Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ5605

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
19-08-2009
Zaaknummer
283402 / HA ZA 07-1182
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot uitbetaling onder documentair krediet, respectievelijk tot schadevergoeding wegens wanprestatie of onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 283402 / HA ZA 07-1182

Uitspraak: 5 augustus 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

1. de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging CRÉDIT AGRICOLE DU CAMEROUN S.A.,

gevestigd te Akwa, Douala, Kameroen,

2. de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging SOCIÉTÉ DE RECOUVREMENT DES CRÉANCES DU CAMEROUN S.R.C.,

gevestigd te Yaounde, Kameroen,

eiseressen,

advocaat mr R.A. Klaassen,

- tegen -

de naamloze vennootschap FORTIS BANK (NEDERLAND) N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr P.H.Ch.M. van Swaaij.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als "Crédit Agricole", "SRC" en "Fortis".

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d.12 april 2007 en de door Crédit Agricole en SRC overgelegde producties;

- vonnissen van 22 augustus 2007 en 27 februari 2008 in het incident tot zekerheidstelling

en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek, met producties;

- schriftelijke pleitnotities en de schriftelijke reacties daarop.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1

MeesPierson N.V., rechtsvoorganger van Fortis en hierna aangeduid als Fortis, heeft op

29 mei 1995 een documentair krediet geopend (irrevocable transferable documentary credit nr. 01R1205559; hierna: de l/c) voor een bedrag van USD 572.400,-. Opdrachtgever was [bedrijf 1] te Baarn (hierna: [bedrijf 1]). Begunstigde was [bedrijf 2] te Douala, Kameroen (hierna: [bedrijf 2]). Op de l/c waren van toepassing de UCP-500 revision 1993. "Date of expiry" was 25 juni 1995.

Fortis heeft op 29 mei 1995 van de opening van de l/c kennis gegeven aan Crédit Agricole, die voor Fortis optrad als adviserende bank.

2.2

Achtergrond van de l/c was een koopovereenkomst tussen [bedrijf 2] als verkoper en [bedrijf 1] als koper van een partij van 240 mt koffie.

2.3

Crédit Agricole heeft de in de l/c aangegeven documenten met betrekking tot een deelzending van 140 mt koffie doen toekomen aan Fortis en heeft Fortis verzocht onder de l/c een bedrag van USD 369.357,70 over te maken op een rekening van Crédit Agricole bij de Deutsche Genossenschaftsbank in Frankfurt, Duitsland. Fortis ontving dit bericht op 10 juli 1995.

2.4

Fortis heeft deze documenten op 14 juli 1995 doorgestuurd aan [bedrijf 1], opdat deze de zending koffie in ontvangst zou kunnen nemen. [bedrijf 1] had aan Fortis laten weten akkoord te zijn met de documenten en Fortis verzocht over te gaan tot betaling.

Fortis heeft echter niet aan Crédit Agricole betaald.

2.5

Op 14 juli 1995 is ten verzoeke van '[bedrijf 3]', gevestigd te Limbe, Kameroen (hierna: [bedrijf 3]), onder Fortis conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van [bedrijf 2] voor een op USD 950.000,- begrote vordering.

Fortis heeft Crédit Agricole van dit beslag in kennis gesteld.

Op 11 augustus 1995 heeft Fortis verklaard dat er tussen haar en [bedrijf 2] geen rechtsverhouding bestond of had bestaan uit hoofde waarvan [bedrijf 2] op het tijdstip van het beslag nog iets van Fortis had te vorderen of te vorderen kon krijgen.

2.6

Bij vonnis van 13 april 2000 heeft de rechtbank Rotterdam in een procedure tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 2] laatstgenoemde veroordeeld tot betaling aan [bedrijf 3] van USD 302.186,87, met rente en NLG 10.500,- en veroordeling van [bedrijf 2] in de proceskosten.

2.7

Vervolgens heeft [bedrijf 3] bij dagvaarding van 6 juni 2000 voor de rechtbank Rotterdam tegen Fortis een vordering ingesteld tot het doen van verklaring als derde-beslagene. Bij vonnis van 10 november 2004 is Fortis veroordeeld tot het doen van een deugdelijke verklaring van de vorderingen en/of de zaken die door het derdenbeslag op 14 juli 1995 waren getroffen, alsmede tot afgifte aan [bedrijf 3] van hetgeen aan deze zou toekomen.

2.8

Op 30 november 2004 heeft de raadsman van Fortis aan de raadsman van [bedrijf 3] een verklaring gestuurd inhoudende dat Fortis ten tijde van de beslaglegging een rechtsverhouding had met [bedrijf 2] uit hoofde van de l/c en dat Fortis op grond hiervan

USD 445.110,73 (inclusief opgebouwde rente) minus kosten aan [bedrijf 2] diende te betalen.

Fortis heeft dat bedrag aan [bedrijf 3] voldaan.

2.9

Crédit Agricole verkeert sinds 26 december 2001 in liquidatie. SRC is benoemd als vereffenaar van Crédit Agricole.

3. De vordering

3.1

De vordering luidt, verkort weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, Fortis te veroordelen om de door Crédit Agricole en SRC geleden schade te vergoeden voortvloeiende uit de betaling door Fortis aan [bedrijf 3] naar aanleiding van het door deze ten laste van [bedrijf 2] op de l/c gelegde beslag, welke vordering nader dient te worden opgemaakt bij staat, met rente en veroordeling van Fortis in de proceskosten.

3.2

Crédit Agricole en SRC hebben aan de vordering - kort en zakelijk weergegeven - de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

(a) Fortis heeft nimmer enige verplichting gehad ten opzichte van [bedrijf 2], althans nimmer de verplichting om aan [bedrijf 3] het bedrag onder de l/c uit te betalen; Fortis was en is nog steeds verplicht om het bedrag aan Crédit Agricole uit te betalen; Crédit Agricole was confirming bank, althans cessionaris van [bedrijf 2];

(b) ten tijde van de beslaglegging op 14 juli 1995 was de l/c reeds vervallen; Fortis had de documenten, die zij hield voor Crédit Agricole, niet aan [bedrijf 1] mogen afgeven;

(c) Fortis heeft betaald aan een niet bestaande partij: [bedrijf 3] is nimmer geregistreerd als vennootschap;

(d) na de beslaglegging was Fortis verplicht haar wederpartijen onder de l/c, Crédit Agricole en/of [bedrijf 2] volledig in te lichten over het beslag en de gevolgen daarvan; dat heeft Fortis nagelaten; Fortis heeft daarentegen de documenten aan [bedrijf 1] doen toekomen, zonder betaling aan Crédit Agricole;

(e) Fortis heeft nagelaten om in de procedure tegen [bedrijf 3] behoorlijk verweer te voeren; Fortis heeft nagelaten om [bedrijf 2] en/of Crédit Agricole formeel in de procedure tussen [bedrijf 3] en Fortis te betrekken en om vertegenwoordigers van [bedrijf 2] en/of Crédit Agricole als getuige te horen;

(f) Fortis heeft nagelaten tegen het vonnis van 10 november 2004 in hoger beroep te gaan;

(g) het handelen van Fortis dient, voor zover dit betrekking heeft op het niet nakomen van verplichtingen jegens Crédit Agricole onder de l/c, te worden aangemerkt als wanprestatie; voor zover Fortis nalatig is geweest waardoor zij aan Crédit Agricole schade heeft toegebracht, dient haar handelen te worden aangemerkt als onrechtmatig.

4. Het verweer

4.1

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Crédit Agricole en SRC in de kosten van het geding.

4.2

Fortis heeft daartoe - samengevat - het volgende aangevoerd:

(a) de vorderingen van Crédit Agricole en SRC zijn verjaard;

(b) Crédit Agricole heeft geen contractueel of buitencontractueel vorderingsrecht jegens Fortis; Crédit Agricole was alleen advising bank; Crédit Agricole is niet opgetreden als negotiating bank en was geen cessionaris van [bedrijf 2]; Fortis had geen zorgplicht jegens Crédit Agricole;

(c) Fortis heeft de documenten met toestemming van [bedrijf 1] geaccepteerd, ondanks de verstreken vervaltermijn en ondanks enige afwijkingen van de documenten; indien de l/c als vervallen moest worden beschouwd, hebben Crédit Agricole en SRC ook geen vordering tot betaling;

(d) de handelwijze van Fortis bij het doorsturen van de documenten aan [bedrijf 1] en na de beslaglegging was geheel geoorloofd;

(e) de houding van Fortis in de verklaringsprocedure tegen [bedrijf 3] was niet onzorgvuldig jegens Crédit Agricole en SRC; datzelfde geldt voor de betaling aan [bedrijf 3], een vennootschap die wel degelijk bestond; een hoger beroep was kansloos geweest;

(f) dat Crédit Agricole en SRC schade hebben geleden is niet aannemelijk;

(g) een veroordeling van Fortis dient niet uitvoerbaar bij voorraad te worden verklaard.

5. De beoordeling

5.1

De l/c bevatten - naast toepasselijk verklaring van de UCP 500 - geen keuze voor een nationaal recht. Nu Fortis dient te worden beschouwd als de partij die de onder de l/c kenmerkende prestatie diende te leveren, zullen de daaruit voortvloeiende verbintenissen (aanvullend) worden beoordeeld naar Nederlands recht.

Het gestelde onrechtmatig handelen van Fortis wordt gesitueerd in Nederland. Ook daarop is Nederlands recht van toepassing.

5.2

Voor zover de vordering van Crédit Agricole en SRC is gebaseerd op een aanspraak van Crédit Agricole tegenover Fortis tot uitbetaling onder de l/c geldt voor die aanspraak een verjaringstermijn van vijf jaar (art. 3:307 BW). Een vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie verjaart ook na vijf jaar (art. 3:310 BW). Deze termijn kan geacht worden te zijn gaan lopen toen Crédit Agricole de documenten aan Fortis toezond met het verzoek over te gaan tot betaling onder de l/c, welk verzoek Fortis op 10 juli 1995 bereikte, dan wel op 14 juli 1995, toen Fortis de documenten aan [bedrijf 1] zond en daarop - ook na daartoe te zijn aangemaand in juli en augustus 1995 - niet betaalde aan Crédit Agricole.

5.3

Vaststaat dat deze verjaring is gestuit door een aanmaningsbrief van 5 november 1996 van de toenmalige Rotterdamse raadsvrouwe van Crédit Agricole. De daarna opnieuw aangevangen termijn van vijf jaar eindigde op 6 november 2001. Niet blijkt dat vóór laatstgenoemde datum door of namens Crédit Agricole een nieuwe stuitingshandeling overeenkomstig de artikelen 3:316 of 317 BW is verricht, noch dat de aanspraak van Crédit Agricole door Fortis overeenkomstig art. 3:318 BW is erkend, zodat de hierbedoelde aanspraak op uitbetaling dan wel vergoeding op die datum is verjaard.

5.4

In de faxbrieven van Fortis aan Crédit Agricole d.d. 22 augustus 2000, 29 september 2000 en 9 oktober 2000 valt geen erkenning van deze aanspraak door Fortis tegenover Crédit Agricole te lezen, terwijl evenmin kan worden aangenomen dat Crédit Agricole de inhoud van die brieven onder de gegeven omstandigheden en al dan niet in samenhang met eerdere gedragingen van Fortis, in redelijkheid aldus mocht opvatten. Deze brieven werden door Fortis geschreven nadat [bedrijf 3] de verklaringsprocedure tegen Fortis aanhangig had gemaakt. Fortis bracht Crédit Agricole daarvan op de hoogte en vroeg haar om opheldering over haar aanspraken. Blijkbaar heeft Crédit Agricole deze brieven niet beantwoord.

Uit die brieven kan ook niet worden opgemaakt dat Fortis en (de raadsvrouwe van) Crédit Agricole waren overeengekomen om de verjaringstermijn op de schorten of te verlengen.

5.5

Ook het standpunt dat Fortis heeft ingenomen in de verklaringsprocedure tegen [bedrijf 3], te weten dat Crédit Agricole, als cessionaris van [bedrijf 2], gerechtigd was tot betaling onder de l/c, kan niet gelden als een tot Crédit Agricole gerichte erkenning van deze aanspraak. In de op 21 oktober 2002 genomen conclusie van antwoord heeft Fortis aangegeven dat zij tegenover [bedrijf 3] het standpunt innam dat Crédit Agricole haar crediteur was en tegenover Crédit Agricole dat zij, totdat nadere opheldering was verstrekt, geen aanspraak had op het geld onder de l/c omdat het risico bestond dat [bedrijf 2] de crediteur was. Tevens bracht Fortis naar voren dat volgens de mededeling van een Kameroense advocaat van Crédit Agricole de rechten uit de l/c door [bedrijf 2] aan Crédit Agricole waren overgedragen.

Die mededeling was voor het eerst gedaan in een brief van 18 mei 2002. In de reactie daarop van 10 juni 2002 had Fortis Crédit Agricole al erop gewezen dat haar aanspraak was verjaard.

5.6

Voor zover de vordering van Crédit Agricole en SRC is gebaseerd op aan Fortis verweten onrechtmatige gedragingen in of omstreeks juli 1995 - met name het na afloop van de geldigheidsduur van de l/c accepteren en doen toekomen van de documenten aan [bedrijf 1], welke documenten Crédit Agricole zelf ter uitbetaling aan Fortis had gestuurd - is daarop eveneens een verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing (art. 3:310 BW). Ook daarvoor heeft te gelden dat - na een tussentijdse stuiting - deze vordering op 6 november 2001 is verjaard.

5.7

Crédit Agricole en SRC hebben geen omstandigheden naar voren gebracht die het oordeel zouden kunnen rechtvaardigen dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.8

Voor zover de vordering van Crédit Agricole en SRC is gebaseerd op aan Fortis verweten onrechtmatige gedragingen tijdens de verklaringsprocedure tegen [bedrijf 3] en daarna door de uitbetaling aan [bedrijf 3], is deze niet verjaard. De vordering kan evenwel niet op deze grondslag worden toegewezen.

5.9

Uit de hiervoor onder 5.4 genoemde brieven uit 2000 en uit de vanaf mei 2002 gevoerde correspondentie tussen (de raadslieden van) Fortis en Crédit Agricole blijkt dat Fortis Crédit Agricole op de hoogte stelde van de vordering van [bedrijf 3] jegens [bedrijf 2], van de aanspraak van [bedrijf 3] op het bedrag van de l/c ingevolge het gelegde beslag en van de verklaringsprocedure die [bedrijf 3] tegen Fortis aanhangig had gemaakt. Crédit Agricole werd geadviseerd om zich in deze procedure te voegen teneinde haar gestelde belangen als rechthebbende onder de l/c te verdedigen. Crédit Agricole heeft dat niet gedaan.

5.10

Overeenkomstig de mededeling namens Crédit Agricole uit mei 2002 heeft Fortis in de verklaringsprocedure het standpunt ingenomen dat de rechten uit de l/c door [bedrijf 2] aan Crédit Agricole waren overgedragen. In een tussenvonnis van 7 juli 2004 heeft de rechtbank Fortis opgedragen het bestaan en de geldigheid van die cessie te onderbouwen. Fortis had aan Crédit Agricole op dit punt om informatie en stukken gevraagd. Crédit Agricole heeft deze echter niet verschaft. Vervolgens heeft de rechtbank bij eindvonnis van 10 november 2004 overwogen dat de gestelde cessie niet was komen vast te staan en dat het door [bedrijf 3] ten laste van [bedrijf 2] gelegde beslag doel had getroffen. In het verlengde daarvan is geoordeeld dat de aanvankelijke verklaring van Fortis als derde-beslagene, dat er geen rechtsverhouding bestond tussen haar en [bedrijf 2] uit hoofde waarvan [bedrijf 2] ten tijde van het beslag iets van Fortis te vorderen had, onjuist was. Fortis moest opnieuw verklaring doen en dienovereenkomstig aan [bedrijf 3] betalen.

5.11

Het verwijt van Crédit Agricole en SRC dat Fortis in de verklaringsprocedure onzorgvuldig is omgegaan met de belangen van Crédit Agricole is misplaatst. Crédit Agricole en SRC hebben zelf onvoldoende gedaan om voor hun belangen op te komen, nog daargelaten dat niet duidelijk is in hoeverre Fortis gehouden was om die belangen tegenover [bedrijf 3] te verdedigen. Er bestond voor Fortis geen verplichting om Crédit Agricole in het geding te roepen (in vrijwaring ?). Ook het niet instellen van hoger beroep tegen het vonnis van 10 november 2004 kan niet worden aangemerkt als een tot schadevergoeding verplichtend onrechtmatig handelen van Fortis.

5.12

Crédit Agricole en SRC hebben verder nog aan hun vordering ten grondslag gelegd dat Fortis ten onrechte heeft nagelaten om in de verklaringsprocedure aan te voeren dat ten tijde van de beslaglegging de geldigheidsduur van de l/c was verstreken zodat zij geen betalings-verplichtingen onder de l/c meer had.

Ook deze stelling gaat niet op, reeds omdat deze onverenigbaar is met het standpunt van Crédit Agricole en SRC dat zij zelf aanspraak hebben op betaling onder de l/c, terwijl Crédit Agricole de documenten eveneens na het verstrijken van de geldigheidsduur aan Fortis had toegestuurd en om betaling had gevraagd.

5.13

Nadat Fortis terzake verweer had gevoerd en producties had overgelegd, is de stelling dat [bedrijf 3] niet bestond niet herhaald. Kennelijk is deze niet gehandhaafd. De rechtbank gaat aan die stelling voorbij.

5.14

De slotsom is dat de vordering van Crédit Agricole en SRC moet worden afgewezen.

Bij het begroten van het advocaatsalaris zal het door hen bij repliek onder 5 genoemde schadebedrag in aanmerking worden genomen.

6. De beslissing

De rechtbank,

wijst de vordering af;

veroordeelt Crédit Agricole en SRC in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van Fortis begroot op € 251,- aan vast recht en op € 10.320,- aan salaris van de advocaat;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr Van Zelm van Eldik.

Uitgesproken in het openbaar.

10.