Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ5756

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
21-08-2009
Zaaknummer
307264 / HA ZA 08-1237
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over de declaratie van een advocaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 307264 / HA ZA 08-1237

Uitspraak: 17 juni 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. D.J.R.M. Braakenburg,

- tegen -

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

4. [gedaagde 4],

wonende, althans verblijvende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. R.W.J.M. te Pas.

Partijen worden hierna aangeduid als: [eiseres], [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4]; gedaagden worden hierna gezamenlijk aangeduid als: [gedaagden]

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding d.d. 7 mei 2008 en de door [eiseres] overgelegde producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek, met producties.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

algemeen

2.1 [eiseres] heeft in de periode van (eind) 2002 tot en met begin 2008 juridische diensten verleend voor [gedaagden]

met betrekking tot de aanrijdingszaak

2.2 [eiseres] behandelde een civiele en een strafrechtelijke zaak met betrekking tot een aanrijding waarbij [gedaagde 4] was betrokken. Omdat de feitelijk behandelaar, [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) destijds zelf geen advocaat meer was, schakelde hij daarvoor [persoon 2] uit Utrecht in als ‘correspondent’.

2.3 [persoon 2] heeft in december 2006 een voorschotnota verzonden aan [eiseres] voor de aanrijdingszaak, die deze in december 2006 doorbelast heeft aan [gedaagde 4]. Daarnaast heeft [eiseres] in ieder geval één voorschotnota verzonden voor haar eigen werkzaamheden met betrekking tot de aanrijdingszaak.

2.4 De werkzaamheden met betrekking tot de aanrijding zijn op verzoek van [gedaagde 4] beëindigd in maart 2007, maar zijn later weer hervat, totdat in januari 2008 alle werkzaamheden op verzoek van [gedaagden] zijn gestaakt.

2.5 In een specificatie van [eiseres] voor de aanrijdingszaak zijn de verrichte werkzaamheden opgesplitst in een strafrechtelijk en een civielrechtelijk deel, waarbij per datum (soms verschillende) werkzaamheden werden gespecificeerd. Volgens deze specificatie resteert een nog te betalen totaalbedrag van € 7.568,44. Het is niet in geschil dat hierop in ieder geval nog een bedrag van € 2.000,-- wegens betaalde voorschotten in mindering moet worden gebracht.

met betrekking tot de vreemdelingenzaken

2.6 Bij brief d.d. 15 oktober 2003, gericht aan ‘[gedaagden]’ en met als aanhef ‘geachte [naam]’, heeft [eiseres] de opdracht tot het aanvragen van een verblijfsvergun¬ning voor [gedaagde 1] bevestigd:

“(..) Wij bespraken dat u voor uw moeder een verblijfsvergunning wenst aan te vragen. Uw moeder heeft geen MVV aangevraagd en is thans in Nederland bij uw bedrijf in dienst getreden, zodat een aanvraag wegens arbeid in loondienst in de rede zou liggen. (..)

Ik heb u medegedeeld, dat voor een aanvraag als de onderhavige in beginsel een MVV is vereist en dat van dit vereiste slechts onder uitzonderlijke voorwaarden wordt afgeweken. Nu ik begrijp dat u moeder (..) onder geen beding naar het land van herkomst wenst terug te keren om aldaar een MVV aan te vragen en af te wachten, zal ik een aanvraag indienen.

Aan u werd medegedeeld, dat u mogelijkerwijs in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand, doch dat mijn kantoor uw zaak niet op die basis aanneemt. U deelde mede betalend van onze diensten gebruik te kunnen en te willen maken.

Ons uurtarief in deze bedraagt € 204,20, te vermeerderen met 6% kantoorkosten en 19% BTW. Terzake zal ik een voorschot in rekening brengen van 10 uren, of te wel € 2.575,79.

Afgesproken werd, dat u begin volgende week de stukken zult brengen en de nota zult betalen.”.

2.7 Bij brief d.d. 8 januari 2008, gericht aan ‘de familie [gedaagde 1]’, heeft [eiseres] aangeboden om een vast bedrag te hanteren per zaak. Dit voorstel is door [gedaagden] niet aangenomen.

2.8 Bij brief d.d. 23 januari 2008, gericht aan ‘de familie [gedaagde 1], [gedaagde 3], en [gedaagde 2]’, heeft [eiseres] een voorwaardelijk gematigde einddeclaratie van € 16.660,-- verzonden, met specificatie, voor de vreemdelingenzaken. De voorwaarde voor de matiging was dat [gedaagden] een door [eiseres] voorgestelde betalingsregeling zouden aanvaarden, bij gebreke waarvan [eiseres] alsnog aanspraak zou maken op een volledige vergoeding. [gedaagden] hebben het voorstel niet aanvaard.

2.9 In de specificatie bij de brief van 23 januari 2008 worden werkzaamheden voor de vreemdelingenzaken gespecificeerd vanaf 27 juni 2002 tot 14 januari 2008. Het honorarium wordt berekend op € 34.364,84, vermeerderd met 6% kantoorkosten en 19% BTW, wat resulteert in een totaal bedrag van € 43.347,81. Hierop zijn voorschotten ad € 15.767,51 in mindering gebracht. De specificatie sluit op een bedrag van € 27.580,30.

2.10 Bij brief d.d. 4 februari 2008 heeft [eiseres] aangegeven aanspraak te maken op de volledige door hem berekende hoofdsom van € 31.987,95. [gedaagden] hebben deze hoofdsom niet betaald, noch hebben zij het hiervoor bedoelde bedrag van € 27.580,30 betaald.

3 Het geschil

3.1 [eiseres] vordert - zakelijk weergegeven - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. [gedaagden] hoofdelijk (subsidiair: elk van hen voor een vierde deel) te veroordelen tot betaling van € 27.580,-- met rente;

b. [gedaagden] hoofdelijk (subsidiair: elk van hen voor een vierde deel), althans [gedaagde 4] te veroordelen tot betaling van € 5.468,44, met rente;

c. [gedaagden] hoofdelijk (subsidiair: elk van hen voor een vierde deel) te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten;

d. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

3.2 Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan haar vordering kort gezegd ten grondslag gelegd dat de gevorderde bedragen haar toekomen voor de verrichte werkzaamheden op grond van het overeengekomen uurtarief, vermenigvuldigd met de gewerkte uren. Het overeengekomen uurtarief was oorspronkelijk € 182,-- en later € 204,-- per uur, te vermeerderen met 6% kantoorkosten en 19% BTW. De gewerkte uren blijken uit door [eiseres] opgestelde specificaties. Tussen partijen is afgesproken dat bij beëindiging van de dienstverlening een eindfactuur zou worden opgemaakt. [gedaagden] hebben de opdrachten aan [eiseres] steeds gezamenlijk gegeven, zodat zij voor de betaling hoofdelijk aansprakelijk zijn. [eiseres] vordert vergoeding van gemaakte buitengerechtelijke kosten op grond van het Rapport Voorwerk II.

3.3 Het verweer van [gedaagden] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding. Op het verweer wordt - voor zover nodig - ingegaan bij de beoordeling.

4 De beoordeling

A Inleiding

4.1 Het geschil tussen partijen bestaat uit een aanzienlijk aantal geschilpunten, uiteenlopend van een beroep op verjaring tot een betwisting van de kwantiteit en kwaliteit van de gewerk¬te uren. Hierna zal in § B eerst ambtshalve worden ingegaan op de bevoegdheid van de rechtbank. Daarna zal in § C worden ingegaan op de declaratie voor de aanrijdingszaak en in § D op de declaratie voor de overige zaken, naar de rechtbank begrijpt alleen of hoofdzakelijk vreemdelingenzaken. In § E zal ten slotte worden ingegaan op het verdere procesverloop.

B Bevoegdheid van deze rechtbank

4.2 Artikel 32 van de Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken (hierna: WTBZ) schrijft voor geschillen over de hoogte van het bedrag van de declaratie van een advocaat in civiele zaken een begrotingsprocedure voor. Voor dergelijke geschillen is de rechtbank niet bevoegd. De begrotingsprocedure is niet van toepassing op geschillen die niet de omvang van het gedeclareerde bedrag betreffen, en evenmin in geval van geschillen tussen een advocaat en zijn cliënt in andere zaken dan civiele zaken. Dit betekent dat de rechtbank in ieder geval bevoegd is voor zover de declaraties zien op de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke zaken. Ten aanzien van de civiele procedure in de aanrijdingszaak geldt dat uit de processtukken en de stellingen van partijen opgemaakt kan worden dat [persoon 1] in de periode dat de civiele procedure speelde, geen advocaat meer was, zodat ook op die werkzaamheden de WTBZ niet van toepassing is. De rechtbank is dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering van [eiseres].

C De aanrijdingszaak (strafrechtelijk en civielrechtelijk)

C.1 Hebben [gedaagden] reeds alle werkzaamheden betaald?

4.3 Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden] is dat zij lopende de procedures diverse betalingen hebben gedaan per onderdeel van de zaken, dat [eiseres] vrijwel altijd mondeling afspraken maakte over betaling en de hoogte van verschuldigde bedragen en dat zij alle werkzaamheden reeds hebben betaald en daarom niets meer aan [eiseres] verschuldigd zijn. Zij stellen voorts dat [eiseres] steeds tegen hen heeft gezegd dat zij haar niets meer verschuldigd zijn. Dit verweer slaagt in ieder geval niet voor zover het de aanrijdingszaak betreft, nu het hiervoor weergegeven verweer van [gedaagden] niet specifiek ingaat op de aanrijdingszaak, hetgeen wel op de weg van [gedaagden] had gelegen. Zoals hiervoor onder 2.3 is overwogen, heeft [eiseres] ten aanzien van de aanrijdingszaak voorschotnota’s verzonden, zodat [gedaagden] rekening diende te houden met een eindafrekening. Nu [gedaagden] niet specifiek en onderbouwd aangeeft dat voor de aanrijdingszaak afspraken zijn gemaakt van de strekking dat de voorschotnota’s (toch) bedoeld waren als een eindafrekening, wordt ten aanzien van de aanrijdingszaak aan dit verweer voorbij gegaan.

C.2 Positie van [gedaagde 4] en de overige gedaagden

4.4 [eiseres] vordert dat gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de einddeclaratie voor de aanrijdingszaak. De vordering zal ten aanzien van gedaagden sub 1, 2 en 3 worden afgewezen. De aanrijding waar de zaak om ging, betrof - voor zover door [eiseres] gesteld - [gedaagde 4] en niet de overige gedaagden. De declaraties voor de aanrijdingszaak zijn gericht aan [gedaagde 4] en de in het geding gebrachte correspondentie over deze zaak heeft plaatsgevonden tussen [eiseres] en [gedaagde 4]. De opdracht tot het behandelen van deze zaak is beëindigd door [gedaagde 4]. Tegen deze achtergrond geldt dat [eiseres] - die slechts in algemene termen ten aanzien van alle zaken gezamenlijk stelt dat de opdrachten steeds gezamenlijk werden verstrekt - onvoldoende concrete feiten en omstandig¬heden heeft gesteld die maken dat aangenomen moet worden dat de overige gedaagden medeopdracht hebben gegeven tot het behandelen van deze zaak of zich anderszins hoofdelijk verbonden hebben voor de betaling van de facturen voor deze zaak.

C.3 Wanprestatie I: resultaten in de (civiele) aanrijdingszaak

4.5 [gedaagden] stellen dat de schadezaak [gedaagden] / London door de ontstane onenigheid tussen [eiseres] en gedaagden zonder resultaat tot een einde is gekomen. De rechtbank gaat er van uit dat dit ziet op de civiele aspecten van de aanrijdingszaak. [gedaagden] stellen dat zij schade hebben geleden door het intrekken van deze zaak en dat [eiseres] hierdoor tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen. Aan dit verwijt zal voorbijgegaan worden nu [gedaagden] geen concrete feiten en omstandigheden hebben gesteld waaruit een tekortkoming kan worden afgeleid, noch hebben zij aangegeven welke schade zij hebben geleden.

C.4 Wanprestatie II: Toevoeging

4.6 [gedaagden] stellen dat [eiseres] verzuimd heeft er op te wijzen dat [gedaagde 4] in aanmerking zou komen voor een toevoeging. Zij stellen echter geen feiten of omstandig¬heden waaruit blijkt dat [gedaagde 4] destijds in aanmerking kwam voor een toevoeging, zodat ook aan dit verweer voorbij gegaan wordt.

C.5 Bijzonder tarief

4.7 [eiseres] vordert betaling van haar werkzaamheden op basis van een uurtarief van € 182,-- en, met ingang van 15 oktober 2003, van € 204,--. [gedaagden] betwisten dit tarief en voeren aan dat afgesproken is dat gedaagden een speciaal voordelig tarief zouden krijgen. Aan dit verweer wordt voorbijgegaan. [gedaagden] stellen ten aanzien van de aanrijdingszaak niet specifiek dat ook hiervoor een bijzonder tarief zou gelden. Voorzover [gedaagden] stellen dat [eiseres] in algemene zin heeft verklaard dat er een bijzonder tarief zou gelden voor alle zaken van alle gedaagden, en dat dit dus ook voor de aanrijdingszaak geldt, blijkt uit de hiervoor onder 2.6 geciteerde brief d.d. 15 oktober 2003 dat er in ieder geval vanaf de datum van die brief een uurtarief van € 204,-- gold. Tegen deze achtergrond is het betoog van gedaagden dat er voor hen een ander, kennelijk lager, tarief gold, onvoldoende concreet onderbouwd, zodat aan dit verweer voorbijgegaan wordt.

C.6 Onnodige kosten en te hoge declaratie

4.8 [gedaagden] betogen dat [eiseres] in de aanrijdingszaak onnodig extra kosten heeft gemaakt door het inschakelen van advocaat [persoon 2]. [gedaagden] stellen dat zij hier niet van op de hoogte waren en in de veronderstelling verkeerden dat [eiseres] deze zaak zelf zou behandelen. Dit verweer slaagt niet. Zoals hiervoor onder 2.3 is weergegeven, heeft [eiseres] in december 2006 een voorschotnota van [persoon 2] aan [gedaagde 4] doorbelast. Hieruit blijkt dat [gedaagde 4] in december 2006 wist dat [persoon 2] betrokken was bij dit dossier en dat hieraan kosten waren verbonden. Dit blijkt ook uit de brief die als productie 6 bij conclusie van antwoord in het geding is gebracht. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 4] vervolgens tegen de betrokkenheid van [persoon 2] bezwaar heeft gemaakt.

4.9 [gedaagden] stellen ten slotte dat de declaraties van [eiseres] te hoog zijn, maar stellen ten aanzien van de aanrijdingszaak geen concrete feiten en omstandigheden die tot de slotsom kunnen leiden dat dit het geval is. Aan dit verweer wordt dan ook, voor zover het de aanrijdingszaak betreft, voorbijgegaan.

C.7 Slotsom met betrekking tot de aanrijdingszaak

4.10 Gelet op het voorgaande zal [gedaagde 4] worden veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag van € 5.468,44 ter zake van de aanrijdingszaak. De vanaf 19 februari 2008 gevorderde wettelijke rente zal, als onbetwist, worden toegewezen. Ten aanzien van de overige gedaagden zal de vordering van [eiseres] ten aanzien van deze zaak worden afgewezen.

D De declaratie in de overige zaken

D.1 Hebben [gedaagden] reeds alle werkzaamheden betaald?

4.11 Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden] is ook voor deze zaken dat zij lopen¬de de procedures diverse betalingen hebben gedaan per onderdeel van de zaken, dat [eiseres] vrijwel altijd mondeling afspraken maakte over betaling en de hoogte van verschul¬digde bedragen en dat zij alle werkzaamheden reeds hebben betaald en daarom niets meer aan [eiseres] verschuldigd zijn. Zij stellen voorts dat [eiseres] steeds tegen hen heeft gezegd dat zij haar niets meer verschuldigd zijn.

4.12 De rechtbank beslist hierover als volgt. [eiseres] stelt dat afgesproken is dat zij op basis van een afgesproken uurtarief zou declareren. Dat dit de basis van de declaraties zou zijn, is door [gedaagden] onvoldoende gemotiveerd betwist. De niet nader uitgewerkte stel¬ling van [gedaagden] dat [eiseres] steeds mondeling afspraken maakte over de wijze van betaling en de hoogte van het verschuldigde bedrag, vormt geen gemotiveerde betwisting van de stelling van [eiseres] dat afgesproken is dat op de door haar gestelde basis gedeclareerd zou worden, nu [gedaagden] niet aangeven wat er dan precies afgesproken zou zijn. Bovendien blijkt uit de hiervoor onder 2.6 geciteerde brief uit oktober 2003 duidelijk dat [eiseres] zou werken op basis van een uurtarief vermenig¬vuldigd met de gewerkte tijd. Tevens wordt in deze brief gesproken over een te betalen voorschot. Deze brief ziet op de zaak van [gedaagde 3] en is gericht aan ‘[gedaagden]’, zodat in ieder geval [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] geacht moeten worden te hebben geweten wat de basis was voor de declaraties en dat er nog een einddeclaratie zou kunnen volgen. Voor [gedaagde 4] geldt dat hij in december 2006 diverse voorschotnota’s heeft ontvangen van [eiseres]: hieruit blijkt weliswaar niet dat hij wist wat het uurtarief was, maar wel dat er door [eiseres] werd gewerkt met voorschotnota’s en dat een einddeclaratie dus kon volgen. Deze declaraties zien weliswaar op de aanrijdingszaak, maar dat neemt niet weg dat [gedaagde 4] op grond hiervan moet hebben begrepen dat [eiseres] met voorschotnota’s werkte.

4.13 Het uitgangspunt voor de verdere beoordeling is daarom dat ervan uit gegaan moet worden dat [eiseres] zou declareren op basis van een uurtarief, vermenigvuldigd met het aantal uren en dat [eiseres] op grond van de gemaakte afspraken gerechtigd was om een einddeclaratie te zenden voor haar werkzaamheden. [eiseres] zou het recht om een einddeclaratie te zenden echter niet meer hebben indien - zoals [gedaagden] stellen en [eiseres] betwist - [eiseres] tegen [gedaagden] heeft gezegd dat met de reeds betaalde bedragen [eiseres] volledig zou zijn betaald. De bewijslast dat [eiseres] dergelijke uitlatingen heeft gedaan, rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op [gedaagden] nu zij daaraan rechtsgevolgen verbinden. Gelet op hun bewijsaanbod zullen [gedaagden] tot het bewijs hiervan worden toegelaten.

4.14 Indien [gedaagden] slagen in dit bewijs, zal de vordering van [eiseres] ten aanzien van de vreemdelingenzaken worden afgewezen. Hierna wordt ingegaan op de overige geschilpunten die partijen verdeeld houden voor het geval [gedaagden] niet slagen in dit bewijs.

D.2 Verjaring?

4.15 [gedaagden] hebben aangevoerd dat de vordering van [eiseres], voor zover zij ziet op werk¬zaam¬heden welke zijn verricht in de periode 2002 tot en met 21 mei 2003, op grond van artikel 3:307 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is verjaard. [eiseres] betoogt dat er sprake is van een verplichting voor onbepaalde tijd omdat afgesproken is dat er door [eiseres] aan het einde van de werkzaamheden een einddeclaratie zou worden verzonden, zodat haar vordering niet is verjaard. Hierover wordt als volgt overwogen.

4.16 Het betoog van [gedaagden] kan niet leiden tot afwijzing van de vordering van [eiseres]. Tenzij [gedaagden] slagen in het hiervoor opgedragen bewijs, moet het er voor worden gehouden dat [eiseres] bij beëindiging van haar werkzaamheden een eindfactuur zou opmaken (zie hiervoor onder D.1). In dat geval moet de betalingsverplichting van [gedaagden] worden aangemerkt als een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd - namelijk een verplichting tot betaling na beëindiging van de werkzaamheden - als bedoeld in artikel 3:307 lid 2 Burgerlijk Wetboek. Dit artikel is immers bedoeld voor de situatie dat de bedoeling van partijen is dat de verplichting weliswaar opeisbaar is, maar niet op korte termijn zal worden opgeëist. Volgens dit artikel vangt de termijn van verjaring van twintig jaar in dit geval aan vanaf de dag volgend op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan, in dit geval januari/februari in het voorjaar 2008.

4.17 [gedaagden] hebben aangevoerd dat er geen sprake is van werkzaamheden voor onbepaalde tijd en voeren daartoe bij conclusie van dupliek - mede - aan dat elke aanvraag en elke procedure afzonderlijk per gezinslid werden gevoerd. De rechtbank begrijpt dit aldus, dat [gedaagden] bedoelen te stellen dat voor iedere zaak van ieder gezinslid separaat gedeclareerd moest worden, en dat in ieder geval bij het einde van iedere individuele zaak de verjaringstermijn is aangevangen. Dit betoog leidt evenmin tot de slotsom dat de vorderingen van [eiseres] zijn verjaard omdat [gedaagden] nalaten om concreet aan te geven wanneer de individuele zaken zijn afgerond.

D.3 Hoofdelijkheid

4.18 [eiseres] stelt dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betalings¬verplich¬tin¬gen met betrekking tot vreemdelingzaken. Zij stelt daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende. De contacten liepen doorgaans via [gedaagde 1] en [gedaagde 2], maar ook de overige gedaagden zijn bij [eiseres] op kantoor geweest waarbij [eiseres] zich ervan kon verzekeren dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met instemming van en mede namens de overige gedaagden voor zichzelf en namens de andere gedaagden opdrachten verstrekten. [gedaagde 4] communiceerde ook rechtstreeks met [eiseres] over alle lopende zaken en in wisselende samenstelling bestierden alle gedaagden alle zaken en gaven zij daarin ook aanwijzingen aan [eiseres]. De brieven van [eiseres] werden, afhankelijk van de contactpersoon binnen de familie, aan de contactpersoon dan wel aan de familie geadresseerd.

4.19 [gedaagden] betwisten dat zij als eenheid hebben opgetreden jegens [eiseres]. Dit blijkt volgens hen ook uit de hiervoor onder 2.6 geciteerde opdrachtbevestiging. Zij voeren voorts aan dat van een (eerst) advocaat en (daarna) rechtshulpverlener verwacht mag worden dat deze de diverse zaken in haar administratie gescheiden houdt.

4.20 De rechtbank overweegt hierover als volgt. De correspondentie van [eiseres] aan gedaagden is uiteenlopend geadresseerd. Zo is de hiervoor onder 2.6 geciteerde opdracht¬bevestiging gericht aan ‘[gedaagden]’, die opdracht hebben gegeven om voor ‘hun moeder’ een verblijfvergunning aan te vragen. Kennelijk wordt in de aanhef van deze brief met ‘[gedaagden]’ bedoeld de gedaagden [gedaagde 2] en [gedaagde 1], die gevraagd hebben om voor hun moeder ([gedaagde 3]) een verblijfsvergunning aan te vragen. Deze opdrachtvermel¬ding geeft niet aan dat de opdracht mede is verstrekt door [gedaagde 3] zelf, noch blijkt er uit dat [gedaagde 4] zich hoofdelijk heeft verbonden voor deze werkzaamheden. De overige in het geding gebrachte corres¬pondentie met betrekking tot de vreemdelingenzaken is gericht aan ‘de familie [gedaagden]’, aan ‘de familie [gedaagde 1]’ en aan ‘de familie [gedaagde 1], [gedaagde 3] en [gedaagde 2]’ . Uit de correspondentie kan niet eenduidig worden afgeleid wie voor welke werkzaamheden opdracht heeft gegeven. Nu [eiseres] stelt en gedaagden gemotiveerd betwisten dat gedaagden steeds voor alle vreemdelingenzaken gezamenlijk een opdracht hebben verstrekt, zal [eiseres] tot het bewijs hiervan worden toegelaten. Bij de bewijsbeoordeling zal meegewogen worden dat van een advocaat/rechtshulpverlener verwacht mag worden dat deze - behoudens andersluidende afspraken - een onderscheid maakt tussen de verschil¬lende zaken die voor verschillende leden van één en dezelfde familie worden verricht.

D.4 Wanprestatie I: niet gewezen op mogelijkheid toevoeging

4.21 [gedaagden] hebben aangevoerd dat [gedaagde 1] door [eiseres] ten onrechte nooit er over is geïnformeerd dat zij voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking kwam. Deze stelling staat haaks op de hiervoor onder 2.6 geciteerde brief d.d. 15 oktober 2003 van [eiseres] waarin vermeld staat: “Aan u werd medegedeeld, dat u mogelijkerwijs in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand, doch dat mijn kantoor uw zaak niet op die basis aanneemt. U deelde mee betalend van onze diensten gebruik te kunnen en te willen maken”. Mede in het licht van deze brief gezien, hebben [gedaagden] hun stelling dat [gedaagde 1] hiervoor niet gewaar¬schuwd was (en dat bij een juiste voorlichting, [gedaagde 1] aan [eiseres] geen opdracht had verleend zonder toevoeging), onvoldoende onderbouwd. Aan dit verweer wordt daarom voorbij gegaan.

D.5 Wanprestatie II: [eiseres] heeft een kansloze procedure gevoerd voor de verblijfsvergunning van [gedaagde 1], [eiseres] heeft de gronden van een voorlopige voorziening niet tijdig aangevuld en [gedaagden] hebben nooit een volmacht verleend aan [eiseres] om als niet advocaat werkzaamheden voor hen te verrichten.

4.22 [gedaagden] stellen dat [eiseres] in de vreemdelingenprocedure voor [gedaagde 1] een of meerdere herhaalde aanvragen heeft gedaan voor een verblijfsvergunning, welke aanvraag of aanvragen gebaseerd waren op dezelfde feiten en omstandigheden zodat deze op voorhand gedoemd waren om te mislukken. Voorts stellen [gedaagden] dat [eiseres] een beroepsfout heeft gemaakt bij het indienen van de gronden van een voorlopige voorziening, waardoor een niet-ontvankelijkheid volgde. Wat hiervan ook zij, nu de opdracht aan [eiseres] niet is ontbonden en [gedaagden] niet concreet stellen schade te hebben geleden (en daarbij een beroep op verrekening doen), kan dit verwijt niet slagen.

4.23 Het betoog dat [eiseres] geen volmacht heeft gehad van [gedaagden] om als niet advocaat werkzaamheden uit te voeren in de vreemdelingenprocedures, slaagt evenmin. Daargelaten dat [gedaagden] nalaten om aan te geven voor welke procedures dit geldt - [persoon 1] was gedurende een deel van deze procedures kennelijk nog advocaat - geldt dat niet in geschil is dat [gedaagden] opdracht hebben gegeven voor deze procedures (zie hierna onder D.9 voor de werkzaamheden uitgevoerd na beëindiging van de opdracht in januari 2008). Gesteld noch gebleken is bovendien dat de afwezigheid van een schriftelijke volmacht invloed heeft gehad op de uitkomst van deze procedures.

D.6 Wanprestatie III: overige

4.24 [gedaagden] stellen dat [eiseres] tekortgeschoten is in zijn verplichtingen doordat [persoon 1] als gemachtigde is geweigerd door de rechtbank Rotterdam in de vreemdelin¬genzaak van [gedaagde 1] en doordat [eiseres] heeft geweigerd om de dossiers te verstrek¬ken aan de opvolgend advocaat nadat de werkzaamheden van [eiseres] waren beëindigd. [gedaagden] stellen hierdoor schade te hebben geleden. De rechtbank gaat hieraan voorbij, alleen al omdat [gedaagden] nalaten om aan te geven waaruit de door hen geleden schade bestaat.

D.7 Bijzonder tarief

4.25 Verwezen wordt naar § C.5.

D.8 De omvang van de gewerkte uren

4.26 Ten aanzien van de hoogte van de declaratie hebben [gedaagden] allereerst aangevoerd dat er veel besprekingen bij [eiseres] op kantoor hebben plaatsgevonden die geen betrekking hadden op de zaken die [eiseres] voor hen behandelde; daarin introduceer¬den gedaagden nieuwe cliënten bij [eiseres]. Daarnaast staan er posten op de uren¬specificatie vermeld die geen betrekking hebben op de zaken van [gedaagden], te weten: werkzaamheden voor [persoon 3] en brieven aan voetbalclubs. [gedaagden] stellen dat zij voor deze werkzaamheden geen opdracht hebben gegeven. [eiseres] voert aan dat voor deze werkzaamheden wel degelijk door [gedaagden] opdracht is gegeven en vordert betaling voor deze werkzaamheden. Daarnaast hebben [gedaagden] meer in het algemeen aangevoerd dat er door [eiseres] besprekingen in rekening zijn gebracht die geen betrekking hebben gehad op de zaken van [gedaagden] Zo zou [gedaagde 3] tijdens deze gesprekken regelmatig tolkdiensten hebben verleend aan [eiseres] ten behoeve van gesprekken met andere cliënten van [eiseres]. [eiseres] betwist dit en stelt dat alle werkzaamheden zijn uitgevoerd voor de familie [gedaagden] Gelet op haar bewijsaanbod zal [eiseres] worden toegelaten tot het bewijs dat de in onder 2.9 genoemde specificatie genoemde uren zijn verricht in opdracht van een of meerdere gedaagden.

4.27 [gedaagden] stellen dat de bestede tijd van de werkzaamheden van [eiseres] buiten alle proporties is. Ter onderbouwing van die stelling verwijzen zij naar vier in de specificatie opgenomen posten, waarvan zij concreet aangeven dat deze te hoog zijn. Het gaat daarbij om brieven of pro forma bezwaarschriften. Nadat [eiseres] heeft aangegeven dat de tijd die geschreven was voor de betreffende pro forma bezwaarschriften en brieven, tevens tijd omvatte voor dossier- en jurisprudentiestudie, hebben [gedaagden] nagelaten om hun bezwaar tegen de hoogte van de declaraties voldoende te onderbouwen. Hetgeen hiervoor onder 14 in de conclusie van dupliek wordt gesteld, is hiervoor onvoldoende. In het bijzonder geldt dat [gedaagden] er niet mee kunnen volstaan om enkele vraagtekens te zetten bij vier posten uit een veel groter geheel en daarbij aan te geven dat dit slechts enkele niet uitputtend bedoelde voorbeelden zijn. Als [gedaagden] van oordeel zijn dat de werkzaam¬heden als geheel onevenredig veel tijd hebben gekost, dan had het op hun weg gelegen om concreet en onderbouwd aan te geven wat volgens hen een redelijk tijdsbeslag voor de verrichte werkzaamheden is. Aan dit verwijt wordt daarom voorbijgegaan.

D.9 Werkzaamheden na beëindiging van de opdracht door [gedaagden]

4.28 Na de beëindiging door [gedaagden] van de werkzaamheden heeft [eiseres] in een lopende procedure in verband met de beperkte tijd die in januari 2008 resteerde voor het indienen van de gronden van bezwaar/beroep, deze ingediend. [gedaagden] stellen hiervoor geen opdracht te hebben gegeven en daarom hiervoor niet te hoeven betalen. Dit betoog slaagt niet, nu het op een dergelijke wijze door een rechtshulpverlener zekerstellen van de rechten van een cliënt in redelijkheid kan worden gerekend tot het op correcte wijze afronden van de werkzaam¬heden.

4.29 [eiseres] heeft voorts beroep in gesteld en een voorlopige voorziening aangevraagd bij de rechtbank Den Haag. Ook hiervan betogen [gedaagden] dat dit zonder opdracht van hen is gebeurd. [gedaagden] laten echter na te stellen wanneer deze werkzaam¬heden zijn verrichten (de stukken, overgelegd als productie 9 bij conclusie van dupliek zijn gedateerd 11 juli 2008, maar daaruit blijkt niet wanneer de betreffende werkzaamheden zijn verricht). Voor zover ook dit is gebeurd kort na de beëindiging van de werkzaamheden, geldt dat hetgeen in de vorige alinea is overwogen, van overeenkomstige toepassing is. Voor zover [gedaagden] heeft beoogd te stellen dat dit eerst later is verricht, geldt dat dit kennelijk aan hen niet is gefactureerd, zodat zij geen belang hebben bij hun klacht.

E Het verdere verloop van de procedure

4.30 Partijen wordt in overweging gegeven om met inachtneming van hetgeen in dit vonnis is overwogen tot een minnelijke regeling te komen. De verdere procesgang zal voor beide partijen aanzienlijke kosten met zich meebrengen. De discussie over de hoofdelijkheid heeft geen invloed op de hoogte van het door gedaagden te betalen bedrag, maar leidt hooguit tot een in het eindvonnis op te nemen verdeling van het te betalen bedrag over de gedaagden; ook bij een hoofdelijke veroordeling mag echter aangenomen worden dat gedaagden onderling dit bedrag zullen moeten verdelen.

5 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

a. laat [gedaagden] toe tot het bewijs dat [eiseres] tegen [gedaagden] heeft gezegd dat met de reeds betaalde bedragen volledig zou zijn betaald voor de verrichte werkzaam¬heden;

b. laat [eiseres] toe tot het bewijs dat:

(i) [gedaagden] steeds voor alle vreemdelingenzaken gezamenlijk een opdracht hebben verstrekt;

(ii) de verantwoorde tijd, genoemd in de onder 2.9 bedoelde specificatie, is besteed aan werkzaamheden die zijn verricht in opdracht van [gedaagden] of één van hen;

c. bepaalt dat indien [eiseres] en/of [gedaagden] dit bewijs willen leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. N. Doorduijn;

d. bepaalt dat de advocaat van elk van partijen binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan haar respectievelijk hun zijde in de maanden augustus tot en met november 2009, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

e. bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Doorduijn.

Uitgesproken in het openbaar.

1902/1876