Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ6251

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-08-2009
Datum publicatie
27-08-2009
Zaaknummer
333760/KG ZA 09-667
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Retentierecht op oplegger ter beschikking gesteld in het kader van vervoerovereenkomst. Artikel 23 (en 24) van de algemene vervoercondities 2002 (AVC 2002).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 333760/KG ZA 09-667

Uitspraak: 27 augustus 2009

VONNIS in kort geding in de zaak van:

Armando Andreas Silvio Mosele q.q., in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres],

gevestigd te Maasland,

eiser,

advocaat mr. F.J. Hordijk,

- tegen -

1. [gedaagde], h.o.d.n. [handelsnaam gedaagde],

wonende te [woonplaats], gemeente De Wolden,

2. de vennootschap onder firma [gedaagde sub 2]

gevestigd te [woonplaats], gemeente Berkelland,

3. de vennootschap onder firma Gemitrans V.O.F.,

gevestigd te Ten Boer,

gedaagden,

advocaat mr. L.J. Couvret.

Partijen worden hierna aangeduid als “de curator” respectievelijk “[gedaagde]”, “Woertman” en “Gemitrans”. Wanneer gedaagden tezamen bedoeld zijn worden zij als zodanig aangeduid.

1 Het verloop van het geding

De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- dagvaarding met producties;

- bij brief van 12 augustus 2009 van de zijde van gedaagden toegezonden conclusie van antwoord, met producties;

- bij faxberichten van 14 augustus 2009 door mr. Hordijk toegezonden nadere producties;

- pleitnotities van mr. Hordijk;

- pleitnotities van mr. Couvret.

Aangezien gedaagden vrijwillig ter zitting zijn verschenen is geen exploot van dagvaarding uitgebracht.

De raadslieden van partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van 17 augustus 2009.

2 De vaststaande feiten

In dit kort geding wordt van de navolgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.1

Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 februari 2009 is [eiseres] (hierna: [eiseres]) in staat van faillissement verklaard. Daarbij is mr. D.R. van der Meer tot rechter-commissaris benoemd en is mr. Mosele aangesteld als curator.

2.2

[eiseres] huurde ten tijde van het faillissement op basis van diverse huurovereenkomsten opleggers van Coldenhove Verhuur Bedrijfsvoertuigen B.V. (hierna: Coldenhove). Deze opleggers werden door [eiseres] ter beschikking gesteld aan (onder meer) gedaagden, die met deze opleggers in opdracht van [eiseres] goederen naar met name Scandinavië vervoerden. Aan [gedaagde] werd de oplegger met kenteken OJ-88-ZP (hierna: COL 31) ter beschikking gesteld, aan WRT de oplegger met kenteken OJ-71-NB (hierna: COL 28) en aan Gemitrans de oplegger met kenteken OK-98-FR (hierna: COL 35). Op de huurovereenkomsten tussen [eiseres] en Coldenhove zijn de “Algemene verhuur/demonstratie voorwaarden” van Coldenhove van toepassing.

2.3

Behalve van Coldenhove huurde [eiseres] ook opleggers van Trans Frigo Lease B.V (hierna: TFL) en van WestlandTrailerVerhuur B.V. (hierna: WTV).

2.4

De bestuurder van [eiseres] is de heer [bestuurder] (hierna: [bestuurder]). [bestuurder] is tevens de bestuurder van Coldenhove.

2.5

In het kader van het onder 2.2. bedoelde vervoer heeft [eiseres] Gemitrans bij brief van 18 maart 2008 een “raamovereenkomst” toegezonden. De begeleidende brief en de raamovereenkomst luiden - voor zover relevant - als volgt:

“(…)

Zoals met u besproken sturen wij u hierbij onze raamovereenkomst en onze vervoerscondities.

(…)

Tevens sturen wij u een kopie van de huurtrailervoorwaarden van zowel Coldenhove Verhuur, TFL en WTV. (…).

RAAMOVEREENKOMST

(…)

3. Voor zover daarvan in deze raamovereenkomst of de daarop te baseren specifieke vervoersovereenkomsten niet expliciet schriftelijk wordt afgeweken zijn op de relatie tussen partijen tevens van toepassing “de algemene verhuur/demonstratievoorwaarden van Coldenhove (…)”, alsmede de algemene voorwaarden van Trans Frigo Lease B.V ., de “TFL-voorwaarden”, alsmede de algemene voorwaarden van WestlandTrailerVerhuur B.V., de WTV-voorwaarden.

(…)

Uiteraard gelden de Coldenhove-, TFL- en WTV-voorwaarden slechts in het geval de expediteur ([eiseres]; opmerking voorzieningenrechter) aan de vervoerder (Gemitrans; opmerking voorzieningenrechter) materieel ter beschikking zou stellen, ongeacht of dat een trekker danwel een oplegger is en ongeacht of dat materiaal door Coldenhove, TFL of WTV aan de expediteur ter beschikking is gesteld.

(…).”

2.6

Op de vervoerovereenkomsten tussen [eiseres] en gedaagden zijn het CMR-verdrag en de algemene vervoercondities 2002 (hierna: de AVC-2002) van toepassing. Artikel 23 en 24 van de AVC 2002 luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 23 retentierecht

1.De vervoerder heeft jegens ieder, die daarvan afgifte verlangt, een retentierecht op zaken en documenten, die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich heeft. Dit recht komt hem niet toe indien hij op het tijdstip dat hij de zaken ten vervoer ontving, reden had te twijfelen aan de bevoegdheid van de afzender de zaken ten vervoer ter beschikking te stellen.

(…).

Artikel 24 Pandrecht

1.Alle goederen, documenten en gelden, die de vervoerder in verband met de vervoerovereenkomst onder zich heeft, strekken hem tot pand voor alle vorderingen, die hij ten laste van de afzender heeft.

(…).”

2.7

De “voorganger” van de AVC 2002, de AVC 1983, kende geen pandrecht voor de vervoerder. In 2002 zijn door de verladers- en vervoerdersorganisaties nieuwe AVC (de AVC 2002) opgesteld. Een in dat kader door de opstellers van de nieuwe voorwaarden aan “het hoofdbestuur” ter instemming voorgelegd document van 6 mei 2002, vermeldt (onder meer) het volgende:

“Zekerheden voor de vervoerder

De werkingssfeer van het nieuwe artikel 24 AVC is uitgebreid. De woorden “uit hoofde van de vervoerovereenkomst” zijn veranderd in “in verband met de vervoerovereenkomst”. “Uit hoofde van” betreft alleen de te vervoeren of vervoerde zaken. “In verband met” is wat dat betreft ruimer.”

2.8

De leden 3, 4 en 7 van artikel 8 van de “Algemene verhuur/demonstratie voorwaarden” van Coldenhove, zoals deze tussen [eiseres] en Coldenhove golden, luiden - voor zover relevant - als volgt:

“3. Het is de huurder verboden de oplegger, noch enig onderdeel daarvan, te vervreemden, bezwaren, verpanden, onderverhuren, uitlenen, dan wel op enigerlei wijze aan derden ter beschikking te stellen.

4. De huurder zal tegenover derden nimmer de indruk wekken of toelaten dat de indruk ontstaat als zou hij bevoegd zijn tot het verrichten van de in lid 3 van dit artikel omschreven handelingen.

(…)

7. Het is de huurder zonder voorafgaande toestemming van verhuurder niet toegestaan:

- (…) reclame-uitingen van enigerlei aard op de oplegger aan te brengen;

- de oplegger te (doen) gebruiken in andere landen dan Nederland. ”

2.9

Wegens het faillissement zijn de huurovereenkomsten tussen Coldenhove en [eiseres] beëindigd.

2.10

De hiervoor onder 2.2 bedoelde opleggers bevinden zich thans (nog altijd) bij de respectievelijke gedaagden.

3 Het geschil

3.1

De curator heeft - zakelijk weergegeven - gevorderd om ieder van gedaagden te veroordelen 1) tot afgifte van de zich onder hen bevindende, aan Coldenhove toebehorende opleggers, aan Coldenhove, op straffe van verbeurte van een dwangsom en 2) tot betaling van

€ 5.000,- bij wijze van voorschot op schadevergoeding, met veroordeling voorts van gedaagden in de proceskosten.

3.2

De curator heeft aan deze vorderingen het volgende ten grondslag gelegd.

Gedaagden hebben ten onrechte nagelaten de door [eiseres] aan hen ter beschikking gestelde opleggers af te geven. Gedaagden kunnen zich niet op enig retentie- of pandrecht beroepen. Artikel 23 lid 1 en artikel 24 lid 1 van de AVC zien niet op de oplegger waarmee het vervoer is geschied. De opleggers moeten worden geacht op grond van een overeenkomst van bruikleen aan gedaagden ter beschikking zijn gesteld, zodat de opleggers hoe dan ook geen deel uitmaken van de vervoerovereenkomsten en daarom niet worden beslaan door artikel 23 lid 1 en 24 lid 1 van de AVC. Nu gedaagden voorts moeten worden geacht bekend te zijn geweest met de onbevoegdheid van [eiseres] om de van Coldenhove gehuurde opleggers aan derden in gebruik te geven, kan hun beroep op een retentie- respectievelijk pandrecht hoe dan ook niet slagen, gezien het bepaalde in de tweede volzin van artikel 23 lid 1 van de AVC en het bepaalde in artikel 3:238 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

De curator heeft er belang bij dat de opleggers spoedig aan Coldenhove worden afgegeven. [eiseres] pleegt jegens Coldenhove wanprestatie door de opleggers niet af te geven. Coldenhove heeft [eiseres] aansprakelijk gesteld voor de daardoor geleden schade, bestaande uit ruim € 5.000,- per maand wegens gederfde huurinkomsten. Immers, [eiseres] is Coldenhove voor de COL 31, de COL 28 en de COL 35 respectievelijk € 1.757,-, € 1.700,- en

€ 1,795,- per maand exclusief BTW verschuldigd. Wanneer de huidige situatie voortduurt, leidt de failliete boedel (oplopende) schade.

3.3

Het verweer van gedaagden strekt tot afwijzing van de vorderingen van de curator met veroordeling van de curator, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

Op de inhoud van het verweer van gedaagden wordt hierna, bij de beoordeling, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Genoegzaam aannemelijk is dat de failliete boedel schade lijdt doordat [eiseres] niet in staat is de hier bedoelde opleggers aan Coldenhove te retourneren conform haar contractuele verplichtingen en dat deze schade naarmate de huidige situatie voortduurt in omvang toeneemt. Hiermee is het spoedeisende belang bij de vorderingen voldoende gegeven.

4.2

Gedaagden hebben zich tegen de vordering verweerd met een beroep op het retentie- en pandrecht van artikel 23 en 24 van de AVC 2002. Volgens de curator slaagt dat beroep niet en komt gedaagden een retentie- noch pandrecht toe. In dat kader wordt het volgende overwogen.

Volgens vaste jurisprudentie komt het bij de uitleg van een tussen partijen geldend beding in beginsel aan op de zin die partijen daaraan over en weer in het licht van de omstandigheden mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien over en weer van elkaar mochten verwachten. Gesteld noch gebleken is dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst hebben gesproken over (de inhoud en betekenis van) de (specifieke bepalingen van de) AVC 2002, zodat in zoverre geen aanknopingspunten gevonden kunnen worden voor de uitleg van de bedoelde artikelen in de relatie tussen partijen. Onder deze omstandigheden, en nu het gaat om algemene voorwaarden die in collectief overleg tussen verladers- en vervoerdersorganisaties tot stand zijn gekomen, ligt een taalkundige uitleg van de bedingen voor de hand. De bewoordingen van artikel 23 en 24 van de AVC 2002, gelezen in het licht van de gehele tekst van die voorwaarden, worden dan ook van doorslaggevende betekenis geacht.

Beide artikelen kennen een retentie- respectievelijk pandrecht toe op (onder andere) “zaken die de vervoerder in verband met de vervoerovereenkomst onder zich heeft”. Dit is een op het eerste oog vrij ruime bepaling, waarmee lijkt te zijn beoogd meer te omvatten dan uitsluitend de zaken die de vervoerder op grond van de vervoerovereenkomst, zoals de lading, onder zich heeft. Dat in de tweede volzin van artikel 23 lid 1 van de AVC wordt gesproken van “de zaken”, maakt dat niet anders. Aannemelijk is dat met deze bewoordingen bedoeld is te verwijzen naar de in de voorafgaande zin van artikel 23 lid 1 van AVC gegeven omschrijving van welke zaken onderwerp van het retentierecht kunnen zijn. Vooralsnog wordt dan ook aangenomen dat het retentie- en pandrecht zich niet beperken tot de zaken die de vervoerder in het kader van de vervoerovereenkomsten vervoerde.

De verwijzing van de curator naar rechterlijke uitspraken waarin de toepasselijkheid en uitleg van artikel 8:1131 BW onderwerp van geschil was, gaat mank. Niet in geschil is immers dat de rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door de AVC, zodat de vraag of sprake is van een pand-en/of retentierecht beoordeeld moet worden aan de hand van de artikelen 23 en 24 van de AVC. Aan een toetsing aan artikel 8:1131 BW wordt dan ook niet toegekomen.

Gelet op het voorgaande kan niet worden uitgesloten dat het retentie- c.q. het pandrecht krachtens de AVC 2002 ook op het (vervoer)middel waarmee uitvoering is gegeven aan de vervoerovereenkomst kan rusten. Dat geldt in het bijzonder in de specifieke omstandigheden van dit geval. Volgens de (ten dele) niet betwiste stelling van gedaagden zijn de bewuste opleggers door [eiseres] aan hen ter beschikking gesteld zonder dat daaraan duidelijke afspraken voorafgingen, werd gedaagden door [eiseres] een vergoeding per kilometer voor de vervoerdiensten betaald waarin rekening werd gehouden met de ter beschikking gestelde oplegger en dienden gedaagden de vervoeropdrachten van [eiseres] steeds uitsluitend met de bewuste oplegger uit te voeren en werden de opleggers door gedaagden niet gebruikt voor vervoersopdrachten van andere opdrachtgevers. Niet onaannemelijk is dan ook dat de opleggers zaken zijn die gedaagden in verband met de vervoerovereenkomst onder zich hebben in de zin van de bedoelde artikelen van de AVC. Dat betekent dat het er voorshands voor moet worden gehouden dat gedaagden, van wie - bij gebreke van betwisting - vast staat dat zij relevante vorderingen op de failliet hebben, op grond van de AVC een retentie- en pandrecht toekomt op de aan ieder van hen ter beschikking gestelde oplegger.

4.3

Het voorgaande is anders wanneer voldoende aannemelijk is dat gedaagden bij de terbeschikkingstelling van de opleggers niet te goeder trouw waren, dat wil zeggen dat zij ermee bekend waren dat [eiseres] niet (beschikkings)bevoegd was om de opleggers aan gedaagden af te geven of er gronden aanwezig waren die gedaagden redelijkerwijs aan deze bevoegdheid hadden moeten doen twijfelen. Immers, voor het kunnen inroepen van een retentierecht is noodzakelijk dat de schuldenaar (hier [eiseres]) bevoegd was de overeenkomst met de retentor aan te gaan. De retentor kan het retentierecht bij het ontbreken van die bevoegdheid desalniettemin inroepen tegen derden met een ouder recht, indien hij geen reden had om aan die bevoegdheid te twijfelen (artikel 3:291 lid 2 BW/8:1131 lid 3 BW en de tweede volzin van artikel 23 lid 1 van de AVC 2002).

De curator heeft aangevoerd dat gedaagden bekend waren, althans redelijkerwijs bekend konden zijn met de onbevoegdheid van [eiseres] nu bij de raamovereenkomsten de algemene voorwaarden van (onder meer) Coldenhove zijn overgelegd. Artikel 8 lid 3 van die voorwaarden bevat een expliciet verbod tot het in gebruik geven van de van Coldenhove gehuurde opleggers aan derden.

De voorzieningenrechter overweegt in dit kader als als volgt.

Gedaagden hebben gesteld dat [bestuurder] hen op enig moment de bewuste opleggers heeft aangeboden. [eiseres] had deze opleggers op haar terrein staan en gedaagden mochten deze van [bestuurder] meenemen teneinde met deze opleggers de vervoersopdrachten voor [eiseres] uit te voeren. Volgens gedaagden waren deze opleggers voorzien van het logo van [eiseres]. Deze belettering was op de zijkanten en achterzijde van de opleggers aangebracht in groot lettertype.

Deze lezing van de omstandigheden waaronder het gebruik van de opleggers door gedaagden is ontstaan, is door de curator niet betwist. In de gegeven omstandigheden behoefden gedaagden redelijkerwijs niet te twijfelen aan de bevoegdheid van [eiseres] om de opleggers in gebruik te geven. [eiseres] heeft met deze handelwijze in ieder geval de indruk gewekt bevoegd te zijn tot de ingebruikgeving, welke indruk nog werd versterkt door de reclame-uitingen op de opleggers. Een en ander geldt temeer nu het ter beschikking stellen en het gebruik van de opleggers door betrokkenen niet duidelijk schriftelijk is vastgelegd. Weliswaar heeft de curator gesteld dat aan alle gedaagden een raamovereenkomst is toegezonden waarbij tevens de tussen [eiseres] en Coldenhove geldende huurvoorwaarden zijn verstrekt, doch dat is in ieder geval door [gedaagde] en Woertman betwist en staat daarom voorshands niet vast.

Zelfs wanneer [gedaagde] en Woertman de bedoelde raamovereenkomst huurvoorwaarden wèl zouden hebben ontvangen, zoals bij Gemitrans het geval is, dan nog is dat in de hiervoor geschetste omstandigheden onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat gedaagden bekend konden en moesten zijn met de onbevoegdheid van [eiseres]. [eiseres] heeft uitdrukkelijk in strijd gehandeld met de tussen haar en Coldenhove geldende huurovereenkomst. Uit de tekst van de raamovereenkomst volgt dat [eiseres] zelf kennelijk geen problemen zag in het ter beschikking stellen van materieel dat zij van (onder meer) Coldenhove in huur had, zie hiertoe de onder 2.4 weergegeven bepaling met subnummer 3, in het bijzonder de laatste zin van deze bepaling. Ook op andere punten handelde [eiseres] in strijd met de huurvoorwaarden. Zo heeft [eiseres], ondanks het bepaalde in artikel 8 lid 7, de opleggers voorzien van haar naam en heeft zij de opleggers laten gebruiken voor vervoer buiten Nederland. De gehele gang van zaken wekt de indruk dat het handelen van [eiseres] de instemming van Coldenhove had, hetgeen ook gezien de personele eenheid van de bestuurder van Coldenhove en [eiseres] voor de hand ligt. Van gedaagden kon dan ook redelijkerwijs niet verwacht worden dat zij vraagtekens plaatsten bij de bevoegdheid van [eiseres] tot afgifte van de opleggers.

Nu gedaagden, gezien het voorgaande, in redelijkheid geen reden hadden om te twijfelen aan de bevoegdheid van [eiseres] om de opleggers ter beschikking te stellen, moet voorshands worden aangenomen dat gedaagden een retentierecht op de opleggers kunnen uitoefenen zolang hun vordering op [eiseres] niet is voldaan.

4.4

De vraag of gedaagden ook een pandrecht op de opleggers hebben, in welk kader beoordeeld zou moeten worden of gedaagden ook ten aanzien van de beschikkings-(on)bevoegdheid van [eiseres] om als pandgever over de opleggers te beschikken te goeder trouw waren, behoeft hier geen beantwoording nu de vordering van de curator tot afgifte van de opleggers reeds moet worden afgewezen vanwege het gedaagden toekomende retentierecht.

4.5

De curator wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst de vorderingen van de curator af;

veroordeelt de curator in de kosten van dit kort geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van gedaagden bepaald op € 262,- aan verschotten en op € 816,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis voor zover het de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Moerman-Lankhaar, griffier.

Uitgesproken in het openbaar.

1861/676