Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ5715

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
20-08-2009
Zaaknummer
165306 / HA ZA 01-2791
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervoer van bobbins tabak (van diverse soorten) van Colombio, Sri Lanka, naar Rotterdam en vervolgens over de weg naar België en Duitsland. Ladingschade die te maken heeft met de temperatuur(instelling). (Deze temperatuur is te hoog geweest.) Vervoerder aangesproken door gesubrogeerde verzekeraar tot betaling van de ladingschade. In het tussenvonnis d.d. 13 april 2005 is bewijs opgedragen van de vervoersgeschikte staat van de lading en van het ontstaan van de schade tijdens het zee- respectievelijk wegvervoer. Bewijsbeoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 165306 / HA ZA 01-2791

Uitspraak: 5 augustus 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABN AMRO VERZEKERINGEN B.V.,

gevestigd te Zwolle,

eiseres,

advocaat mr. R.P. van Campen,

- tegen -

[gedaagde],

gevestigd te Seoul, Zuid-Korea,

gedaagde,

advocaat mr. B.S. Janssen.

Partijen worden hierna aangeduid als "ABN AMRO" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verdere verloop van het geding

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 13 april 2005 (hierna: het tussenvonnis), alsmede de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- proces-verbaal van het op 18 juli 2006 gehouden getuigenverhoor;

- proces-verbaal van het op 19 december 2006 gehouden getuigenverhoor;

- proces-verbaal van het op 16 oktober 2007 gehouden getuigenverhoor;

- correspondentie in het griffiedossier, met name:

- brief van de griffier aan partijen d.d. 17 december 2007;

- brief van de advocaat van [gedaagde] mr. R. de Haan aan de rechter-commissaris d.d. 21 december 2007;

- brief van de griffier aan partijen d.d. 2 januari 2008;

- proces-verbaal van het op 19 maart 2008 gehouden getuigenverhoor;

- conclusie na enquête aan de zijde van ABN AMRO, met vijf producties;

- antwoordconclusie na enquête aan de zijde van [gedaagde].

1.2

In het tussenvonnis is [gedaagde] toegelaten tot het bewijs dat de afzender haar voor het (zee)vervoer van de container telefonisch een temperatuurinstructie van +20°C heeft gegeven.

[gedaagde] heeft (bij de getuigenverhoren van 16 oktober 2007 en 19 maart 2008 en bij brief van 21 december 2007) verklaard af te zien van het leveren van dat bewijs.

1.3

Voorts is in het tussenvonnis ABN AMRO toegelaten tot het bewijs dat de lading ten tijde van de inontvangstname ervan door [gedaagde] in gezonde vervoersgeschikte staat verkeerde alsmede tot het bewijs in hoeverre de schade is ontstaan tijdens het zee- respectievelijk het wegvervoer.

ABN AMRO heeft [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) en [persoon 2] (hierna: [persoon 2]) als getuigen in enquête doen horen.

Hierna heeft [gedaagde] [persoon 3] (hierna: [persoon 3]) als getuige in contra-enquête doen horen. Tijdens dit getuigenverhoor heeft de rechter-commissaris toegelaten dat [persoon 3] tevens wordt aangemerkt als niet door de rechtbank benoemde deskundige als bedoeld in artikel 200 Rv.

Vervolgens is de genoemde brief d.d. 2 januari 2008 aan partijen gestuurd, waarin de rechtbank het volgende opmerkt: “In de overwegingen 3.4, 3.7 en 3.8 en de bewijsopdracht “laat ABN AMRO toe tot het bewijs [..] in hoeverre de schade is ontstaan tijdens het zee- respectievelijk het wegvervoer” in het vonnis van 13 april 2005 ligt besloten dat (tevens) het bewijs wordt bijgebracht dat de schade niet eerst na de aflevering na het wegvervoer is ontstaan. Wat dat betreft ligt de bewijslast bij partij ABN AMRO. Nu beide partijen er kennelijk mee instemmen om niet eerst een nader tussenvonnis te wijzen, is het daarom juister om de enquête te heropenen.”

Partijen hebben er vervolgens mee ingestemd dat de rechter-commissaris het getuigenverhoor aan de zijde van ABN AMRO heropent onder verwijzing naar genoemde passage uit de brief d.d. 2 januari 2008. [gedaagde] is terzake de gelegenheid van contra-enquête geboden.

Na de heropening van het getuigenverhoor aan de zijde van ABN AMRO heeft deze [persoon 2] en [persoon 4] (hierna: [persoon 4]) als getuigen in enquête doen horen. Daarna is [persoon 4] verhoord als niet door de rechtbank benoemde deskundige.

[gedaagde] heeft medegedeeld af te zien van contra-enquête na de heropening van het getuigenverhoor aan de zijde van ABN AMRO als hierboven is bedoeld.

2 De verdere beoordeling

2.1

In het tussenvonnis heeft de rechtbank (in rov. 3.5 en 3.6) overwogen dat de voorliggende feiten voorshands het vermoeden opleveren dat voor het (zee)vervoer van de onderhavige container met bobbins met tabak een temperatuurinstructie van -10°C gold, maar dat [gedaagde] dit vermoeden kan ontzenuwen. De rechtbank heeft [gedaagde] toegelaten tot bewijs van haar stelling dat aan haar de instructie was gegeven deze container bij +20º C te vervoeren.

Aangezien [gedaagde] heeft afgezien van het leveren van dat bewijs, is komen vast te staan dat voor het (zee)vervoer van de container een temperatuurinstructie van -10°C gold.

2.2

Uit de onbetwiste uitdraai van de Ryan-recorder in de betreffende container (productie 6 bij conclusie van repliek) blijkt dat in de container de temperatuur op 1 december 1999, tijdens de belading ervan, aanvankelijk omstreeks +10ºC was, deze dezelfde datum is gedaald naar omstreeks +7ºC en vervolgens is opgelopen om gedurende omstreeks 20 dagen, tijdens het zeevervoer, ruim +18ºC te belopen. Die gang van zaken wordt bevestigd in het rapport van [bedrijf 1] (productie 7 bij conclusie van repliek; hierna: rapport [bedrijf 1]) en het rapport van [bedrijf 2] (productie 3 bij conclusie van antwoord; hierna: rapport [bedrijf 2]). Feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat [gedaagde] de overeengekomen temperatuur van -10ºC heeft aangehouden zijn gesteld noch gebleken.

Een en ander leidt tot de conclusie dat [gedaagde] de overeengekomen temperatuur van -10ºC niet heeft aangehouden.

2.3

Getuige [persoon 2], ‘traffic manager’ bij Agio, heeft bij zijn verhoor van 19 maart 2008 verklaard dat de onderhavige bobbins met tabak bij aankomst in Geel nat en zacht aanvoelden, dat de tabaksbladeren een donkere verkleuring hadden en een ammoniakgeur verspreidden. Daarmee bevestigde deze getuige de betreffende vaststellingen in de rapporten [bedrijf 1] en [bedrijf 2].

De getuige [persoon 1], destijds ‘managing director’ van het bedrijf van Agio in Sri Lanka, heeft verklaard dat tabak op bobbins zonder kwaliteitsverlies gedurende maanden kan worden bewaard bij een temperatuur van -10ºC, maar dat wanneer deze bij +6ºC of meer wordt bewaard na omstreeks vier dagen schade optreedt. Ook [persoon 2] heeft verklaard dat nooit schade optreedt indien tabak op bobbins bij -10ºC wordt vervoerd.

[persoon 4], hoofd van de ontwikkelingsafdeling van Agio, heeft bij zijn verhoor als deskundige de oordelen in de rapporten [bedrijf 1] en [bedrijf 2] bevestigd dat de bij aflevering geconstateerde ammoniakgeur en het schadebeeld van de partij tabak op bobbins duiden op rotting en dat die is veroorzaakt door te lang een te hoge temperatuur aan te houden.

Weliswaar heeft [persoon 3] verklaard dat te veel belang wordt gehecht aan de temperatuur van de lading tabak op bobbins tijdens opslag en vervoer, maar hij heeft die mening niet nader onderbouwd en staat alleen in die mening. Voorts heeft ook hij verklaard dat -10°C een goede temperatuur is om een lading als deze gedurende langere tijd te bewaren en te vervoeren.

Daarom concludeert de rechtbank dat de schade aan de vervoerde partij tabak op bobbins is veroorzaakt door gedurende een te lange tijd een te hoge temperatuur aan te houden.

2.4

Getuige [persoon 1] heeft verklaard over de gebruikelijke wijze van behandeling van de tabak voordat deze in Sri Lanka door de zeevervoerder in ontvangst wordt genomen. Uit zijn verklaring blijkt de volgende gang van zaken.

De tabak wordt bij het bedrijf van Agio in Sri Lanka zowel voorafgaande aan als na afloop van de bewerking daarvan bevochtigd. Na de bevochtiging wordt de tabak meestal gedurende een periode van ten hoogste drie dagen opgeslagen bij een temperatuur van +6°C en een vochtigheidsgraad van 85%. De tabak mag maximaal een week in deze opslag blijven. Als de tabak niet binnen een week wordt gestanst, wordt deze opgeslagen in een vriescel bij -10°C. De tabak die gestanst moet worden wordt steeds in een hoeveelheid van 1 tot 5 kg uit de opslag gehaald, opdat deze binnen twee uur kan worden bewerkt, waarmee gemiddeld vijf tot zes uur is gemoeid. Als de tabak uit de vriescel komt, moet deze eerst ontdooien, wat ongeveer een uur duurt. De gestanste tabak wordt op behandelde nylon gordijnstof (vitrage) neergelegd en in deze stof opgerold. Vervolgens wordt de rol, een bobbin genaamd, in plastic verpakt en naar de administratie gebracht. Nadat de bobbin is geadministreerd, gaat deze naar de vriescel om bij -10°C te worden opgeslagen. De bobbin blijft in de vriescel tot de afroep voor verscheping. Een bobbin met tabak kan maandenlang bij deze temperatuur worden opgeslagen zonder kwaliteitsverlies. Gemiddeld verblijft tabak ongeveer drie maanden in de vriescel. De bobbins worden vervoerd in koelcontainers. Voordat de container bij Agio in Sri Lanka wordt beladen wordt deze aangesloten in de ‘loading bay’ om te controleren of het koelaggregaat werkt. Als dat niet zo is, wordt de container teruggestuurd. Vervolgens wordt de koeling van de container uitgezet en wordt deze aldus ongekoeld beladen. Het duurt één tot anderhalf uur om de bobbins uit de vriescel te halen en in de container te laden. De buitentemperatuur is dan maximaal +30°C. Dat is niet schadelijk voor de bobbins, die namelijk allemaal gevroren zijn en in folie verpakt. Dit ongekoeld beladen heeft nooit problemen opgeleverd. Na deze belading wordt de container ongekoeld naar de haven vervoerd, wat eveneens ongeveer één tot anderhalf uur duurt. De temperatuur van de container wordt in de haven altijd afgesteld op -10°C.

Voorts heeft [persoon 1] verklaard het uitgesloten te achten dat in het onderhavige geval de bobbins die in de container zijn geladen niet bevroren waren. Voor zover hem bekend is de tabak in het onderhavige geval na drie dagen opslag bij +6°C gestanst zonder tussentijds te zijn bevroren. In ieder geval ten aanzien van de tabak die bestemd was voor [persoon 5] verklaart [persoon 1] zeker te weten dat het zo gegaan is.

2.5

Getuige [persoon 2] heeft tijdens zijn getuigenverhoor op 19 december 2006 onder meer het volgende verklaard:

“Ik ken de procedure in Sri Lanka, waar de heer [persoon 1] over verklaard heeft. Ik weet dat de bobbins meteen nadat ze zijn gemaakt de vriezer in gaan, dat ze daaruit worden gehaald voor belading en dat ze zo snel mogelijk worden beladen. In Sri Lanka geldt een standaardprocedure. Iedereen daar kent het belang van het volgen van deze procedure. Ik weet dat omdat ik regelmatig contact heb over de procedure en de naleving daarvan. Dat is toch een grote zorg omdat we ervoor moeten zorgen dat de bobbins goed worden gemaakt en worden vervoerd. Ik weet ook dat iedere nieuwe bedrijfleider die naar Sri Lanka gaat herhaald wordt gewezen op het grote belang van het goed volgen van de procedure. Ik heb nog nooit gehoord dat de procedure niet werd gevolgd. Daar zijn ook nog nooit “kwesties” over geweest. Ik weet dat containers waarvan de koeling niet functioneert worden teruggestuurd naar de rederij. Ik heb dat tot nu toe 1 tot 2 keer meegemaakt. Ik krijg dan namelijk bericht. Ik hoor niet als er een goeie container is gesteld. [..] Het normale beeld is dat de temperatuur in de container bij belading naar een temperatuur van circa 7 graden Celsius gaat, om vervolgens tijdens de circa anderhalf uur durende periode van vervoer naar de haven stabiel te blijven. In de regel is de temperatuur tijdens het vervoer circa 7 tot 10 graden Celsius. In de haven wordt de container aangesloten. Dan daalt de temperatuur om uiteindelijk op min 10 graden te stabiliseren.”

In zijn verklaring van 19 maart 2008 heeft [persoon 2] deze gang van zaken bevestigd.

2.6

Hetgeen [persoon 1] en [persoon 2] hebben verklaard over de gebruikelijke wijze van behandeling van de bobbins met tabak tot het moment waarop deze door de zeevervoerder in ontvangst worden genomen wordt bevestigd door de verklaring van getuige tevens deskundige [persoon 3], maritiem expert in dienst van [bedrijf 2]. Voorts heeft [persoon 3] verklaard van mening te zijn dat de lading ten tijde van de inontvangstname door [gedaagde] in gezonde en vervoersgeschikte staat verkeerde, omdat hij geen symptomen in het schadebeeld heeft gezien die tot een andere conclusie leiden. Volgens [persoon 3] betekent het feit dat de lading is aangeleverd met een temperatuur van +10°C niet dat deze niet gezond en in vervoersgeschikte staat was. Dit soort afwijkingen van de geadviseerde temperatuur zijn niet ongebruikelijk en ook niet onaanvaardbaar bij dit soort ladingen, aldus [persoon 3].

De verklaring van [persoon 4] als getuige spoort met hetgeen [persoon 1] en [persoon 2] hebben verklaard.

2.7

De genoemde verklaringen van [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 4] houden niet meer in dan algemene uiteenzettingen van de gebruikelijke verantwoorde wijze van behandeling van de tabak voorafgaande aan het zeevervoer en (op deze gebruikelijke verantwoorde behandelingswijze gebaseerde) veronderstellingen dat in het onderhavige geval de schade niet kan zijn ontstaan in de periode voorafgaande aan het zeevervoer. Echter, in samenhang met de verklaring van [persoon 3] dat de lading ten tijde van de inontvangstname door [gedaagde] in gezonde en vervoersgeschikte staat verkeerde, omdat hij geen symptomen in het schadebeeld heeft gezien die tot een andere conclusie leiden, de hiervoor onder 2.2 beschreven ontwikkeling van de temperatuur van +10ºC naar +7ºC en vervolgens naar ruim +18ºC in plaats van de overeengekomen -10ºC tijdens het zeevervoer en de onder 2.3 vastgestelde oorzaak van de schade, leidt een en ander tot de slotsom dat de lading tabak op bobbins ten tijde van de inontvangstname ervan door [gedaagde] in gezonde vervoersgeschikte staat verkeerde.

Daar komt bij dat niet valt in te zien hoe, indien, zoals [gedaagde] heeft gesteld, de container van meet af aan op een temperatuur van +20°C zou zijn ingesteld, de temperatuur in de container tijdens c.q. kort na de belading van de partij tabak op bobbins heeft kunnen dalen (in plaats van te stijgen) van +10°C naar +7°C, behalve in het geval toen een aanmerkelijk koudere lading in de container is beladen. Daarom moet de partij tabak op bobbins bij inlading in de container aanmerkelijk kouder dat +10ºC zijn geweest. Bovendien blijkt uit de getuigen- en deskundigenverklaringen noch de in het geding gebrachte stukken enige aanwijzing voor de stelling dat de bobbins met tabak bij een hogere temperatuur in de container zijn beladen. De door [persoon 3] verklaarde omstandigheid dat de lading bij inlading mogelijk niet een temperatuur van -10ºC had maakt dat niet anders.

Daarom concludeert de rechtbank dat de lading tabak op bobbins in gezonde en vervoersgeschikte staat verkeerde toen deze door [gedaagde] ten vervoer in ontvangst werd genomen. Daarmee is dat aan ABN AMRO opgedragen bewijs geleverd.

2.8

Vervolgens dient beoordeeld te worden of is bewezen dat en in hoeverre de schade is ontstaan tijdens het zeevervoer, dan wel het opvolgende wegvervoer. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

2.9

Getuigen [persoon 1] en [persoon 4] hebben verklaard over het bevochtigingsprocedé bij het bedrijf van Agio in Sri Lanka dat ertoe leidt dat de tabak met een hoge vochtigheidsgraad ten vervoer wordt meegegeven.

[persoon 3] gaat in zijn verklaring uit van een vochtigheidsgraad van minder dan 50%, dat volgens hem een laag vochtpercentage is. Wat er ook zij van de vraag of een vochtpercentage van minder dan 50% inderdaad laag is, uit de verklaring van [persoon 3] blijkt dat hij dit vochtpercentage ontleent aan bladzijde 7 van het rapport [bedrijf 1]. Maar aldaar staat uitsluitend een overzicht van de vochtpercentages - variërend van 31% tot 51% - die de diverse soorten tabak bezaten toen deze na het vervoer over zee en weg waren aangekomen en gelost in Geel, respectievelijk Königslutter. De verklaring van [persoon 3] vormt derhalve geen weerlegging van de verklaringen van [persoon 1] en [persoon 4] over de hoge vochtigheidsgraad van de tabak voorafgaande aan het zeevervoer.

2.10

Over de relatie tussen enerzijds de temperatuur en de vochtigheidsgraad van de tabak en anderzijds de rottingkans heeft [persoon 4] als deskundige verklaard: hoe hoger het vochtgehalte van de tabak, des te sneller ontstaat rotting; hoe hoger de temperatuur, des te sneller ontstaat rotting. Geen van de stellingen, stukken of verklaringen in het geding duiden in een andere richting.

2.11

De zeereis van de “[gedaagde] Washington” van Colombo, Sri Lanka, naar Rotterdam heeft ruim twee weken geduurd. Uit de temperatuurregistratie van de Ryan-recorder blijkt dat gedurende deze zeereis de temperatuur van de lading ruim +18°C heeft belopen.

Een periode van ruim twee weken is een veel langere termijn dan de uiterste termijn waarbij tabak kan worden opgeslagen bij een te hoge temperatuur volgens de getuigen- en deskundigenverklaringen. Zo heeft getuige [persoon 1] verklaard dat op basis van zijn ervaring vochtig gemaakte tabak bij een temperatuur van +6°C vanaf (ongeveer) de vierde dag in kwaliteit achteruit gaat en getuige [persoon 2] dat naar zijn mening op een bobbin met tabak geen schade ontstaat wanneer deze ongekoeld wordt vervoerd gedurende een kortere tijd dan twee dagen. [persoon 4] heeft als deskundige verklaard dat, indien tabaksbladeren met een vochtigheidsgraad van niet meer dan 30% bij een temperatuur van +30°c worden gehouden, vanaf de vierde dag rotting zichtbaar wordt.

2.12

Het voorgaande voert tot de conclusie dat in de container gedurende het onderhavige zeevervoer wegens de hoge vochtigheidsgraad van de tabak bij inlading, de te hoge temperatuur tijdens de zeereis en de duur van die reis een ideale situatie bestond voor beschadiging van de lading tabak door rotting.

Bij de expertise na aflevering in Geel en Königslutter is schade door rotting vastgesteld.

2.13

De gehele partij tabak op bobbins in de container heeft dezelfde reis over zee en over de weg heeft gemaakt. Het schadebeeld tussen verscheidene delen van de partij is verschillend. Vast staat dat van de 786 tot de partij behorende bobbins die zijn afgeleverd bij Agio te Geel (hierna: Agio-bobbins; in het tussenvonnis is per abuis uitgegaan van een aantal van 778) 40 bobbins door rotting beschadigd, terwijl alle van de tot de partij behorende 519 bobbins die zijn afgeleverd bij [persoon 5] te Königslutter (hierna: [bobbins 1]) door rotting zijn beschadigd. Dat van alle Agio-bobbins slechts een klein gedeelte beschadigd is geraakt, terwijl all[bobbins 1] zijn beschadigd, laat zich verklaren in de door [persoon 4] als getuige verklaarde omstandigheden dat de gebobbineerde tabaksbladeren voor [persoon 5] een hogere vochtigheidsgraad hebben dan die voor Agio en dat de hoogste vochtigheidsgraad die Agio verlangt lager is dan de laagste vochtigheidsgraad die [persoon 5] verlangt, terwijl, zoals hiervoor overwogen, een hoger vochtgehalte van de tabak sneller rotting doet ontstaan. De omstandigheid dat ook 40 Agio-bobbins beschadigd zijn laat zich verklaren in de volgende drie omstandigheden. Zoals uit het rapporten [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en de getuigenverklaring van [persoon 4] blijkt bevatten de Agio-bobbins verschillende soorten tabaksbladeren: Brasil-tabaksbladeren, Sumatra-tabaksbladeren en Java-tabaksbladeren. Deze drie soorten tabaksbladeren hebben verschuillende diktes, waardoor deze niet alle in dezelfde mate gevoelig zijn voor rotting; Sumatra-tabaksbladeren zijn de dunste bladeren en het gevoeligst voor rotting, Brasil-tabaksbladeren de dikste en het minst gevoelig voor rotting, zoals [persoon 4] heeft verklaard. Ten slotte blijkt uit bladzijde 6 van het rapport [bedrijf 1] dat de 40 beschadigde Agio-bobbins bestonden uit Sumatra-tabaksbladeren, derhalve uit tabaksbladeren van de voor rotting gevoeligste soort.

De vraag of van vochtmigratie binnen de container sprake is geweest laat de rechtbank daarom buiten beschouwing.

2.14

In navolging van [persoon 3] voert [gedaagde] als verklaring voor de beschadiging van de 51[bobbins 1] aan dat deze na aflevering zijn opgeslagen bij een temperatuur van -20°C en niet snel (“geforceerd”) maar langzaam zijn ingevroren waardoor naar verhouding grote ijskristallen zijn ontstaan die het celweefsel kapot hebben gedrukt. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

Het moge zo zijn dat het bij een temperatuur van -20°C invriezen van een lading vochtige bobbins zoals d[bobbins 1] leidt tot het ontstaan van grote ijskristallen in de tabaksbladeren die het celweefsel kapot drukken – de andere deskundige en getuigen hebben de verklaring van [persoon 3] op dit punt niet weersproken en [persoon 1] en [persoon 2] hebben bevestigd dat vervoer van tabak op bobbins bij -20ºC tot schade leidt – daarmee is niet gezegd dat voorafgaande aan deze wijze van invriezen de tabaksbladeren op de bobbins nog intact en onbeschadigd waren. Tussen partijen is niet in geschil – en [gedaagde] bevestigt dat nog bij conclusie na enquête – dat d[bobbins 1] bij aflevering in Königslutter een ammoniakgeur verspreidden. Zoals onder 2.3 is overwogen duidt die ammoniakgeur op rotting van de tabaksbladeren.

Gelet op hetgeen hierna onder 2.19 en 2.20 wordt overwogen, gaat de rechtbank verder voorbij aan de mogelijkheid dat de schade aan d[bobbins 1] is verergerd door de wijze van invriezen, omdat aannemelijk is dat, zodanige verergering weggedacht, een schadepost van meer dan GBP 51.900,- overblijft.

2.15

Uit enige stelling noch uit enige getuigen- of deskundigenverklaring noch uit enig in het geding gebracht stuk volgt dat de schade is ontstaan tijdens het wegvervoer dat heeft plaatsgehad na afloop van het zeevervoer.

2.16

Op grond van hetgeen hierboven is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat de schade is ontstaan tijdens het zeevervoer.

Daarom kan de vraag of [gedaagde] als vervoerder voor het wegvervoertraject aansprakelijk is in het midden blijven.

2.17

Hetgeen [gedaagde] in navolging van [persoon 3] heeft aangevoerd over een ‘trade margin’ van ongeveer 3% die wordt aangehouden bij koelladingen kan aan een en ander niet afdoen. Nog daargelaten dat van de Agio-bobbins een substantiëler deel is beschadigd dan 3% (namelijk 40/786, derhalve 5%) blijkt uit de verklaringen van [persoon 2] en [persoon 4] dat een dergelijke marge niet als door de afzender c.q. geadresseerde te dragen schade valt. Voorts zegt het bestaan van een dergelijke marge niets over de oorzaak van beschadiging van het ladingdeel dat binnen deze marge valt.

2.18

Het vorenstaande voert tot de conclusie dat [gedaagde] als zeevervoerder voor de schade aan de lading tabak op bobbins aansprakelijk is.

2.19

[gedaagde] heeft zich op de beperking van haar aansprakelijkheid ingevolge artikel IV sub 5 van de Hague Rules beroepen en aangevoerd dat haar aansprakelijkheid is beperkt tot GBP 100,-althans GBP 55.900,-.

Vervolgens heeft de rechtbank in het tussenvonnis in rov. 3.10 overwogen dat de aansprakelijkheid van [gedaagde] is beperkt tot in totaal GBP 55.900,-.

Het verzoek van ABN AMRO tot herstel c.q. verbetering van die overweging passeert de rechtbank, omdat het oordeel in dezen een beslissing vormt op het betreffende partijdebat en er geen sprake is van een kennelijke fout als bedoeld in artikel 31 Rv.

2.20

Het vorenstaande leidt ertoe dat de vordering tot het beloop van GBP 55.900,- ter zake van vergoeding van de ladingschade voor toewijzing in aanmerking komt.

2.21

De vraag of en in hoeverre naast het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid aanspraak bestaat op vergoeding van expertisekosten, buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente dient beoordeeld te worden naar het overigens toepasselijke recht, nu gesteld noch gebleken is dat een en ander is geregeld in de vervoersvoorwaarden.

Naar Nederlands internationaal privaatrecht dient de vraag naar het toepasselijke recht te worden beantwoord aan de hand van de EVO.

Gesteld noch gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben gedaan.

Vast staat dat de vervoerder [gedaagde] in Zuid-Korea is gevestigd. Voorts staat vast dat het vervoer – voor zover relevant – van Colombo, Sri Lanka, naar Rotterdam voerde.

Partijen verschillen van mening ten aanzien van de vragen welke partij als afzender dient te worden beschouwd (Agio Sigarenfabrieken, dan wel Agio Tobacco Processing Co) en waar de vervoerovereenkomst tot stand is gekomen (in Rotterdam, via de agent van [gedaagde] aldaar, dan wel in Sri Lanka via de agent van [gedaagde] aldaar).

Aan de hand van deze feitelijke omstandigheden dient met toepassing van artikel 4 EVO het toepasselijke recht te worden bepaald.

Wanneer dat recht zal zijn bepaald, dient vervolgens te worden onderzocht of en in hoeverre volgens dat rechtstelsel naast het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid aanspraak bestaat op vergoeding van expertisekosten, buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente.

Daarom zal de zaak naar de rol worden verwezen voor uitlating over:

- de voor bepaling van het toepasselijke recht relevante feitelijke aspecten;

- voor zover het toe te passen rechtstelsel niet het Nederlandse recht is: de inhoud van het betreffende rechtstelsel ten aanzien van de aanspraak op vergoeding van expertisekosten, buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente.

2.22

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank,

verwijst de zaak naar de rolzitting van 2 september 2009 voor het nemen van aktes als vermeld in rov. 2.21, om te beginnen door ABN AMRO;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger.

Uitgesproken in het openbaar.

901/1928