Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ5763

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
21-08-2009
Zaaknummer
288441 HAZA 07-1810
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vertegenwoordiging. Beroep op schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, waarbij de advocaat van de wederpartij zich uitsluitend baseert op gedragingen en verklaringen van de pseudo-vertegenwoordiger, maar niet op verklaringen en gedragingen van de achterman.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 288441 HAZA 07-1810

Vonnis van 19 augustus 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEDCON GROEP B.V.,

gevestigd te Reeuwijk,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat: mr. D.L.A. van Voskuilen te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SILONA B.V., handelende onder de naam Stoeterij-Manege Charlois,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

advocaat: mr. T.A. Vermeulen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Nedcon en de stoeterij genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 juni 2007

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in voorwaardelijke reconventie van de stoeterij,

- het vonnis van 19 september 2007

- het proces-verbaal van 5 februari 2008

- de akte na comparitie van Nedcon

- de antwoordakte na comparitie van de stoeterij.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Nedcon heeft op 9 juni 2006, 23 juni 2006, 30 juni 2006 en 7 juli 2006 facturen gezonden aan de stoeterij voor een totaalbedrag van € 3.995,-- exclusief BTW. De omschrijving van deze facturen luidt steeds: “Opdrachtdatum: 23 mei 2006.

Totaal trajectprijs 3.995,00 in 4 termijnen. Businessplan (…)”

Op 10 oktober 2006 heeft Nedcon de stoeterij een aanmaning gestuurd voor een bedrag van € 4.754,06 inclusief BTW.

2.2. Omdat deze facturen ook na aanmaning onbetaald bleven, heeft Nedcon haar vordering ter incasso in handen gegeven van een gerechtsdeurwaarder. Deze heeft op 23 januari 2007 en 5 februari 2007 aanmaningen aan de stoeterij gestuurd en haar meegedeeld dat zij als gevolg van haar wanbetaling in verzuim is geraakt en de stoeterij nogmaals in gebreke gesteld met sommatie het openstaande bedrag vermeerderd met rente en invorderingskosten te voldoen.

2.3. Naar aanleiding van deze facturen heeft [persoon 1], hierna ook: [persoon 1], bij brief van 13 februari 2007 het volgende geschreven:

"(...) Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw schrijven van 5 februari dezer en reageer ik als volgt.

Het is opmerkelijk te noemen dat uw bedrijf Nedcon Groep BV de euvele moed heeft om überhaupt een vordering tegen mijn bedrijf te starten. (...)

De afspraak tussen mijn bedrijf en Nedcon was dat deze een rapport zou maken van de mogelijkheden om een financiering te verwerven voor het aankopen van het [het bedijfsobject]. Er is minstens tweemaal een informeel gesprek geweest tussen Nedcon en [het bedrijfsobject], in aanwezigheid van de directeur van Nedcon en [persoon 2] vertegenwoordiger van Nedcon en de pachter van [het bedrijfsobject]. (...)

U zult begrijpen dat ik ernstige bezwaren heb tegen de vordering van Nedcon voor zaken die niet conform de opdracht zijn uitgevoerd. Ik weiger de vordering te accepteren en wijs alle verantwoordelijkheid af. (...)

Hoogachtend,

Stoeterij Manege Charlois

[persoon 1]”

2.4. [persoon 1] is de vriend/partner van de directeur van de stoeterij, [persoon 3] (hierna ook: [persoon 3]), en exploiteert volgens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel (productie 1 van de stoeterij) sinds 22 februari 2006 in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [het bedrijfsobject] een vakantie ruitercentrum te Burgh Haamstede.

3. De vordering in conventie

3.1. Nedcon vordert dat de rechtbank de stoeterij bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan haar te voldoen de somma van € 6.006,54, te vermeerderen met de overeengekomen rente ad 12 % per jaar, althans subsidiair de wettelijke handelsrente, althans meest subsidiair de wettelijke rente, gerekend vanaf 20 juni 2007 en berekend over de hoofdsom van € 4.754,06 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van de stoeterij in de kosten van dit geding.

3.2. Aan deze vordering legt zij tegen de achtergrond van de vaststaande feiten het volgende ten grondslag.

Zij heeft op of omstreeks 23 mei 2006 met de stoeterij een overeenkomst van opdracht gesloten, inhoudende dat zij een business- c.q. strategisch meerjarenplan zou opstellen voor een bedrag van € 3.995,-- exclusief BTW. De stoeterij heeft de door Nedcon aan haar toegezonden facturen zonder bezwaar behouden en aanvaard maar ondanks sommatie onbetaald gelaten, waardoor zij in verzuim is geraakt. Ingevolge de algemene voorwaarden van Nedcon die op de overeenkomst van toepassing zijn maakt Nedcon aanspraak op vergoeding van de overeengekomen rente van 12 % per jaar vanaf de vervaldata der facturen. De overeengekomen rente berekend tot 19 juni 2007 bedraagt € 552,48. Nedcon heeft kosten gemaakt om de vordering buiten rechte te kunnen incasseren. Op grond van de door Nedcon gehanteerde algemene voorwaarden dient de stoeterij de daarmee gemoeide kosten, begroot op € 700,--, aan Nedcon te voldoen.

4. Het verweer in conventie

4.1. De stoeterij heeft geconcludeerd dat de rechtbank Nedcon in haar vordering niet- ontvankelijk zal verklaren, althans haar deze zal ontzeggen met veroordeling van Nedcon in de kosten van de procedure.

4.2. De stoeterij heeft de volgende weren gevoerd.

Er is geen overeenkomst tussen de stoeterij en Nedcon tot stand gekomen. Het door Nedcon als overeenkomst van opdracht in het geding gebrachte stuk is niet getekend door een persoon die bevoegd was de stoeterij te vertegenwoordigen. Nu tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen zijn de algemene voorwaarden van Nedcon ook niet van toepassing. In de door Nedcon in het geding gebrachte overeenkomst van opdracht wordt ook niet verwezen naar haar algemene voorwaarden.

Maar zou al de stoeterij aan Nedcon opdracht hebben gegeven tot het opstellen van een business- of een strategisch meerjarenplan dan geldt dat de stoeterij haar betalingsverplichtingen terecht heeft opgeschort omdat Nedcon ernstig tekort is geschoten. Het door Nedcon opgestelde stuk is van erbarmelijke kwaliteit, onder meer omdat Nedcon niet beschikte over de gegevens voor het opstellen van een business- of strategisch meerjarenplan.

5. De vordering in voorwaardelijke reconventie

5.1. De stoeterij vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst zal ontbinden, met veroordeling van Nedcon in de kosten van de procedure, indien zij in conventie wordt veroordeeld tot nakoming daarvan.

5.2. Zij baseert deze vordering op de stelling dat voor zover een overeenkomst tot stand is gekomen tussen partijen, er sprake is van ernstige tekortkoming van Nedcon, aangezien het door Nedcon opgestelde rapport geen enkele waarde of betekenis heeft. Ontbinding van de overeenkomst is gerechtvaardigd.

6. Het verweer in voorwaardelijke reconventie

6.1. Ter terechtzitting heeft Nedcon aangevoerd dat zij niet toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de op haar rustende verbintenis uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst, zodat de stoeterij zich niet op ontbinding kan beroepen.

7. De beoordeling

In conventie

7.1. Nedcon heeft ter onderbouwing van haar stelling dat zij met de stoeterij heeft gecontracteerd als productie 1 een formulier met het opschrift "Algemene opdracht" in het geding gebracht, waarin staat vermeld dat Stoeterij Manege Charlois aan Nedcon opdracht verstrekt tot het uitvoeren van werkzaamheden voor een bedrag van € 3.995,-- exclusief BTW. Dit formulier is namens de opdrachtgever ondertekend door "[persoon 1]”. Nadat de stoeterij heeft betwist dat deze overeenkomst is ondertekend door [persoon 1], heeft Nedcon als productie 9 de navolgende verklaring in het geding gebracht van [persoon 4] (hierna ook: [persoon 4]):

"(...) Op 23 mei 2006 ben ik, [persoon 4], in mijn functie als Commercieel medewerker geweest bij [persoon 1] van de Stoeterij Manege Charlois te Rotterdam.

Tijdens dit gesprek zijn er diverse zaken aan de orde geweest, waarvoor ik ruggespraak heb gehouden met het kantoor te Reeuwijk, vervolgens is er overeenstemming bereikt met [persoon 1] voor het opstellen van twee strategisch meerjarenplan. Daarna heb ik contact gezocht met de planning van Nedcon om een afspraak te maken voor een consultant.

Tijdens het maken van deze afspraak werd mij gevraagd of de opdracht was getekend, dit was op dit moment nog niet het geval, mij werd duidelijk meegedeeld dat de opdracht eerst getekend moest zijn om een afspraak met de consultant te maken.

Daarna heb ik met [persoon 1] de opdracht opgesteld en laten tekenen, dit is in mijn bijzijn gebeurd. (...)"

Nedcon heeft tegenover de betwisting van de stoeterij door overlegging van deze gemotiveerde verklaring voldoende bewijs geleverd van haar stelling dat de betreffende opdracht door [persoon 1] is ondertekend. De rechtbank weegt in dit verband mee dat de handtekening onder de opdrachtbevestiging enige gelijkenis vertoont met de handtekening onder de brief van 13 februari 2007 van [persoon 1] aan de deurwaarder en dat de stoeterij erkent dat [persoon 1] op 23 mei 2006 op haar bedrijf een bespreking heeft gehad met [persoon 4].

7.2. Uit de stellingen van partijen begrijpt de rechtbank dat uit de inschrijving van de stoeterij in het handelsregister niet blijkt dat [persoon 1] ten tijde van het ondertekenen van de overeenkomst van opdracht bevoegd was haar te vertegenwoordigen. Wanneer enkel wordt gelet op de in het handelsregister opgenomen gegevens, is [persoon 1] derhalve niet bevoegd om namens de stoeterij rechtshandelingen te verrichten, zoals het aangaan van overeenkomsten.

Is een rechtshandeling in naam van een ander verricht, dan kan echter tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep worden gedaan.

Nedcon heeft onweersproken verklaard dat zij erop heeft vertrouwd dat [persoon 1] bevoegd was de stoeterij te vertegenwoordigen.

Bij de beantwoording van de vraag of door toedoen van de stoeterij de schijn is gewekt dat [persoon 1] bevoegd was haar te vertegenwoordigen en of die gewekte schijn voldoende is om bij Nedcon het gerechtvaardigd vertrouwen te wekken dat een toereikende volmacht is verleend, komt het aan op de omstandigheden van het geval. Deze vraag moet in beginsel worden beoordeeld naar het moment waarop de gestelde overeenkomst tot stand is gekomen, met dien verstande dat de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, afhankelijk van de verdere omstandigheden van het geval, ook door een niet-doen kan worden gewekt, waarbij het niet ter zake doet of een gedeelte van de omstandigheden waarop de schijn van bevoegdheid berust zich heeft voorgedaan na de totstandkoming van de overeenkomst (LJN: AA9429).

7.3. De stoeterij heeft onweersproken verklaard dat [persoon 1], kort nadat hij was begonnen met de exploitatie van zijn vakantie ruitercentrum, op zijn mobiele telefoon werd benaderd door een medewerker van Nedcon. Deze deelde [persoon 1] mee dat Nedcon zich bezig hield met het adviseren van bedrijven en vroeg hem een afspraak te mogen maken. Nadat [persoon 1] hier in had toegestemd, is afgesproken elkaar op het bedrijf van de stoeterij te treffen. Tijdens dat gesprek tussen [persoon 4] en [persoon 1] is aan de orde gekomen dat [persoon 1] bezig was met het opzetten van zijn vakantie ruitercentrum. [persoon 4] heeft vervolgens [persoon 1] laten weten dat Nedcon ook actief was op het gebied van het tot stand brengen van financieringsovereenkomsten en de diensten van Nedcon aangeboden voor het regelen van een financiering. Uit de hiervoor geciteerde verklaring van [persoon 4] blijkt niet dat [persoon 3] bij dat eerste gesprek aanwezig is geweest.

[persoon 2] (hierna ook: [persoon 2]), consultant van Nedcon, heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 8, 9, 22, 23 en 28 juni 2006 en op 3, 17, 24 en 25 juli 2006 in Burgh Haamstede besprekingen met [persoon 1] heeft gevoerd. Nedcon heeft als productie 12 een uitdraai uit de computeragenda van [persoon 2] in het geding gebracht en als productie 13 bezoekverslagen van 8 juni 2006, 22 juni 2006, 28 juni 2006 en 17 juli 2006 en van 24 juli 2006. In de computeruitdraai van de agenda van [persoon 2] staat steeds als bezoekadres vermeld: [het bedrijfsobject] [bezoekadres]. Uit het eerste gespreksverslag van 18 juni 2006 (productie 13A) blijkt dat de door [persoon 1] opgerichte eenmanszaak [het bedrijfsobject] toen onderwerp van gesprek is geweest en dat [persoon 1] [persoon 2] heeft rondgeleid op het bedrijf te Burgh Haamstede. Ook het gesprek op 22 juni 2006 is gevoerd te Burgh Haamstede. In het verslag van dit gesprek (productie 13B) wordt wel vermeld dat een bezoek is gebracht aan de stoeterij te Rotterdam. Ook de gesprekken op 28 juni 2006 en 17 juli 2006 zijn, zo blijkt uit het verslag (productie 13C) gevoerd op en over het bedrijf te Burgh Haamstede. In afwijking van de eerdere gespreksverslagen, waar steeds vermeld staat: " Gesproken met [persoon 1] (directeur)” vermeldt het laatste gespreksverslag (productie 13D) van de bijeenkomst op 24 juli 2006: “Gesproken met [persoon 1] en [persoon 3]”. Uit dit laatste gespreksverslag blijkt dat toen samen met [persoon 5] van Nedcon een oriënterend gesprek is gevoerd over de investeringsbegroting en het financieringsplan voor [het bedrijfsobject] en dat na een oriënterend gesprek het door Nedcon opgestelde plan is neergelegd bij de Rabobank te Nieuwerkerk. Het gespreksverslag vermeldt daarover: "(...) In ieder geval was [persoon 6] (Sr. Accountmanager Zakelijke Relaties van de Rabobank, rechtbank) geïnteresseerd in de resultaten van Stoeterij Manege Charlois B.V., de toekomstige juridische structuur van [het bedrijfsobject] en het onderbrengen van de andere rekeningen bij de Rabobank. (…)”

Voor het overige wordt in de gesprekverslagen niet verwezen naar de stoeterij.

7.4. Uit hetgeen Nedcon heeft aangevoerd noch uit de door haar in het geding gebrachte gespreksverslagen blijkt van gedragingen of verklaringen van de stoeterij op grond waarvan Nedcon redelijkerwijs mocht aannemen dat [persoon 1] een toereikende volmacht had om namens de stoeterij rechthandelingen te plegen. Ter terechtzitting heeft [persoon 2] verklaard: “(…) U vraagt mij naar de verhouding tussen [het bedrijfsobject] en Silona. U houdt mij voor het uittreksel uit handelsregister van [het bedrijfsobject], het vakantie ruitercentrum in Burgh Haamstede, welke eenmanszaak wordt gedreven voor rekening van [persoon 1]. [persoon 1] deed zich voor als directeur van [het bedrijfsobject] en Silona en hij heeft zich als zodanig gepresenteerd in de gesprekken waar het ging over het samengaan van Silona met de nieuw opgerichte manege [het bedrijfsobject]. Zijn vriendin, [persoon 3], was een aantal keren bij de gesprekken aanwezig. Het is mij bekend dat zij de boekhouding doet van en achter de bar staat bij Silona. (...) Ik dacht dat Silona misschien de holding was waaronder [het bedrijfsobject] zou vallen. (…)”

[persoon 2] maakt geen melding van een verklaring of gedraging van de stoeterij, waaraan hij deze laatste veronderstelling heeft ontleend. Zoals hiervoor al is overwogen blijkt uit de gespreksverslagen van [persoon 2] en [persoon 4] dat [persoon 3] alleen bij het laatste gesprek aanwezig is geweest. Nedcon heeft wel aangevoerd dat [persoon 1] zich jegens haar vertegenwoordigers heeft voorgedaan als directeur van de stoeterij, maar uit haar stellingen blijkt niet dat (de directeur van) de stoeterij daarbij aanwezig was of daarvan op de hoogte zijnde, heeft gezwegen over de onjuistheid van die mededeling. Het enkele feit dat [persoon 3] bij het laatste gesprek aanwezig was, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de stoeterij op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat [persoon 1] tevens namens de stoeterij handelde, zoals Nedcon stelt. Uit het gespreksverslag blijkt dat bij dit gesprek, dat wederom te Burgh Haamstede plaats vond, met [persoon 1] en [persoon 3] uitsluitend over [het bedrijfsobject] is gesproken. Voor zover in het gespreksverslag al melding wordt gemaakt van de stoeterij, dan ziet die vermelding op het gesprek dat een medewerker van Nedcon heeft gehad met [persoon 6] van de Rabobank. Dat (een vertegenwoordiger van) de stoeterij daarbij aanwezig is geweest of bekend was met de inhoud van dat gesprek is gesteld noch gebleken.

Ook het feit dat de eerste bespreking met [persoon 1] op de stoeterij is gevoerd, kan niet tot de conclusie leiden dat door toedoen van de stoeterij de schijn is gewekt dat [persoon 1] bevoegd was haar te vertegenwoordigen. Dat geldt ook voor het feit dat [persoon 1] zijn brief van 13 februari 2007 aan Nedcon heeft ondertekend met Stoeterij Manege Charlois, nu gesteld noch gebleken is dat de stoeterij bekend was met de inhoud van deze brief.

Worden deze feiten, het voeren van het eerste gesprek op de stoeterij, de aanwezigheid van [persoon 3] bij het gesprek op 24 juli 2006 en de ondertekening van de brief van 13 februari 2007 samen en in onderling verband bezien, dan leiden zij evenmin tot de conclusie dat door gedragingen of verklaringen dan wel door niet-doen van de stoeterij de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [persoon 1] is gewekt.

Tenslotte kan de stelling dat de stoeterij de aan haar toegezonden facturen zonder bezwaar heeft behouden Nedcon evenmin baten. De stoeterij heeft aangevoerd dat [persoon 1] naar aanleiding van de toegezonden facturen diverse malen telefonisch contact met Nedcon heeft opgenomen om mee te delen dat hij zich niet gehouden voelde deze te betalen, maar dan steeds te horen kreeg dat hij zich van de facturen maar niets moest aantrekken omdat deze door het automatiseringssysteem werden aangemaakt. [persoon 1] heeft volgens de stoeterij tenslotte de facturen aan Nedcon heeft terug gestuurd. Nedcon is na deze betwisting niet teruggekomen op haar stelling, zodat er vanuit gegaan wordt dat over de facturen is geprotesteerd en dat de facturen terug zijn gestuurd.

7.5. Nu [persoon 1] niet bevoegd was de stoeterij te binden en Nedcon onder de gegeven omstandigheden niet op grond van een verklaring of gedraging van de stoeterij redelijkerwijs mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, moet de stelling van Nedcon dat zij met de stoeterij een overeenkomst tot opdracht heeft gesloten en dat de stoeterij op grond van die overeenkomst gehouden is de aan haar toegestuurde facturen te betalen, verworpen worden. De vordering van Nedcon zal daarom afgewezen worden.

7.6. Nedcon zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van de stoeterij worden begroot op:

- vast recht € 300,--

- salaris advocaat 960,-- (2,5 punten × factor 1,0 × tarief € 384,--)

Totaal € 1.260,--

8. In voorwaardelijke reconventie

8.1. Nu aan de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld niet is voldaan, behoeft deze vordering geen bespreking meer.

9. De beslissing

De rechtbank

9.1. wijst de vordering af;

9.2. veroordeelt Nedcon in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de stoeterij gevallen en begroot op € 1.260,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.A.G. van Valderen en ondertekend en uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2009 door mr. Th. Veling.

ap/va