Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ5468

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-08-2009
Datum publicatie
18-08-2009
Zaaknummer
AWB 09/555 WIA-T2-BRG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is – in lijn met uitspraken van de rechtbanken Assen, ’s-Gravenhage en ’s-Hertogenbosch van respectievelijk 2 januari 2008 (LJN BC1753), 22 december 2008 (LJN BJ1311) en 7 mei 2009 (LJN BI5327) – in zaken als de onderhavige van oordeel, dat ofschoon – naar voortvloeit uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 29 april 2003 (LJN AF8586) en 21 december 2005 (LJN AU8605) – het inschakelen van een gecertificeerde arbodienst de werkgever niet ontslaat van zijn (eind)verantwoordelijkheid voor het naleven van zijn ‘administratieve’ wettelijke verplichtingen, op de werkgever bij het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid geen ‘risico-aansprakelijkheid’ rust ten aanzien van het medische oordeel en advies van een bedrijfsarts. Als uitgangspunt dient daarom te gelden dat de werkgever – die over het algemeen de betreffende medische deskundigheid ontbeert – van het oordeel en advies van de bedrijfsarts uit mag gaan, tenzij er omstandigheden zijn om te twijfelen aan de juistheid of de consistentie daarvan. In het onderhavige geschil is, naar namens verweerder ter zitting ook wel is erkend, van dergelijke omstandigheden niet gebleken. In het bijzonder hebben de berichten van de werkneemster en vanuit de behandelend sector eiseres geen aanleiding hoeven geven tot genoemde twijfel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/555 WIA-T2-BRG

Uitspraak in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rochema Service B.V.,

gevestigd te Bergschenhoek, eiseres,

gemachtigde J.H.C. van Dongen, werkzaam bij Koninklijke Metaalunie te Nieuwegein,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(vestiging Rotterdam), verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 8 januari 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 21 augustus 2008 (hierna: het primaire besluit) ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2009. Namens eiseres waren aanwezig haar directeur [naam directeur] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Roodenburg.

2 Overwegingen

Bij het primaire besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld, voor zover thans van belang, dat de reïntegratie-inspanningen van eiseres jegens haar werkneemster [naam werkneemster] (hierna: de werkneemster) onvoldoende zijn geweest en dat eiseres hiervoor geen deugdelijke grond had. Om die reden is bij dat besluit het tijdvak waarin werkneemster jegens eiseres recht had op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken. Het tegen dit primaire besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Eiseres stelt zich – onder meer – op het standpunt dat zij zich heeft mogen verlaten op de berichten van de werkneemster, van de behandelend sector en van de arbodienst/bedrijfsarts.

De rechtbank oordeelt als volgt.

In artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA) – voor zover thans van belang – is bepaald dat indien bij de behandeling van de aanvraag om uitkering ingevolge de Wet WIA blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, verweerder het tijdvak gedurende hetwelk de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek verlengt met ten hoogste 52 weken, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde reïntegratie-inspanningen kan herstellen.

Blijkens de gedingstukken en in het bijzonder de diverse door verweerder aan zijn besluiten ten grondslag gelegde rapportages van de (bezwaar)verzekeringsarts en de (bezwaar)arbeidsdeskundige, is verweerders standpunt erop gebaseerd dat eiseres in elk geval vanaf 29 mei 2008, de datum dat de werkneemster voorafgaand aan het primaire besluit voor het laatst gezien is door de bedrijfsarts, reïntegratie-inspanningen had moeten verrichten, omdat voor de werkneemster per die datum weliswaar een urenbeperking van vier uur per dag viel te rechtvaardigen, maar zij – anders dan de bedrijfsarts heeft geoordeeld – wel benutbare mogelijkheden had. De volgens verweerder onjuiste beoordeling door de bedrijfsarts wordt eiseres aangerekend en vormt geen deugdelijke grond als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, aldus verweerder

De rechtbank deelt dit standpunt van verweerder niet en is – in lijn met uitspraken van de rechtbanken Assen, ’s-Gravenhage en ’s-Hertogenbosch van respectievelijk 2 januari 2008 (LJN BC1753), 22 december 2008 (LJN BJ1311) en 7 mei 2009 (LJN BI5327) – in zaken als de onderhavige van oordeel, dat ofschoon – naar voortvloeit uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 29 april 2003 (LJN AF8586) en 21 december 2005 (LJN AU8605) – het inschakelen van een gecertificeerde arbodienst de werkgever niet ontslaat van zijn (eind)verantwoordelijkheid voor het naleven van zijn ‘administratieve’ wettelijke verplichtingen, op de werkgever bij het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid geen ‘risico-aansprakelijkheid’ rust ten aanzien van het medische oordeel en advies van een bedrijfsarts. Als uitgangspunt dient daarom te gelden dat de werkgever – die over het algemeen de betreffende medische deskundigheid ontbeert – van het oordeel en advies van de bedrijfsarts uit mag gaan, tenzij er omstandigheden zijn om te twijfelen aan de juistheid of de consistentie daarvan. In het onderhavige geschil is, naar namens verweerder ter zitting ook wel is erkend, van dergelijke omstandigheden niet gebleken. In het bijzonder hebben de berichten van de werkneemster en vanuit de behandelend sector eiseres geen aanleiding hoeven geven tot genoemde twijfel.

Nu eiseres zich heeft mogen baseren op het oordeel en advies van de bedrijfsarts, is de rechtbank van oordeel dat voor zover sprake is van het door eiseres onvoldoende verrichten van reïntegratie-inspanningen, zij daarvoor een deugdelijke grond heeft gehad.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit wegens onjuiste toepassing van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA dient te worden vernietigd, onder gegrondverklaring van het beroep. Uit het hiervoor overwogene volgt tevens dat slechts één besluit op het bezwaar kan worden genomen, zodat de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen bestreden besluit en het primaire besluit van 21 augustus 2008 zal herroepen.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar (bezwaarschrift) en beroep (beroepschrift en zitting) tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt deze kosten in totaal op € 966,-- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en herroept het primaire besluit van 21 augustus 2008,

veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiseres van het door haar betaalde griffierecht van € 288,--,

veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiseres van (totaal) € 966,-- aan kosten in bezwaar en beroep.

Aldus gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Kuil, griffier.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op: 7 augustus 2009.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: