Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ6224

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
27-08-2009
Zaaknummer
984488
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer wegens bedrijfseconomische omstandigheden. De werkgever stelt dat zij slechts een geringe vergoeding kan betalen aan de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe onder toekenning van een lagere vergoeding dan de kantonrechtersformule aangeeft, gelet op de omstandigheden waarin het bedrijf van de werkgever zich bevindt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0659

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton, locatie Rotterdam

beschikking ex artikel 7:685 burgerlijk wetboek

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LUVAC B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

gemachtigde: C. Almeida, advocaat te Rotterdam,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

gemachtigde: mr. P.J.L.J. Duijsens advocaat te Den Haag.

1. De processtukken en de loop van het geding

Op 13 mei 2009 is ter griffie van de rechtbank, sector kanton, het verzoek van Luvac ontvangen om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van gewichtige redenen, bestaande uit veranderingen in de omstandigheden. Bij het verzoekschrift zijn producties gevoegd en ook nadien zijn producties ingezonden.

[verweerder] heeft een verweerschrift met producties ingediend dat op 24 juni 2009 ter griffie van de rechtbank, sector kanton, is ingekomen. Het verweer strekt tot afwijzing van het verzoek en, mocht het verzoek toch worden toegewezen, tot toekenning van een vergoeding van € 151.901,80 terzake van door [verweerder] te lijden inkomensschade, alsmede een vergoeding van € 1.500,-- + BTW netto voor een bijdrage in de kosten van rechtsbijstand aan de zijde van [verweerder].

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 29 juni 2009. Ter zitting is Luvac verschenen bij de heren J. Fens en S. Leertouwer, bijgestaan door de gemachtigde. [verweerder] is samen met zijn echtgenote en de gemachtigde verschenen. Beide partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, Luvac aan de hand van pleitnotities. Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekeningen gehouden, die zich bij de processtukken bevinden.

De kantonrechter heeft de uitspraak van de beschikking bepaald op heden.

2. De feiten

In het kader van de onderhavige procedure wordt van de volgende vaststaande feiten uitgegaan:

2.1. [verweerder], geboren op [geboortedatum], is op 6 januari 1986 bij Luvac in dienst getreden als chauffeur expeditie/ logistieke/werkzaamheden. Het loon bedraagt € 1.909,28 per vier weken, exclusief vakantietoeslag. In de praktijk brengt [verweerder] bestellingen weg, heeft hij telefonisch contact met klanten, pikt hij de orders en verricht hij onderhoudswerk.

2.2 [verweerder] is sedert de indiening van het verzoek vrijgesteld van werkzaamheden.

3. De beoordeling van het verzoek

3.1 Voor de stellingen van partijen wordt verwezen naar de processtukken. Deze stellingen zullen hieronder, voor zover nodig in het kader van de beoordeling van het verzoek, worden behandeld.

3.2 [verweerder] is arbeidsongeschikt. Totdat hij van werkzaamheden werd vrijgesteld was hij op arbeidstherapeutische basis werkzaam. Het is de kantonrechter niet gebleken dat het verzoek verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van [verweerder]. Het verzoek is gebaseerd op een door bedrijfseconomische omstandigheden ingegeven wijziging van de bedrijfsvoering en het feit dat [verweerder] ziek is maakt dat niet anders. Niet is gesteld of gebleken van enig verband tussen het onderhavige verzoek en een in de wet geregeld opzegverbod.

3.3 Luvac heeft haar ontbindingsverzoek gebaseerd op gewichtige redenen bestaande uit veranderde omstandigheden. De veranderde omstandigheden zijn een negatief resultaat van de onderneming in 2007, 2008 en ook in het eerste kwartaal van 2009. Luvac heeft de financiële verslaglegging waaruit dit blijkt in het geding gebracht. De bescheiden zijn door de accountant van Luvac opgesteld. De negatieve resultaten nopen Luvac tot een bedrijfsreorganisatie om haar resultaten weer op een aanvaardbaar niveau te krijgen. Daartoe wenst Luvac de bedrijfskosten omlaag te brengen en dat doet zij door personeel af te stoten. Diverse functies, waaronder die van [verweerder], worden opgeheven en diverse werkzaamheden worden in het vervolg aan derden uitbesteed.

3.4 De kantonrechter oordeelt dat genoegzaam is gebleken van de negatieve bedrijfsresultaten. In 2007 was sprake van een negatief bedrijfsresultaat van € 167.543,-- en in 2008 van € 550.113,--. In het eerste kwartaal van 2009 is het resultaat verbeterd, maar nog altijd negatief € 42.453,--. Bovendien is sprake van een fors negatief eigen vermogen. De bedrijfsresultaten zijn, naar het oordeel van de kantonrechter, zodanig dat een ingrijpen noodzakelijk is. Van een onderneming kan niet worden verwacht dat zij voortdurend negatieve resultaten accepteert. Het is onvermijdelijk om in een dergelijke situatie te reorganiseren, opdat de financiële ondergang van de onderneming wordt voorkomen. Het feit dat de omzet in het eerste kwartaal 2009 fors is toegenomen doet daar niet aan af. Ondanks de gerealiseerde omzetstijging blijft het resultaat negatief. Ook het feit dat de bank een kredietfaciliteit heeft verstrekt maakt niet dat daarmee de negatieve resultaten tot het verleden behoren. Door het bedrijfskrediet kan Luvac haar activiteiten voortzetten en is zij in staat te investeren in bedrijfsmiddelen teneinde een gezonde toekomst voor het bedrijf mogelijk te maken. Het krediet heeft evenwel geen invloed op het resultaat.

3.5 De gepleegde investeringen en het verleende bankkrediet rechtvaardigen de verwachting dat de onderneming in de toekomst weer naar behoren kan renderen. De gerealiseerde omzetstijging in de eerste maanden van 2009 lijkt op een betere toekomst voor het bedrijf te wijzen. Al deze ontwikkelingen nemen echter niet weg dat een verdere kostenreductie gerechtvaardigd lijkt. Luvac heeft besloten dat zij een omzetstijging kan realiseren door niet meer te leveren aan Nederlandse supermarkten, maar door op zoek te gaan naar markten buiten Nederland. Zij stelt dat tengevolge van deze beleidswijziging de arbeidsplaatsen van [verweerder] en zijn collega-chauffeur komen te vervallen. Daarnaast heeft Luvac het besluit genomen om geen vast personeel meer in te zetten. In plaats daarvan wil zij haar werkzaamheden aan derden uitbesteden.

Een werkgever is in beginsel bevoegd om te beslissen over de wijze waarop zij de werkzaamheden in haar onderneming wenst in te richten. Zij heeft daarbij een grote mate van vrijheid. Het is niet aan de kantonrechter te beoordelen of de keuzes die de werkgever maakt juist zijn. De beoogde reorganisatie wordt daarom door de kantonrechter gerespecteerd. Wel dient de werkgever met de gerechtvaardigde wensen van de werknemers rekening te houden. Het belang van [verweerder] om zijn werk te behouden is, mede gelet op zijn leeftijd, evident. Het belang van een verdere kostenreductie van Luvac is eveneens groot. De kantonrechter oordeelt dat het belang van Luvac daarbij dient te prevaleren, nu een voortdurend verlies de continuïteit van de onderneming zou kunnen bedreigen. De bezuiniging die wordt gerealiseerd door het beëindigen van de arbeidsrelatie is relatief gering, maar gelet op de geringe winstmarge van de onderneming is ook een bescheiden kostenreductie van groot belang om weer winstgevend te kunnen gaan werken. Daarbij komt dat de functie vervalt door het besluit om niet meer voor de Nederlandse markt te gaan werken, waardoor het voor [verweerder] beschikbare werk sterk zal afnemen dan wel zal vervallen. In deze omstandigheden is sprake van veranderingen in de omstandigheden van dien aard dat deze een gewichtige reden vormen voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tegen de hierna te noemen datum.

3.6 [verweerder] treft op geen enkele wijze een verwijt van de veranderde omstandigheden zodat het gerechtvaardigd is hem een vergoeding ten laste van Luvac toe te kennen. Bij het bepalen van deze vergoeding is het uitgangspunt dat deze vergoeding wordt vastgesteld met toepassing van de C-factor uit de kantonrechtersformule van C=1. [verweerder] heeft toepassing van C=2 gevraagd, gelet op zijn leeftijd en de lengte van het dienstverband. De kantonrechter zal deze gedachten niet volgen. De kantonrechtersformule houdt immers rekening met factoren als diensttijd en leeftijd bij het bepalen van een vergoeding voor het opvangen van de teruggang in inkomen door de ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

3.7 Luvac heeft zich bereid getoond een vergoeding te betalen wegens inkomensderving. Zij gaat daarbij uit van het nog te verdienen salaris vanaf de datum van ontbinding tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. Uitgaande van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2009 beloopt deze periode 68 maanden á € 2.233,86 inclusief vakantiegeld bruto per maand = € 152.000,--.

Voorzover dat thans kan worden overzien kan [verweerder] in deze periode in elk geval aanspraak maken op een uitkering op grond van de werkloosheidswet en de IOAW. De werkloosheidsuitkering zal € 59.000,-- belopen en de IOAW uitkering een bedrag van € 44.000,--. [verweerder] kan derhalve een uitkering voor inkomensderving tegemoet zien van in totaal € 103.000,-- . De kantonrechter heeft de bedragen afgerond.

Luvac bepleit voorts rekening te houden met de mogelijkheid van een vervroegde uitkering van het ouderdomspensioen van [verweerder]. [verweerder] is in de gelegenheid om zijn ouderdomspensioen vroeger te laten ingaan dan op het 65e jaar. Het gevolg van een dergelijke vervroegde pensioenuitkering is dat het maandelijks uit te keren bedrag aanzienlijk lager zal zijn dan het bedrag waarop [verweerder] aanspraak kan maken wanneer hij er voor kiest het pensioen te laten ingaan op zijn 65e verjaardag. Een ander gevolg is dat het ouderdomspensioen vanaf het 65e jaar ook aanzienlijk lager zal zijn dan het pensioen waarop [verweerder] aanspraak kan maken bij een ongewijzigde pensioenopbouw. Het is de kantonrechter niet gebleken dat [verweerder] voornemens is of is geweest om zijn ouderdomspensioen vervroegd in te laten gaan. Een vervroeging van de uitkering van dit pensioen kan van [verweerder] in alle redelijkheid ook niet worden verlangd. [verweerder] zou door een vervroegde uitkering tot in lengte van jaren na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een forse financiële schade lijden. Met de mogelijkheid om vervroegd met pensioen te gaan zal de kantonrechter dan ook geen rekening houden. Al met al is de inkomensderving van [verweerder] tot aan de pensioengerechtigde leeftijd te stellen op € 49.000,-- wanneer hij geen andere arbeidsrelatie meer zal aangaan.

Dit bedrag is lager dan het bedrag van € 76.000,-- dat [verweerder] zou ontvangen bij een onverkorte toepassing van de kantonrechtersformule.

3.8 Luvac heeft aangeboden om in totaal een bedrag van € 5.040,-- te vergoeden, stellende dat zij financieel niet in staat is een hoger bedrag te voldoen. De kantonrechter zal daarmee geen rekening houden omdat Luvac haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de overgelegde bescheiden blijkt weliswaar dat de onderneming nog altijd verliesgevend is, maar in de overgelegde stukken is nog geen rekening gehouden met de afvloeiing van een aantal andere medewerkers, die inmiddels of binnenkort uit dienst gaan. Bovendien kan Luvac over een ruime kredietfaciliteit beschikken, waardoor zij in staat moet worden geacht een vergoeding te betalen. Of de kredietfaciliteit kan worden aangewend voor het betalen van een vergoeding kan de kantonrechter niet beoordelen. Luvac heeft weliswaar gesteld dat het krediet niet mag worden gebruikt voor het betalen van een vergoeding, doch zij heeft dat niet voldoende aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door het overleggen van een brief van de kredietverstrekker. De kantonrechter gaat ervan uit dat de kosten van een reorganisatie die tot doel heeft een financieel gezonde onderneming te realiseren ook uit de kredietfaciliteit kunnen worden betaald.

3.9 Een vergoeding aan [verweerder] ten laste van Luvac ten bedrage van € 49.000,-- acht de kantonrechter in de gegeven omstandigheden redelijk en billijk. Deze vergoeding is lager dan de vergoeding die een onverkorte toepassing van de kantonrechtersformule zou opleveren. De kantonrechter acht dit in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd omdat het niet de bedoeling kan zijn dat [verweerder] meer ontvangt dan hij zou hebben ontvangen wanneer de arbeidsrelatie tot het 65e zou zijn doorgelopen.

3.10 Voor toewijzing van een bedrag voor buitengerechtelijke incassokosten ziet de kantonrechter geen aanleiding. Niet is gebleken dat de gemachtigde van [verweerder] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht die een afzonderlijke vergoeding rechtvaardigen.

3.11 Nu de kantonrechter voornemens is een vergoeding te verbinden aan de uit te spreken ontbinding, wordt Luvac hierna een termijn gesteld waarbinnen zij het verzoek kan intrekken.

3.12 Indien Luvac het verzoek niet of niet tijdig intrekt, bestaat er gelet op de aard van de zaak en de gebleken omstandigheden aanleiding de kosten van het geding te compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De kantonrechter,

geeft Luvac tot en met 24 juli 2009 de gelegenheid om het verzoek in te trekken;

veroordeelt Luvac in het geval zij het verzoek tijdig intrekt in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 500,00 aan salaris voor zijn gemachtigde;

en voor het geval het verzoek niet of niet tijdig door Luvac wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2009;

kent aan [verweerder] ten laste van Luvac een vergoeding toe van € 49.000,-- bruto en veroordeelt Luvac deze vergoeding te betalen op een door [verweerder] te bepalen fiscaal toelaatbare wijze, uiterlijk op 1 augustus 2009;

compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.