Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ5614

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
19-08-2009
Zaaknummer
310447 / HA ZA 08-1662
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat, volmacht, onbevoegde vertegenwoordiging.

In een procedure over een aantal panden is eiseres bijgestaan door gedaagde, eerst als adviseur en daarna als advocaat. Gedaagde is niet buiten zijn schriftelijke volmacht getreden door de verkoop van de panden in naam van eiseres. De beroepsfouten die gedaagde volgens eiseres heeft gemaakt worden door de rechtbank niet inhoudelijk beoordeeld, omdat deze verwijten niet tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. De door eiseres gestelde schade is namelijk niet het gevolg van het handelen van gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 310447 / HA ZA 08-1662

Vonnis van 5 augustus 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats 1],

eiseres,

advocaat mr. A.W. Dolphijn,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde,

advocaat mr. Chr.A. Busquet.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 juni 2008 met producties,

- de conclusie van antwoord,

- het tussenvonnis van 1 oktober 2008 waarin een comparitie is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie van 24 november 2008 met de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] heeft de panden aan de [de panden] te [woonplaats 1] (hierna: de panden) op of omstreeks 1 december 1995 gekocht van [persoon 1], die op 30 april 1996 is overleden.

2.2. De erfgenamen van [persoon 1] hebben in verband met de verkoop van de panden een procedure bij de rechtbank Rotterdam aanhangig gemaakt tegen [eiseres], waarin zij werd bijgestaan door [gedaagde], eerst als adviseur en vanaf 22 augustus 2000 als advocaat. Bij vonnis van 23 februari 2005 is de vordering van de erfgenamen van [persoon 1] afgewezen en de reconventionele vordering van [eiseres] toegewezen.

2.3. [eiseres] heeft op 18 april 2002 een stuk getekend, dat het volgende inhoudt:

Machtiging / Volmacht

Hierbij geef ik (…) [eiseres]

(…)

volmacht aan mijn advocaat, [gedaagde], kantoorhoudende te (…), om alle (rechts)handelingen te verrichten met betrekking tot mijn panden te [woonplaats 1] in de Narcissenstraat – waarover is geprocedeerd voor de rechtbank te Rotterdam (…) – die er toe leiden dat deze panden – anders gezegd wat daarvan resteert – worden verkocht en de opbrengst – onder aftrek van de gemaakte kosten waaronder begrepen die van [gedaagde] – wordt overgeboekt op een door mij te bepalen bankrekening.

2.4. [eiseres] heeft op 16 maart 2003 – voor zover hier relevant – het volgende aan [gedaagde] geschreven:

(…) Ik wilde u verzoeken AUB als u mij kunt helpen dat die huizen zo gauw mogelijk verkocht kunnen worden (…)

Al zou u er maar € 40.000 voor de woningen krijgen dat ik u kan betalen en alle schulden die ik heb kan betalen ben ik ook blij

2.5. Op 17 april 2003 heeft [eiseres] aan [gedaagde] geschreven dat de panden door hem kunnen worden verkocht voor een bedrag tussen € 40.000,= en € 50.000,=.

2.6. De naam en handtekening van [eiseres], alsmede de tekst “gelezen en begrepen Naar waarheid opgemaakt” staan onder het volgende stuk, gedateerd 2 november 2003, dat door [persoon 2] voor akkoord is getekend:

Overeenkomst van koop en verkoop annex vaststellingsovereenkomst

Hierbij verklaar ik (…) [eiseres], geboren te (…), dat ik heb verkocht de huizen aan de [de panden] (…). Over deze huizen is aanhangig een procedure voor de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (…) omdat door de familie [persoon 1] mijn eigendom van die huizen wordt betwist.

Aangezien ik door mijn levensomstandigheden in een dermate slechte financiële situatie verkeerde dat ik dringend geld nodig had (en heb), heb ik ondanks dat mijn advocaat mij voorhield dat het beter was de zaak uit te procederen, besloten de huizen te verkopen voor het einde van de procedure. In feite verkocht ik dus mijn eventuele eigendomsrechten.

Tenslotte heb ik [persoon 2] (…), bereid gevonden hierop in te gaan en heeft mij al sinds december 2002 geld gegeven. Bij elkaar heeft [persoon 2] mij tot aan de zomer van 2003 een bedrag van 30.000,= euro gegeven. Deze maand geeft [persoon 2] mij de rest van het bedrag, te weten 20.000,= euro. [persoon 2] heeft destijds de kwade kans op de koop toegenomen dat hij zijn geld, te weten die 30.000,= euro kwijt zou zijn geweest. In totaal komt het erop neer dat [persoon 2] 50.000,= euro heeft betaald voor voornoemde huizen aan mij en 100.000,= aan de familie [persoon 1] als [persoon 2] die huizen werkelijk in eigendom verwerft.

2.7. [persoon 2] heeft bij dagvaarding van 29 augustus 2005 bij de rechtbank Rotterdam een procedure tegen [eiseres] aanhangig gemaakt en – voor zover hier van belang – levering van de panden gevorderd. [eiseres] betwist in die procedure dat [persoon 2] de panden voor € 50.000,= van haar heeft gekocht. In het tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2006 (zaaknummer / rolnummer: 245249 / HA ZA 05-2488) is [persoon 2] – kort gezegd – toegelaten te bewijzen dat tussen hem en [eiseres] een koopovereenkomst is gesloten en dat hij € 50.000,= aan [eiseres] heeft voldaan. In dat kader heeft [persoon 2] [gedaagde] op 28 januari 2008 als getuige doen horen. [gedaagde] heeft zich niet op zijn verschoningrecht beroepen en een verklaring afgelegd.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I voor recht te verklaren dat [gedaagde] als advocaat toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [eiseres];

II voor recht te verklaren dat [gedaagde] onbevoegd [eiseres] heeft vertegenwoordigd bij het gestelde verkopen van de panden aan [persoon 2];

III voor recht te verklaren dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle schade en kosten die [eiseres] aan [persoon 2] dient te vergoeden ingevolge een (uitvoerbaar bij voorraad) te wijzen vonnis, althans daaropvolgende gerechtelijke uitspraak/uitspraken, die aanhangig zijn bij de rechtbank Rotterdam onder kenmerk 245249 / HA ZA 05-2488, alsmede de vorderingen van [persoon 2] die daaraan ten grondslag liggen. Hieronder begrepen de integrale schade en kosten bij eiseres als gevolg van de eventuele plicht om (een gedeelte van) de panden over te dragen aan [persoon 2];

IV voor recht te verklaren dat als vast komt te staan dat [eiseres] de panden aan [persoon 2] verkocht heeft en tevens de daartoe verschuldigde koopprijs heeft voldaan aan [gedaagde], [gedaagde] deze koopprijs dient te betalen aan [eiseres] vanaf de dag dat de koopovereenkomst alsdan gesloten zou zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening;

V [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] te voldoen de somma van € 65.000,= althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, althans nader op te maken bij staat;

VI [gedaagde] te veroordelen tot vermeerdering van het verschuldigde met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid van de vordering, tot de dag der algehele voldoening;

VII [gedaagde] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten van deze procedure;

VIII [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure;

IX [gedaagde] te veroordelen (op voorhand) in de nakosten.

3.2. [eiseres] legt wanprestatie en onrechtmatige daad aan haar vordering ten grondslag. [gedaagde] is volgens [eiseres] op meerdere punten toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst met [eiseres] en heeft de gedragsregels voor advocaten geschonden. Dit laatste levert volgens [eiseres] ook een onrechtmatige daad op. Concreet maakt [eiseres] [gedaagde] de volgende verwijten.

3.2.1. [gedaagde] was niet gemachtigd om de panden te verkopen en daardoor is sprake van onbevoegde vertegenwoordiging.

[persoon 2] was ook cliënt van [gedaagde] en daarmee diende hij twee heren in de zin van artikel 7:417 Burgerlijk Wetboek (BW) en behartigde hij (potentieel) tegenstrijdige belangen.

[gedaagde] heeft zijn geheimhoudingsplicht geschonden door zonder toestemming van [eiseres] correspondentie aan [persoon 2] te geven en een getuigenverklaring af te leggen.

De door [gedaagde] gevoerde financiële administratie is onvoldoende inzichtelijk, waardoor het niet mogelijk is om te construeren welke geldstromen via hem tussen [eiseres] en [persoon 2] zijn gelopen. Evenmin is inzichtelijk hoeveel huurpenningen [gedaagde] van [persoon 1] heeft ontvangen.

Tot slot heeft [gedaagde] nagelaten [eiseres] van zijn diverse beroepsfouten op de hoogte te stellen en daarmee is hij tekortgeschoten in zijn mededelingsplicht jegens [eiseres].

3.2.2. [eiseres] stelt schade te hebben geleden, omdat zij is geconfronteerd met de vordering van [persoon 2] en hij beslag heeft gelegd, waardoor [eiseres] de panden niet kan vervreemden. [eiseres] schat deze schade op € 60.000,=. De door [gedaagde] van [persoon 1] ontvangen huurpenningen schat [eiseres] op € 2.000,=. Voorts vordert [eiseres] vergoeding van immateriële schade van € 3.000,= omdat zij door toedoen van [gedaagde] pertinent het vertrouwen in de advocatuur en de rechtspleging is verloren. Door de wijze waarop [gedaagde] de zaak heeft behandeld wordt al meer dan dertien jaar geprocedeerd.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Geconfronteerd met de machtiging van 18 april 2002 heeft [eiseres] tijdens de comparitie haar stelling gewijzigd. Zij stelt nu dat [gedaagde] weliswaar gemachtigd was, maar dat hij buiten zijn volmacht is getreden waardoor sprake is van onbevoegde vertegenwoordiging. In de machtiging was geen prijs genoemd en [gedaagde] had dan ook nader overleg moeten voeren over de koopprijs, alvorens de panden namens [eiseres] aan [persoon 2] te verkopen. In dit kader heeft [eiseres] op het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 1997, NJ 1997/231 gewezen.

4.1.1. Op grond van de volmacht van 18 april 2002 (zie 2.3) was [gedaagde] bevoegd om de panden te verkopen, in beginsel ook zonder nader overleg met [eiseres] over de koopprijs. De volmacht geeft [gedaagde] immers ondubbelzinnig de bevoegdheid om de panden in naam van [eiseres] te verkopen en houdt geen ondergrens in ten aanzien van de verkoopprijs (die kennelijk naar verwachting laag zou zijn, gelet op de woorden “of wat daarvan resteert”).

4.1.2. [gedaagde] zou evenwel buiten de volmacht zijn getreden indien hij de volmacht ten voordele van een derde zou hebben gebruikt en daarmee de belangen van [eiseres] in ernstige mate zou hebben aangetast. Dit staat in het door [eiseres] genoemde arrest van de Hoge Raad. Daarvan zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn geweest indien [gedaagde] de panden zonder medeweten van [eiseres] voor een te lage prijs aan [persoon 2] had verkocht.

[eiseres] heeft wel gesteld dat de prijs voor de panden te laag was, maar dit heeft zij in het geheel niet gemotiveerd onderbouwd, terwijl uit haar brieven aan [gedaagde] juist blijkt dat zij akkoord ging met een bedrag tussen € 40.000,= en € 50.000,= (zie 2.4 en 2.5), zodat aan deze stelling van [eiseres] wordt voorbijgegaan. Daarbij komt dat [eiseres] de met stukken onderbouwde stelling van [gedaagde] dat [eiseres] akkoord ging met de verkoop aan [persoon 2] (zie 2.6) onvoldoende heeft weersproken, zodat in de onderhavige procedure ervan wordt uitgegaan dat [eiseres] instemde met de verkoop aan [persoon 2] voor € 50.000,=.

4.1.3. [eiseres] heeft nog het volgende verklaard tijdens de comparitie “Ik kan me niet voorstellen dat ik mijn handtekening onder de akte van 2 november 2003 heb gezet. De handgeschreven tekst en handtekening zijn waarschijnlijk wel van mij, maar ik denk dat ik dit op een blanco vel papier heb geschreven.” Voor zover [eiseres] hiermee heeft willen betogen dat [gedaagde] het stuk valselijk heeft opgemaakt, gaat de rechtbank hieraan voorbij, nu dit betoog – zonder nadere motivering, die ontbreekt – volstrekt onaannemelijk en daarom onvoldoende gemotiveerd is.

4.1.4. Gelet op het voorgaande liggen de vorderingen sub II en III voor afwijzing gereed. Ook is [gedaagde] niet gehouden tot vergoeding van de gestelde schade van € 60.000,= als gevolg van de beslaglegging door [persoon 2].

4.2. [gedaagde] heeft ten aanzien van de vordering sub IV naar voren gebracht dat hij in de loop der jaren veel geld, zelfs meer dan € 50.000,=, aan [eiseres] heeft (door)betaald. Ten bewijze hiervan heeft [gedaagde] handgeschreven ontvangstbevestigingen van [eiseres] met daarop aanzienlijke bedragen en een aantal bankafschriften van hemzelf in het geding gebracht, waaruit blijkt dat [gedaagde] niet alleen diverse malen geld aan [eiseres] heeft overhandigd en overgemaakt, maar ook vliegtickets naar Suriname en haar kinderopvang heeft betaald. Dit is door [eiseres] niet betwist, zodat ook de vordering sub IV zal worden afgewezen.

4.3. [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de stelling dat hij huurpenningen van [persoon 1] voor [eiseres] in ontvangst heeft genomen. Het had vervolgens op de weg van [eiseres] gelegen om haar stelling op dit punt nader te concretiseren, bijvoorbeeld door overlegging van de door haar genoemde brief van 23 juli 1998, maar dit heeft [eiseres] nagelaten. Bij deze stand van zaken wordt de stelling van [eiseres] op dit punt als onvoldoende onderbouwd gepasseerd.

4.4. Voor toekenning van immateriële schadevergoeding is geen plaats. Nog daargelaten dat [eiseres] niet kan worden gevolgd in haar stelling dat zij door toedoen van [gedaagde] al dertien jaar aan het procederen is, heeft [eiseres] onvoldoende gesteld dat het handelen van [gedaagde] (psychisch) letsel heeft veroorzaakt of haar op andere wijze in haar persoon heeft aangetast.

4.5. Ten aanzien van de andere verwijten die [eiseres] [gedaagde] maakt (het dienen van twee heren, het schenden van het beroepsgeheim, de gebrekkige financiële administratie en het niet mededelen van zijn beroepsfouten) wordt het volgende overwogen.

4.5.1. Indien de rechtbank tot het oordeel zou komen dat [gedaagde] bij de uitvoering van zijn werkzaamheden niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht en daarom civielrechtelijk aansprakelijk is, leidt dit niet zonder meer tot toewijzing van de vordering van [eiseres]. Immers, daarvoor is ook nodig dat de gestelde schade (zie 3.1 sub V) het gevolg is van het handelen van [gedaagde].

4.5.2. Ten aanzien van de door [eiseres] als enige concreet genoemde schadeposten (te weten de schade als gevolg van de beslaglegging, de huurpenningen en de immateriële schade) is hiervoor reeds geoordeeld dat deze niet als schade als gevolg van het handelen van [gedaagde] kunnen worden aangemerkt. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] anderszins schade heeft geleden, zodat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [eiseres] als gevolg van het aan [gedaagde] verweten handelen mogelijk schade heeft geleden. Aldus is niet voldaan aan de voorwaarden voor toewijzing van de onder sub V subsidiair gevorderde veroordeling tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, en zal deze worden afgewezen. Omdat de verwijten die [eiseres] [gedaagde] maakt niet tot toewijzing van de vordering kunnen leiden, behoeven deze ook geen nadere bespreking.

4.6. Het voorgaande brengt tevens mee dat [eiseres] geen rechtens te respecteren belang heeft bij de sub I gevorderde verklaring voor recht, zodat ook deze vordering voor afwijzing gereed ligt. De gevorderde rente en buitengerechtelijke kosten komen evenmin voor vergoeding in aanmerking.

4.7. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht EUR 1.148,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 2.936,00

4.8. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 2.936,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. Jöbsis en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken door mr. A.F.L. Geerdes op 5 augustus 2009.