] heeft gesteld dat het onbegrijpelijk is dat in deze procedure door hem zelf geklaagd is over de onjuiste opzegging van het krediet, nu het een bedrijfskrediet betrof, zodat enkel HFM had kunnen klagen. [eiseres] heeft hierop gesteld dat dit één van de verweren betrof die in deze procedure zijn gevoerd en dat het logisch was om dit naar voren te brengen, nu dit verweer de opeising van de hoofdschuld en daarmee de positie van de borg (zijnde [gedaagde]) betrof. De rechtbank is van oordeel dat gezien deze betwisting [gedaagde] zijn stellingen op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd, zodat zij hieraan voorbij gaat.

5.3.4 Vrijwaring van [persoon 1] (mede-aandeelhouder en medebestuurder van HFM)

Voorts verwijt [gedaagde] [eiseres] dat [persoon 1] niet in vrijwaring is opgeroepen. [eiseres] heeft hierop gesteld dat [persoon 1] niet in vrijwaring is opgeroepen omdat hij geen verhaal bood, hetgeen uitvoerig met [gedaagde] is besproken. Het was ook de wens van [gedaagde] om [persoon 1] niet in vrijwaring op te roepen. [gedaagde] heeft niet betwist dat hij er zelf voor heeft gekozen [persoon 1] niet in vrijwaring op te roepen. Voorts is gesteld noch gebleken dat hij op dit punt destijds onjuist door [eiseres] is voorgelicht. De rechtbank gaat mitsdien ook aan deze stelling van [gedaagde] voorbij.

5.4 Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die, indien juist, tot het oordeel kunnen leiden dat [eiseres] een beroepsfout heeft gemaakt.

De rechtbank is voorts van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat, indien [eiseres] al niet voldoende zorgvuldig heeft gehandeld, [gedaagde] hierdoor schade heeft geleden. Gesteld noch gebleken is dat indien [eiseres] anders zou hebben gehandeld, de door [gedaagde] gevoerde procedures met meer succes zouden zijn afgelopen. Weliswaar heeft [gedaagde] gesteld dat hij schade heeft geleden doordat er teveel uren (en deels tegen een te hoog tarief) door [eiseres] in rekening zijn gebracht en doordat hij meer moet betalen dan nodig is, doch dit lijkt meer een verwijt ten aanzien van de wijze van factureren te zijn dan een verwijt gericht op de door [eiseres] voor [gedaagde] verrichte werkzaamheden. In hoeverre deze werkzaamheden (dan wel het nalaten van bepaalde werkzaamheden) ertoe zouden hebben kunnen geleid dat er teveel werkzaamheden door [eiseres] aan [gedaagde] in rekening zijn gebracht, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk.

5.5 De overige stellingen van [gedaagde] richten zich tegen de hoogte van de facturen.

Dit vormt een geschil als bedoeld in artikel 32 Wet tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz). In dit artikel wordt de Raad van Toezicht aangewezen als de instantie die in een dergelijk geschil het salaris van de advocaat dient te begroten. Partijen zijn in eerste instantie ook aan de procedure van de artikelen 32 en volgende Wtbz begonnen, doch de Raad van Toezicht te Dordrecht heeft zich onbevoegd verklaard omdat het in die procedure gevoerde verweer van [gedaagde] vooral betrekking had op een zogenoemd wanprestatieverweer. Nu uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat dit verweer verworpen wordt en thans nog slechts een geschil als bedoeld in artikel 32 Wtbz voorligt, is de rechtbank van oordeel dat de Raad van Toezicht te Dordrecht de bevoegde instantie is die over dit (resterende) geschil dient te oordelen. De rechtbank is daarom voornemens iedere verdere beslissing in conventie aan te houden tot partijen de procedure die is voorzien in de artikelen 32 en volgende Wtbz hebben gevolgd.

5.6 Opdat partijen zich door de uitvoering van het onder 5.5 geuite voornemen van de rechtbank niet verrast zullen voelen, zal de rechtbank de procedure verwijzen naar de rol voor een conclusie na tussenvonnis aan de zijde van [eiseres]. Bij die conclusie zal [eiseres] zich desgewenst over dit voornemen van de rechtbank kunnen uitlaten. [gedaagde] zal bij antwoordconclusie kunnen reageren. Indien partijen er geen behoefte aan hebben zich uit te laten, kunnen zij uiteraard ook – gezamenlijk – verwijzing van de procedure naar de parkeerrol verzoeken.

In reconventie

5.7 [gedaagde] vordert allereerst schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van een toerekenbare tekortkoming van [eiseres] in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Nu echter uit hetgeen in conventie is overwogen volgt dat er geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [eiseres], liggen de reconventionele vorderingen die zien op deze schade voor afwijzing gereed.

5.8 De overige vorderingen van [gedaagde] hebben betrekking op de door [eiseres] gelegde conservatoire beslagen. Nu in conventie nog niet is vastgesteld of [gedaagde] nog een bedrag verschuldigd is aan [eiseres], kan nog niet beoordeeld worden of de beslagen op goede grond zijn gelegd. De beslissing hieromtrent zal mitsdien worden aangehouden.

6 De beslissing

De rechtbank,

in conventie

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 9 september 2009 voor het nemen van een conclusie door [eiseres] als hiervoor bedoeld onder 5.6;

in conventie en in reconventie

houdt iedere (overige) beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Fiege.

Uitgesproken in het openbaar.

104/1729