Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ5767

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
21-08-2009
Zaaknummer
317220 / HA ZA 08-2573
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schade aan binnenschip bij machinale belading met containers. Stuwadoor uit od aansprakelijk? Maatstaf NJ 1953, 791 - "Nicolaos Pateras". Volgt bewijslast aan eigenaar/verzekeraar van binnenschip.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2011/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 317220 / HA ZA 08-2573

Uitspraak: 19 augustus 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. de onderlinge waarborgmaatschappij met uitgesloten aansprakelijkheid

EFM ONDERLINGE SCHEPENVERZEKERING U.A.,

gevestigd te Meppel,

2. [eiseres sub 2],

gevestigd te Raamsdonksveer,

eiseressen,

advocaat mr. P.E. van Dam,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UNIPORT MULTIPURPOSE TERMINALS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. S. Bestman.

Partijen worden hierna aangeduid als “EFM”, “[eiseres sub 2]” en “Uniport”.

1 Het verdere verloop van het geding

De rechtbank verwijst naar haar tussenvonnis van 4 februari 2009.

Ingevolge dat tussenvonnis is op 6 augustus 2009 een comparitie van partijen gehouden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

De rechtbank heeft kennisgenomen van dat tussenvonnis en het proces-verbaal, alsmede van de daarin als in het geding gebracht vermelde stukken.

2 De vaststaande feiten

2.1

De rechtbank merkt de volgende feiten – voor zover thans van belang – als tussen partijen vaststaand aan, omdat deze enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken zijn dan wel blijken uit de in zoverre niet betwiste inhoud van producties waarop beroep is gedaan.

2.2

EFM is de cascoverzekeraar van het aan [eiseres sub 2] in eigendom toebehorende binnenschip “[schip 1]”. De “[schip 1]” heeft een doorlopend ruim, dat niet is voorzien van containerrekken.

2.3

[eiseres sub 2] diende in opdracht van haar bevrachter of afzender enkele containers te laden bij Uniport en deze te vervoeren. De belading van die containers aan boord van de “[schip 1]” zou door Uniport worden verricht.

Uniport diende in opdracht van haar opdrachtgever die containers aan boord van de “[schip 1]” te beladen.

2.4

Op 29 mei 2006 heeft schipper [persoon 1] van [eiseres sub 2] de “[schip 1]” bij Uniport afgemeerd om die containers ten vervoer in ontvangst te nemen. Uniport heeft de containers met instemming van [eiseres sub 2] op de gebruikelijke machinale wijze met behulp van een containerbrugkraan, kraan nummer 13, beladen. Nadat de kraanmachinist van Uniport een container achter in het ruim van de “[schip 1]” had geplaatst en (vanuit zijn bedieningsplek) het raam (de “spreader”) van de container had losgemaakt is de spreader tijdens het inhalen van de kraankabels (de “runners”) tegen de uitstekende strook vooraan het dak (de “klep” van de “pet”) van het stuurhuis van het schip gestoten en is de klep daardoor losgetrokken. Daardoor is schade aan (het stuurhuis van) de “[schip 1]” ontstaan.

De betreffende kraanmachinist verrichtte die werkzaamheden in loondienst bij Uniport.

2.5

EFM heeft krachtens verzekeringsovereenkomst een bedrag van € 7.045,75 aan [eiseres sub 2] uitgekeerd. Daarnaast heeft EFM expertisekosten ten bedrage van € 1.329,15 voor haar rekening genomen. EFM is derhalve voor een bedrag van € 8.374,90 in de rechten van [eiseres sub 2] gesubrogeerd.

3 De vordering

3.1

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Uniport te veroordelen om aan EFM een bedrag van € 8.374,90 en een bedrag van € 904,- te betalen en om aan [eiseres sub 2] een bedrag van € 9.161,- te betalen, alle bedragen vermeerderd met de wettelijke rente, met veroordeling van Uniport in de proceskosten.

EFM en [eiseres sub 2] verwijzen daartoe naar de vaststaande feiten en voeren daartoe het volgende aan.

3.2

De kraanmachinist van Uniport heeft onrechtmatig gehandeld door na de belading van de betreffende container als volgt te werk te gaan.

De kraanmachinist had het boven het schip uitstekende einde van de containerbrugkraan (de “giek”) niet boven het midden van de container gesteld toen hij (vanuit zijn bedieningsplek) de spreader losmaakte en de runners inhaalde om de spreader op te hijsen, maar achter het midden van die container. Daardoor en door de zwaartekracht zwaaide de spreader tijdens het inhalen van de runners naar achteren met als voorzienbaar gevolg dat de spreader tegen (de klep van de pet van) het stuurhuis botste.

Uniport is als werkgever voor de schade veroorzaakt door deze fouten van de kraanmachinist aansprakelijk.

3.3

Uniport heeft voorts door schade aan de “[schip 1]” toe te brengen inbreuk gemaakt op het eigendomrecht van [eiseres sub 2] en daardoor een onrechtmatige daad gepleegd [eiseres sub 2].

3.4

De kosten van reparatie van de schade aan het stuurhuis van de “[schip 1]” bedragen € 7.851,75. [eiseres sub 2] heeft bedrijfsschade (tijdverlet) geleden van € 8.355,-. Voorts hebben de expertisekosten € 1.329,15 belopen. Van die schadeposten vordert EFM, de in de rechten van [eiseres sub 2] gesubrogeerde verzekeraar, betaling van € 8.374,90 en [eiseres sub 2] de overige € 9.161,-, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ongeval, althans vanaf 12 maart 2007. Daarnaast maakt EFM aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten.

3.5

Ten onrechte beroept Uniport zich op uitsluitingen van aansprakelijkheid op borden op haar terrein. Borden met de bedoelde uitsluitingen waren ten tijde van het ongeval niet op het terrein van Uniport zichtbaar; schipper [persoon 1] die vóór en na 29 mei 2006 regelmatig met de “[schip 1]” bij Uniport is geweest heeft dergelijke borden nimmer gezien.

Indien dergelijke uitsluitingen op borden op het terrein van Uniport al voldoende zichtbaar waren, hebben deze in de verhouding tussen [eiseres sub 2] en Uniport geen werking. Het gaat hier om een buiten-contractuele verhouding, waarbij [eiseres sub 2] ingevolge haar met een derde gesloten vervoerovereenkomst de “[schip 1]” diende voor te leggen ter belading bij Uniport, die de belading uitvoerde ingevolge een opdracht van eveneens een derde.

4 Het verweer

4.1

De conclusie van Uniport strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van EFM en [eiseres sub 2] in de kosten van het geding. Uniport voert daartoe het volgende aan.

4.2

Uniport betwist de gestelde toedracht van het ongeval.

Zij voert daarbij aan dat de door EFM en [eiseres sub 2] gestelde toedracht niet mogelijk is, omdat door de constructie van de twistlocks de kraanmachinist (vanuit zijn bedieningsplek) de spreader alleen dan kan losmaken van de container wanneer deze min of meer loodrecht boven de container hangt. Nu vaststaat dat de spreader is losgekomen van de container is het daarom niet mogelijk dat de giek van de containerbrugkraan zich niet praktisch boven het midden van de container heeft bevonden.

Verder voert Uniport aan dat, indien al komt vast te staan dat de kraanmachinist de giek niet midden boven de container had gesteld, de afwijking uit het midden zo gering is geweest dat gegeven de machinale wijze van belading niet van een fout of onrechtmatig handelen kan worden gesproken.

4.3

Ten tijde van het schadevoorval hingen op het terrein van Uniport, onder meer op containerbrugkraan 13, vijftien borden met de volgende tekst:

“ATTENTIE

Een ieder die zich op ons emplacement bevindt of aangemeerd ligt langszij ons emplacement:

1. bevindt zich daar, met de bij hem behorende vervoersmiddelen en goederen, geheel VOOR EIGEN RISICO, zodat onze onderneming of de door onze onderneming te werk gestelde personen niet aansprakelijk zijn voor enige schade;

2. geeft daardoor aan, de inhoud van deze mededeling te kennen en aanvaarden, als ook te aanvaarden dat door ons, voor zoveel nodig, tevens een beroep kan worden gedaan op de Rotterdamse Stuwadoorscondities, zoals gedeponeerd ter Griffie van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam.”

De schipper van de “[schip 1]”die al vaker op en bij het terrein van Uniport was geweest moet deze borden hebben gezien. Hierdoor heeft hij, als vertegenwoordiger van [eiseres sub 2], de bepalingen van het bord aanvaard, zodat Uniport niet aansprakelijk is.

4.4

Uniport betwist voorts de schadeomvang. De reparatiekosten zijn € 1.094,- geringer dan door EFM en [eiseres sub 2] gesteld en de gestelde bedrijfsschade is niet feitelijk onderbouwd. Uniport betwist de buitengerechtelijke kosten. EFM heeft geen aanspraak op wettelijke rente eerder dan de datum waarop zij de schade aan [eiseres sub 2] vergoed had.

5 De beoordeling

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat tussen hen geen overeenkomst geldt.

EFM en [eiseres sub 2] leggen aan haar vorderingen een gestelde onrechtmatige daad van Uniport ten grondslag.

5.2

De enkele omstandigheid dat de spreader van de containerbrugkraan van Uniport tijdens het inhalen van de runners tegen de klep van de pet van het stuurhuis van de “[schip 1]” is gestoten en dat daardoor schade aan het schip is ontstaan, zonder meer, levert geen inbreuk op het eigendomsrecht van [eiseres sub 2] op, evenmin een anderszins onrechtmatige daad van Uniport jegens [eiseres sub 2].

Om tot een onrechtmatige daad te kunnen concluderen is vereist dat het schadebrengende feit zijn oorzaak vindt in een onrechtmatige gedraging, zoals het niet in acht nemen van de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt. Zodanige fout, onrechtmatige gedraging van de kraanmachinist wordt ingevolge art. 6:170 lid 1 BW toegerekend aan zijn werkgever Uniport. Kennelijk doelen EFM en [eiseres sub 2] daarop als juridische grondslag van hun vorderingen.

5.3

Uniport betwist gemotiveerd de door EFM en [eiseres sub 2] gestelde, onder 3.2 hierboven samengevatte toedracht en de gestelde fout van de kraanmachinist die de onrechtmatige daad oplevert.

5.4

Nu hier – onbetwist – sprake is van de gebruikelijke, machinale belading van containers met instemming van [eiseres sub 2], levert de gestelde fout van de kraanmachinist eerst dan een onrechtmatige daad op indien de kraanmachinist niet met de bij machinale belading redelijkerwijs van hem te verlangen zorgvuldigheid te werk is gegaan (vgl.: Hoge Raad 6 maart 1953, NJ 1953, 791 – “Nicolaos Pateras”).

Ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv dragen EFM en [eiseres sub 2] de bewijslast van de toedracht van de door hen gestelde fout van de kraanmachinist, alsmede van de onrechtmatigheid daarvan in het licht van genoemd arrest. De rechtbank zal EFM en [eiseres sub 2] zodanig bewijs opdragen.

5.5

Hangende de bewijslevering zal de rechtbank elke verdere beslissing aanhouden.

6 De beslissing

De rechtbank,

draagt EFM en [eiseres sub 2] op het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid:

(a) dat bij de belading van de”[schip 1]” met containers op 29 mei 2006 de kraanmachinist van Uniport de giek van de containerbrugkraan niet boven het midden de betreffende container gesteld had toen hij (vanuit zijn bedieningsplek) de spreader losmaakte en de runners inhaalde, maar achter het midden, alsmede dat daardoor en door de zwaartekracht tijdens dat inhalen de spreader naar achteren zwaaide met als gevolg dat de spreader tegen het stuurhuis van dat schip stootte; en

(b) dat zodanig gedrag van de kraanmachinist de grenzen van de bij machinale belading van containers redelijkerwijs van hem te verlangen zorgvuldigheid te buiten is gegaan;

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 16 september 2009 voor uitlating door EFM en [eiseres sub 2] bij akte over de wijze waarop zij voornemens zijn aan die bewijsopdrachten te voldoen;

bepaalt dat voor zover EFM en [eiseres sub 2] bewijs willen leveren door het doen horen van getuigen:

(a) deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. W.P. Sprenger; en

(b) EFM en [eiseres sub 2] in de genoemde akte opgave moeten doen van de voor te brengen getuigen, hun verhinderdata en de verhinderdata van beide partijen en hun raadslieden in de maanden november en december 2009 opdat aan de hand daarvan dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger.

Uitgesproken in het openbaar.

2120/1928