Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ6158

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
10/690229-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Geen wederrechtelijk handelen van RET-functionarissen, dus geen noodweer van de verdachten. Bij dit oordeel wordt opgemerkt dat de reacties van deze functionarissen op het handelen van de verdachten, gelet ook op de in zekere zin relatief gezien niet buitengewoon gewelddadige aard daarvan, de grenzen van de proportionaliteit en ook die van de subsidiariteit voorzichtig worden genaderd. Met andere woorden; niet uitgesloten kan worden dat de op zijn minst genomen niet deëscalerende acties van beide functionarissen mogelijk mede aanleiding zijn geweest voor de, aan beide verdachten toe te rekenen, bewezenverklaarde gewelddadigheden die daarop weer zijn gevolgd. Hoewel dit geenszins een rechtvaardiging vormt voor het verdere gewelddadige handelen van de verdachten speelt dit bij de oplegging van straf een rol.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 141
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 261
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/690229-09

Datum uitspraak: 26 augustus 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1980 te Curaçao (Nederlandse Antillen),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [adres verdachte]

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Rijmond, locatie “Noordsingel” te Rotterdam.

raadsman mr. M. Baijens, advocaat te Oude Willem.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Den Hollander heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 8 mei 2009 bevinden verdachte en zijn medeverdachte zich in de tramlijn 23 op de Laan op Zuid te Rotterdam. In de tram zijn ook aanwezig de conducteur [aangever 1] (hierna: de conducteur) en de trambestuurder [aangever 2] (hierna: de trambestuurder).

Verdachte ontkent geweld te hebben gepleegd tegen de aangevers.

Ter terechtzitting zijn de beelden, die op 8 mei 2009 zijn geregistreerd door diverse camera’s in de tramlijn 23, in het bijzijn van de verdachte en diens raadsman bekeken. Op die beelden is door de rechtbank onder meer het navolgende waargenomen:

De verdachte, zijn medeverdachte en de conducteur bevinden zich achter in de tram. De conducteur loopt in de richting van de trambestuurder gevolgd door de verdachte en de medeverdachte. Aangekomen bij de bestuurderscabine raken verdachte en medeverdachte in een ogenschijnlijk verhit gesprek met de trambestuurder en de conducteur. De medeverdachte maakt vervolgens een gooiende armbeweging met zijn rechterarm in de richting van de bestuurderscabine. De medeverdachte stapt snel uit de tram gevolgd door de verdachte, de trambestuurder en de conducteur. De medeverdachte en de trambestuurder staan vervolgens tegenover elkaar met uitgestrekte armen. De verdachte maakt op het moment dat de trambestuurder tegenover de medeverdachte staat een slaande beweging tegen de rug van de trambestuurder. Hierop wordt de verdachte door de conducteur om de nek gegrepen en met een “knietje” naar de grond gebracht en ontstaat tussen hen een worsteling waarbij de verdachte door de conducteur wordt vastgehouden.

De trambestuurder heeft verklaard een bidon tegen het hoofd gegooid te hebben gekregen, hetgeen door de conducteur wordt bevestigd. De medeverdachte heeft verklaard in het bezit te zijn geweest van een met drank gevulde grijze bidon en deze in zijn hand te hebben gehad. De onafhankelijke getuige [naam getuige] heeft aangegeven dat zij op een gegeven moment verdachte en de medeverdachte bij de trambestuurder ziet staan en ziet dat er dan iets gegooid wordt hetgeen zij omschrijft als een grijs limonadeblikje. Later wordt door de trambestuurder een grijze bidon aan de politie overhandigd.

Op grond van deze verklaringen en bevindingen in samenhang met de in de camerabeelden waargenomen gooiende beweging van de medeverdachte wordt vastgesteld dat de medeverdachte een gevulde bidon tegen het hoofd van de trambestuurder heeft gegooid.

De trambestuurder heeft voorts verklaard buiten de tram door slaande bewegingen van de medeverdachte te zijn geraakt, hetgeen door de conducteur in zijn verklaring wordt bevestigd. In samenhang met de waarneming van de uitgestrekte armen van de medeverdachte in de richting van de trambestuurder wordt vastgesteld dat de trambestuurder door de medeverdachte is geslagen op het hoofd en/of het lichaam.

De waarneming dat de verdachte een slaande beweging maakt tegen de rug van de trambestuurder vindt eveneens bevestiging in de verklaring van de conducteur, die ziet dat de verdachte de trambestuurder een stomp in de rug geeft. Met deze geweldshandeling sluit de verdachte zich aan bij het door de verdachte ingezette geweld.

Als gezegd is op de camerabeelden een worsteling waargenomen tussen de conducteur en de verdachte die volgt op de wurggreep van de conducteur om de nek van de verdachte die gepaard ging met een “knietje” waardoor de medeverdachte naar de grond is gebracht, alwaar hij door de conducteur is vastgehouden. De conducteur heeft hierover verklaard dat de verdachte meerdere keren met zijn ellebogen en zijn hoofd naar achteren heeft gebeukt. De enige ondersteuning voor deze verklaring is te vinden in de letselverklaringen. In deze letselverklaringen wordt een kneuzing van de borstkas en een lichte hersenschudding beschreven. Gelet met name op dit relatief geringe letsel wordt vastgesteld dat het geen “krachtige beuken” kunnen zijn geweest maar “stoten” die de verdachte met hoofd en ellebogen heeft gegeven. Hierdoor is het letsel ontstaan als beschreven in de letselverklaringen en is te omschrijven als enig letsel.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 08 mei 2009 te Rotterdam,

op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten in een tram lijn 23 en

op de openbare weg, de Laan op Zuid,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2] (werkzaam als

trambestuurder bij de RET) en [aangever 1] (werkzaam als tramconducteur

bij de RET), welk geweld bestond uit het

- gooien van een gevulde bidon tegen het hoofd van die [aangever 2], en

- slaan tegen het hoofd en/of het lichaam en de rug van die

[aangever 2], en

- stoten met het achterhoofd tegen het voorhoofd van die

[aangever 1], en

- stoten van ellebogen tegen het lichaam

van die [aangever 1],

terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld

enig lichamelijk letsel voor die [aangever 1] ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Op de terechtzitting heeft de officier van justitie in haar requisitoir aandacht geschonken aan de vraag of de verdachte en zijn medeverdachte mogelijk op enig moment hebben gehandeld vanuit noodweer. Ook de raadsman van de verdachte heeft deze vraag aan de orde gesteld.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De verdachte en zijn medeverdachte zijn door de trambestuurder en de conducteur verzocht uit de tram te stappen, omdat zij overlast in de tram hadden veroorzaakt. Deze, door de verdachte deels betwiste, overlast bestond er -zo is op de camerabeelden waar te nemen- in ieder geval uit het meermalen blokkeren van de tramdeuren door de verdachte en zijn medeverdachte. De discussie die naar aanleiding van deze overlast is ontstaan heeft uiteindelijk geleid tot de eerste geweldshandeling van de beide verdachten. Respectievelijk het gooien van de bidon door de medeverdachte en het slaan tegen rug van de trambestuurder door de verdachte.

De conducteur en de trambestuurder, die slachtoffer en getuige waren van deze strafbare gedragingen van de verdachten waren bevoegd de twee verdachten op heterdaad aan te houden als omschreven in artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering. Een dergelijke aanhouding op heterdaad mag binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit met enig beperkt geweld gepaard gaan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken, noch is door de verdachte aannemelijk gemaakt, dat het bij de aanhouding jegens beide verdachten toegepaste geweld door de conducteur en/of de trambestuurder de grenzen van de proportionaliteit en/of subsidiariteit heeft/hebben overschreden. Het handelen van de conducteur en de trambestuurder is dan ook geen wederrechtelijk handelen als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. Een geslaagd beroep op noodweer stuit reeds hierop af.

Bij dit oordeel moet wel worden opgemerkt dat met de reactie van de trambestuurder alsook, en met name, met die van de conducteur op het hiervoor omschreven handelen van de beide verdachten, gelet ook op de in zekere zin relatief gezien niet buitengewoon gewelddadige aard daarvan, de grenzen van de proportionaliteit en ook die van de subsidiariteit in voornoemde zin voorzichtig worden genaderd. Met andere woorden; niet uitgesloten kan worden dat de op zijn minst genomen niet deëscalerende acties van beide functionarissen mogelijk mede aanleiding zijn geweest voor de, aan beide verdachten toe te rekenen, bewezenverklaarde gewelddadigheden die daarop weer zijn gevolgd.

Hoewel dit geenszins een rechtvaardiging vormt voor het verdere gewelddadige handelen van de verdachten, zal één en ander bij de (eventuele) oplegging van straf een rol spelen.

Het bewezen feit levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben zich misdragen door personeel van de RET- een in functie zijnde tramconducteur en een trambestuurder- tijdens hun werkzaamheden in de openbare ruimte te hinderen en te mishandelen. Dit leidt niet alleen tot gevoelens van angst en onveiligheid bij de betreffende RET-medewerkers, maar ook bij reizigers in het openbaar vervoer in het algemeen.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 mei 2009 reeds eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.

Ook is acht geslagen op het voorlichtingsrapport d.d. 6 augustus 2009 van de reclassering, waarin wordt geadviseerd om aan verdachte een verplicht reclasseringscontact op te leggen met als bijzondere aanvullende voorwaarde dat verdachte zich onder behandeling van Bouman GGZ of een soortgelijke instelling stelt.

Met dit advies zal rekening worden gehouden bij de op te leggen straf.

In de aan verdachte op te leggen straf moet in enige mate doorklinken hetgeen hiervoor reeds is opgemerkt over het handelen van de RET-functionarissen. Dat handelen is een omstandigheid die in het gehele feitencomplex een zekere rol heeft gespeeld.

Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot een lagere strafoplegging dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles overwegende acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden. Gelet op de problematiek van verdachte zal de rechtbank aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf de bijzondere voorwaarde verbinden, zoals in het dictum vermeld.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd:

• [aangever 2], domicilie kiezende te Rotterdam, terzake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 600,-.

• [aangever 1], domicilie kiezende te Rotterdam, terzake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 680,-.

De verdachte heeft gesteld dat de benadeelde partijen deels medeschuld dragen aan de geweldsescalatie en dus voor een deel eigen schuld hebben aan (een deel van) de schade. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is onderzoek naar deze en de daarmee samenhangende vraag naar de causaliteit niet van zo eenvoudige aard dat deze in het strafgeding kan plaatsvinden.

De benadeelde partijen zullen daarom niet ontvankelijk worden verklaard. De vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op de reeds genoemde artikelen is gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 (vijf) maanden en bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 2 (twee) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast

indien:

- de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft;

stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt, welke aanwijzingen mede kunnen inhouden dat de veroordeelde zich onder behandeling stelt van Bouman GGZ of een soortgelijke instelling, zolang deze instelling dit nodig vindt;

verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en

steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat de vorderingen slechts kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Janssen, voorzitter,

en mrs. De Bruin en Hamaker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Versloot, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 augustus 2009.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van: 26 augustus 2009

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 08 mei 2009 te Rotterdam,

op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek

toegankelijke ruimte, te weten in een (rijdende) tram (lijn 23) en/of ter

hoogte van de halte Lodewijk Pincoffsweg, althans op of aan de openbare weg,

de Laan op Zuid,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2] (werkzaam als

trambestuurder bij de RET) en/of [aangever 1] (werkzaam als tramconducteur

bij de RET), welk geweld bestond uit het

- gooien van een (gevulde) bidon tegen het hoofd van die [aangever 2], en/of

- slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of het lichaam en/of de rug van die

[aangever 2], en/of

- duwen van die [aangever 1], en/of

- (met kracht) beuken/stoten met het achterhoofd tegen het voorhoofd van die

[aangever 1], en/of

- (meermalen) (met kracht) stoten van een/de ellebo(o)g(en) tegen het lichaam

van die [aangever 1],

terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel (te

weten een beschadiging aan het kniegewricht en/of gekneusde ribben), althans

enig lichamelijk letsel voor die [aangever 1] ten gevolge heeft gehad;

(artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht)