Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ5463

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
18-08-2009
Zaaknummer
320880 / HA ZA 08-3113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongeval ambtenaar; politieagent; afbakening bevoegdheden civiele rechter en bestuursrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0644

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 320880 / HA ZA 08-3113

Uitspraak: 22 juli 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. A.P. Hovinga,

- tegen -

1. de openbare rechtspersoon POLITIEREGIO ROTTERDAM-RIJNMOND,

gevestigd te Rotterdam,

2. de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagden,

advocaat mr. C.C. Jongens.

Eiseres wordt verder aangeduid als "[eiseres]". Gedaagden worden verder gezamenlijk aangeduid als "Politieregio Rotterdam-Rijnmond c.s.", en afzonderlijk als "Politieregio Rotterdam-Rijnmond" en "Achmea".

1 Het verloop van het geding

1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het vonnis in het incident van 19 november 2008 van deze rechtbank, sector kanton, locatie Rotterdam, en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- de conclusie van dupliek van 11 maart 2009, met producties;

1.2 Bij voornoemd vonnis heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard om van het geschil kennis te nemen en de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de sector civiel.

2 Het geschil

2.1 [eiseres] vordert dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

? zal verklaren voor recht dat Politieregio Rotterdam-Rijnmond aansprakelijk is voor alle gevolgen van het ongeval dat [eiseres] overkwam op 19 juni 1997;

? Politieregio Rotterdam-Rijnmond zal veroordelen tot het vergoeden van de schade van [eiseres], inclusief de wettelijke rente en kosten vanaf 19 juni 1997, nader op te maken bij staat;

? Politieregio Rotterdam-Rijnmond zal veroordelen in de kosten van het geding;

? zal verklaren voor recht dat Politieregio Rotterdam-Rijnmond voor deze schade aanspraak kan maken op een uitkering op basis van de toepasselijke aansprakelijkheidsverzekering, afgesloten bij Achmea en dat Achmea gehouden is die uitkering rechtstreeks aan [eiseres] te voldoen.

2.2 Politieregio Rotterdam-Rijnmond c.s. heeft de vordering van [eiseres] gemotiveerd weersproken en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vorderingen, althans tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding, en met verklaring dat de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te dezen te wijzen vonnis.

3 De beoordeling

3.1 Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast:

a. [eiseres], geboren 5 mei 1960, is op 19 juni 1997, terwijl zij in het kader van haar werkzaamheden als politieagente in dienst van Politieregio Rotterdam-Rijnmond deelnam aan een samenwerkingsoefening, een ongeval overkomen (hierna: "het ongeval").

b. Een van het ongeval opgemaakt rapport vermeldt het volgende (productie 1 bij dagvaarding):

"RAPPORT ARBEIDSONGEVAL

PERSOONSGEGEVENS

NAAM : . [eiseres]

ADRES : [adres]

GEB DATUM : [geboortedatum]

DIENSTNUMMER :

AFD/DISTR : [AFD/DISTR]

DATUM EN PLAATS ONGEVAL

Donderdag 19 juni 1997 omstreeks 13.03 uur in de Dojo van sportcomplex Delta Sport, gevestigd aan de [adres 2] te [plaats].

OMSTANDIGHEDEN TIJDENS HET ONGEVAL

Een groep van zeven cursisten, waaronder collega [eiseres], was bezig met de uitvoering van de samenwerkingsoefening in de Dojo van Delta Sport.

De oefening werd uitgevoerd met gebruikmaking van vier lege oliedrums en twee houten balken.

Na het lezen van de opdracht (zie copy) zijn de cursisten daadwerkelijk aan de uitvoering begonnen.

Halverwege de oefening bevonden alle cursisten zich op de tonnen en een balk.

Twee cursisten wilden een tweede balk op een andere ton neerleggen, terwijl zij stonden op een balk, welke steunde op twee tonnen.

De overige cursisten zaten op dezelfde balk en de twee tonnen. Toen enige cursisten hun evenwicht verloren, gleed de balk ook weg en kwamen vijf cursisten ten val vanaf een hoogte van circa 1 meter.

Hierbij wilde collega [eiseres] de val breken met haar handen, waarbij haar linkerpols gebroken was.

[persoon 1], [dienstnummer 1], kwam op zijn nek terecht en klaagt over nekpijn.

[persoon 2], [dienstnummer 2], liep licht letsel op aan de linkerhand.

[persoon 3], [dienstnummer 3], liep licht letsel op aan haar rechtervoet.

[persoon 4], [dienstnummer 4], hield lichte rugpijn over aan de val.

BIJZONDERHEDEN VAN DE VERWONDING

Collega [eiseres] brak haar linkerpols (Ulna).

Tevens had zij een lichte snijwond in haar handpalm, vermoedelijk van haar linkerduimnagel opgelopen tijdens het omslaan van de pols.

MAATREGELEN T.A.V. HET SLACHTOFFER

Pols in Ruwaard van Putten ziekenhuis gezet.

De rapporteur, [persoon 5]

Docent I.B.T. afdeling opleidingen

[adres 3]

[postcode en plaats]"

c. [eiseres] heeft als gevolg van het ongeval blijvende klachten en beperkingen van de linker pols opgelopen.

d. Het ongeval is aangemerkt als dienstongeval.

e. [eiseres] heeft Politieregio Rotterdam-Rijnmond aansprakelijk gesteld voor de door haar als gevolg van het ongeval geleden schade.

f. Achmea, althans een rechtsvoorgangster van Achmea, is de aansprakelijkheids¬verzekeraar van Politieregio Rotterdam-Rijnmond.

g. Achmea heeft namens Politieregio Rotterdam-Rijnmond aansprakelijkheid voor de uit het ongeval voortvloeiende schade afgewezen.

3.2 [eiseres] grondt haar vordering op de stelling dat Politieregio Rotterdam-Rijnmond aansprakelijk is voor haar uit het ongeval voortvloeiende schade. Zij stelt daartoe - kort weergegeven - het volgende. Het ongeval ontstond tijdens een in het kader van het werk opgedragen oefening. Politieregio Rotterdam-Rijnmond is op grond van de wet en de toepasselijke jurisprudentie aansprakelijk tenzij zij aantoont dat zij alles heeft gedaan om te voorkomen dat [eiseres] schade zou lijden, hetgeen niet het geval is. De schade is ontstaan doordat Politieregio Rotterdam-Rijnmond is tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens [eiseres]. De oefening was gevaarlijk. Politieregio Rotterdam-Rijnmond heeft echter nagelaten maatregelen te treffen om het aan de oefening verbonden gevaar te beperken. Als ambtenaar kan [eiseres] vergoeding van de schade vorderen bij de bestuursrechter. Deze zal de aanspraken van [eiseres] dan toetsen aan de civielrechtelijke norm van artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek (BW). Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie vloeit echter voort dat [eiseres] haar schadeclaim ook rechtstreeks kan indienen bij de civiele rechter. [eiseres] verwijst daartoe naar HR 17 december 1999, NJ 2000, 87 (Groningen / Raatgever) en HR 15 november 2002, NJ 2003, 617 (Staat / Zevenbergen).

De vordering jegens Achmea grondt [eiseres] op artikel 7:954 BW (directe actie).

3.3 Politieregio Rotterdam-Rijnmond voert primair het verweer dat [eiseres] niet kan worden ontvangen in haar vordering. Zij stelt daartoe - kort weergegeven - het volgende. De door [eiseres] genoemde arresten hebben geen relevantie voor deze zaak. In de betreffende zaken stond de onrechtmatigheid van het overheidshandelen reeds vast. Dan heeft de burger met betrekking tot de daaruit voortvloeiende schade de keuze of hij de bestuursrechter of de burgerlijke rechter adieert. Over de rechtmatigheid van het feitencomplex dat aan de vordering van [eiseres] ten grondslag ligt, is echter nog geen oordeel ten gronde gegeven. De onrechtmatigheidsvraag moet in dit geval worden beantwoord door de bestuursrechter. Dat vloeit voort uit het publiekrechtelijke karakter van de aanstelling waarbinnen de schadeveroorzakende feiten zich hebben voorgedaan. Slechts nadat de onrechtmatigheid door de bestuursrechter is vastgesteld, kan de vraag naar de (omvang van de) gehoudenheid tot schadevergoeding naar de keuze van de belanghebbende ter toetsing aan de civiele of de bestuursrechter worden voorgelegd.

Achmea voert aan dat de rechtstreekse aanspraak van [eiseres] jegens haar is verjaard.

3.4 Bij conclusie van dupliek beroept Politieregio Rotterdam-Rijnmond zich onder meer op een door haar overgelegd arrest van 16 november 2007 van het gerechtshof te 's-Gravenhage, rolnummer 06/184, tussen [persoon 6] als appellant en de rechtspersoon naar publiek recht Technische Universiteit Delft als geïntimeerde (productie 6 bij conclusie van dupliek). De overwegingen 2.2 en 2.3 van dat arrest luiden als volgt:

"2.2 Het hof stelt bij de beoordeling van de grief voorop dat in het ambtenarenrecht de weigering van een overheidsorgaan om aansprakelijkheid te erkennen bij beweerde beroepsaandoeningen als de onderhavige een appellabel besluit is. Pas als de onjuistheid van die weigering in de bestuursrechtelijke procedure is komen vast te staan, mag en moet de burgerlijke rechter uitgaan van de onrechtmatigheid van dat besluit.

2.3 T.U. Delft heeft haar aansprakelijkheid afgewezen en heeft deze afwijzing na bezwaar gehandhaafd. Dit laatste besluit is onherroepelijk geworden na het ongebruikt verlopen van de termijn voor beroep op de bestuursrechter. Dientengevolge moet het hof als burgerlijke rechter uitgaan van de juistheid van het besluit van T.U. Delft tot weigering van de erkenning van aansprakelijkheid. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat T.U. Delft onrechtmatig heeft gehandeld. De beslissing van de rechtbank tot afwijzing van de vordering is derhalve juist. Grief 1 faalt."

3.5 Voorts beroept Politieregio Rotterdam-Rijnmond zich er bij conclusie van dupliek op dat het bestuursrechtelijke traject inmiddels door [eiseres] is opgepakt. Politieregio Rotterdam-Rijnmond heeft een brief van 6 februari 2009 van [eiseres] overgelegd, in welke brief [eiseres] Politieregio Rotterdam-Rijnmond verzoekt om een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit te nemen omtrent de aansprakelijkheid (productie 7 bij conclusie van dupliek). De inhoud van die brief luidt als volgt:

"Geachte dame, heer,

Op 19 juni1997 raakte ik, werkzaam als ambtenaar bij de regiopolitie Rotterdam Rijnmond, gewond tijdens mijn werkzaamheden. Een en ander is door u als een dienstongeval aangemerkt.

Naar mijn mening bent u als werkgever aansprakelijk voor het letsel wat mij overkwam. Dit omdat u mij aan een oefening heeft laten meedoen (deze was verplicht) zonder adequate veiligheidsmaatregelen te treffen. Omdat er met ondeugdelijk materiaal werd gewerkt kon het gebeuren dat ik ten val kwam waardoor ik blijvend letsel opliep en dienovereenkomstig schade lijdt. Het letsel is overigens nog steeds niet genezen. Binnenkort zal ik nogmaals worden geopereerd en krijg ik een polsprothese geplaatst.

Bij dezen stel ik u uitdrukkelijk aansprakelijk voor de gevolgen van het voorval van 19 juni 1997. Daarbij maak ik niet alleen aanspraak op een vergoeding van de materiële schade maar ook van de immateriële schade alsmede de buitengerechtelijke kosten.

Bij dezen wil ik u dringend verzoeken een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit te nemen conform de Algemene Wet Bestuursrecht waarin u erkent aansprakelijk te zijn voor de gevolgen van dit ongeval en waarin u erkent gehouden te zijn mijn schade te vergoeden.

In afwachting van uw berichten, teken ik,

Hoogachtend"

3.6 Politieregio Rotterdam-Rijnmond heeft bij de conclusie van dupliek van 11 maart 2009 tevens het afwijzende - voor bezwaar vatbare - besluit van 5 maart 2009 overgelegd (productie 8 bij conclusie van dupliek). De inhoud daarvan luidt als volgt:

"Geachte mevrouw [eiseres],

Bij brief van 17 oktober 2008 heeft u uw werkgever, de Politieregio Rotterdam - Rijnmond (hierna: de Politieregio), verzocht over te gaan tot vergoeding van de door u geleden en nog te lijden schade als gevolg van het gesteld onrechtmatig handelen van de Politieregio. De schade zou zijn ontstaan doordat u tijdens een oefening waaraan u als hoofdagent bij de Politieregio op 19 juni 1997 deelnam, ten val bent gekomen en uw linkerpols heeft gebroken. U heeft verzocht hierover een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit te nemen.

Het voorval is aangemerkt als een dienstongeval. U heeft daardoor aanspraak op allerlei rechtspositionele voorzieningen, welke aanspraak u ook geldend heeft gemaakt. Op grond van artikel 54 Besluit Algemene Rechtspositie Politie komen alle kosten van medische behandeling en verzorging voor rekening van de Politieregio, ook die kosten die niet worden vergoed door de zorgverzekeraar. Daarnaast heeft u een uitkering ontvangen van een bedrag van € 11.898,17 op grond van de door de Politieregio collectief afgesloten ongevallenverzekering. U bent na de arbeidsongeschiktheidsverklaring bij de Politieregio in uw herstel en behandeling begeleid en herplaatst in de functie van rechercheur Jeugdzorg, een functie die u nog steeds bekleedt. U heeft daarbij uw loon behouden dat behoorde bij uw rang als hoofdagente. Voor de gestelde restschade heeft u thans een vergoeding gevorderd.

De erkenning als dienstongeval brengt echter met zich dat ook aanspraak bestaat op vergoeding van nog niet vergoede schade. Daarvoor is vereist dat de Politieregio jegens u aansprakelijk is. Dat kan hier niet worden aangenomen, zodat voor vergoeding van eventuele restschade geen aanleiding is. Daartoe dient het navolgende.

Of de Politieregio aansprakelijk kan worden gehouden voor de door u gestelde restschade moet volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep worden beoordeeld aan de norm, die aansluit bij de civielrechtelijke norm van artikel 7:658 BW. Die norm luidt als volgt:

'Voor zover zulks niet reeds voortvloeit uit de op de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten, alsmede voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.'

De vraag die derhalve voorligt, is of de Politieregio de oefening op 19 juni 1997 op zodanige wijze heeft ingericht en zodanige maatregelen heeft getroffen en aanwijzingen heeft verstrekt die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat u in de uitoefening van de werkzaamheden schade lijdt. Bij de beoordeling van die vraag, dient voorop te staan dat de in de rechtspraak geformuleerde norm niet ertoe strekt een absolute waarborg te scheppen, en evenmin ertoe strekt ieder denkbaar risico weg te nemen. De enkele omstandigheid dat het ongeval zich heeft voorgedaan kan om die reden niet tot de conclusie leiden dat de Politieregio reeds daarom haar zorgplicht heeft veronachtzaamd.

De Politieregio is niet tekortgeschoten in het nakomen van de bovenbedoelde verplichtingen. De 'tonnenoversteek', de oefening waarbij u ten val bent gekomen, is een betrekkelijk eenvoudige oefening voor het trainen van enkele basisvaardigheden, die behoorde tot de gebruikelijke opleiding van iedere politie-medewerker. De oefening behoorde - ook al voor 1997 - al geruime tijd tot het lespakket en is daar in gekomen na uitvoerig te zijn getest op haalbaarheid. De oefening is in het verleden al door circa 4000 politiemedewerkers van de Politieregio probleemloos uitgevoerd.

De groep van 7 cursisten, waaronder u, is op de dag van het ongeval begeleid door twee ervaren en gediplomeerde instructeurs, wiens beroep bestond uit het doceren in het kader van de IBT. Deze twee instructeurs zijn beiden aanwezig geweest bij de uitvoering van de tonnenoversteekoefening. Voorts hebben de instructeurs voorafgaand aan de oefening een schriftelijke en mondelinge instructie gegeven aan de cursisten, waarbij op het risico van vallen en de beperkingen van het materiaal is gewezen. Met de 'beperkingen van het materiaal' is overigens niet bedoeld dat het materiaal ongeschikt was om de oefening mee uit te voeren, maar zag op de beperking in kwantiteit van de materialen. Die beperking vormde, zoals hierna zal worden uiteengezet, onderdeel van de oefening.

De oefening vond met 7 deelnemers (8 is het maximum) onder normale omstandigheden plaats in een sportruimte die door de vloer van judomatten was ingericht voor het opvangen van valpartijen. De keuze om op een enigszins zachte ondergrond te werken hield verband met het valrisico dat inherent is aan deze oefening en kan de Politieregio niet worden verweten. De vloer was niet zodanig zacht dat de oefening daardoor niet meer haalbaar was zonder te vallen. Zoals in de volgende alinea wordt toegelicht, was het niet de ondergrond die voor enige instabiliteit zorgde, maar de aard van de oefening en de (eveneens aan de oefening inherente) beperkte hoeveelheid materialen.

De instabiele situatie wordt met opzet gecreëerd om de noodzaak tot samenwerking en communicatie tussen de deelnemers duidelijk te maken en te trainen. De instabiele situatie heeft geen betrekking op de technische staat en de stabiliteit van de gebruikte materialen. De instabiele situatie slaat op de situatie dat deelnemers moeten balanceren op een balk of met meerdere deelnemers tegelijk zich op een klein oppervlak (ton) op moeten houden. Door samenwerking, zoals het elkaar vasthouden en ondersteunen en voorts door communicatie, het geven van aanwijzingen en het planmatig werken, kunnen de deelnemers de situatie meer stabiel maken. Het doel van de oefening is niet de oversteek op zich, maar de groepsdynamische processen die zich tijdens de oefening afspelen, het samenwerken en het communiceren.

De valpartij had derhalve ook plaatsgevonden als de oefening op een volstrekt harde ondergrond had plaatsgevonden.

Er bestonden bovendien geen contra-indicaties voor het uitvoeren van de oefening, of voor uw deelname aan de oefening. Zoals opgemerkt, is de tonnenoversteek een betrekkelijk eenvoudige oefening die ook door onervaren en ongetrainde personen kan worden uitgevoerd en daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Ook het materiaal vormde geen contra-indicatie. Integendeel, de instructeurs hebben het materiaal vantevoren bekeken en in orde bevonden voor het uitvoeren van de oefening. Het materiaal was weliswaar niet nieuw - hetgeen ook niet gebruikelijk is en bovendien niet kan worden verwacht van de politieregio - maar voldeed aan de eisen die daaraan kunnen worden gesteld.

Daarbij zij herhaald dat een valrisico (door instabiliteit en de beperkte hoeveelheid materialen) inherent is aan de oefening en wezenlijk onderdeel daarvan uitmaakt. Het valrisico heeft niets te maken met de ondergrond of de kwaliteit van de materialen, maar met de kern van de oefening: namelijk met in kwantiteit beperkte materialen (2 balken en 4 tonnen) met 7 mensen naar de overkant zien te komen. Op die beperkingen en het valrisico is vantevoren ook gewezen.

Dát valpartijen voorkomen, betekent evenwel niet dat de werkgever voor de gevolgen daarvan aansprakelijk is. Evenmin impliceert het enkele feit dat er een valrisico was verbonden aan de oefening dat de Politieregio haar zorgplicht heeft geschonden. Dat er aan het beroep en de (beroeps)opleiding van politieambtenaar bijzondere risico’s verbonden zijn, is onontkoombaar. De eisen die aan een politieambtenaar worden gesteld, zijn op een aantal punten zwaarder dan de eisen die voor andere ambtenaren gelden. Hierop worden agenten geselecteerd en zijn de aanname-eisen afgestemd. De bijzondere positie van de politieambtenaar vergt intensieve training. De daaraan verbonden risico’s zijn in de rechtspositie verdisconteerd. Die inherente bijzondere risico’s vormen op zichzelf geen grond voor het oordeel dat de Politieregio aansprakelijk is voor de gevolgen van de val.

Gelet op het voorgaande wijs ik uw verzoek tot schadevergoeding af.

Hoogachtend,

de korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond,

namens deze,

[persoon 7]

korpschef

Indien u tegen dit besluit bezwaar wenst te maken, kunt u op grond van de Algemene wet bestuursrecht binnen 6 weken, gerekend vanaf de dag na verzending of uitreiking ervan, een bezwaarschrift indienen. Dit bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en bevat tenminste de gronden van het bezwaar en een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar zich richt. Het is wenselijk tevens een kopie van dit besluit mee te zenden, U dient dit bezwaarschrift te zenden naar: Dienst Personeel & Organisatie ARA-Juridische Zaken, postbus 70023 3000 LD Rotterdam."

3.7 [eiseres] heeft nog niet kunnen reageren op de bij conclusie van dupliek door Politieregio Rotterdam-Rijnmond overgelegde producties. Voorshands lijkt evenwel de conclusie gerechtvaardigd dat [eiseres] alsnog voor de bestuursrechtelijke weg heeft gekozen, vooralsnog kennelijk parallel aan de onderhavige procedure. Het ligt in de rede dat [eiseres] de bestuursrechtelijke weg nu ook zal vervolgen. Immers, de bevoegdheid van de bestuursrechter op dit punt staat noch tussen partijen, noch in de jurisprudentie, noch in de literatuur ter discussie.

3.8 Het komt de rechtbank voor dat geen van partijen gebaat is bij het in rechte moeten voeren van een discussie zoals deze thans in de onderhavige procedure wordt gevoerd over de afbakening van bevoegdheden van enerzijds de civiele rechter en anderzijds de bestuursrechter. De aan een dergelijke discussie verbonden kosten dienen geen maatschappelijk zinvol doel. Het gaat er uiteindelijk om dat [eiseres], ambtenaar en burger, de kernvraag of zij jegens Politieregio Rotterdam-Rijnmond aanspraak kan maken op vergoeding van de door haar als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade in een deugdelijke procedure inhoudelijk kan doen toetsen door een onafhankelijke rechter. Nu het, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in de rede ligt dat die vraag binnen afzienbare termijn alsnog aan de bestuursrechter zal worden voorgelegd, komt het de rechtbank praktisch voor dat partijen - ter besparing van verdere zinloze kosten - deze civiele procedure "parkeren" in afwachting van de afwikkeling van het bestuursrechtelijke traject.

3.9 Indien partijen deze procedure alsnog wensen voort te zetten, dient [eiseres] allereerst de gelegenheid te krijgen zich uit te laten omtrent de bij conclusie van dupliek door Politieregio Rotterdam-Rijnmond overgelegde producties. Voorts dient zij zich dan uit te laten omtrent de eventuele ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan in het bestuursrechtelijke traject, alsmede omtrent de eventuele consequenties die zij daaraan verbindt voor wat betreft de door haar ingestelde eis. Indien deze procedure dient te worden vervolgd, zal dat derhalve in beginsel zijn met een conclusie na tussenvonnis aan de zijde van [eiseres]. Politieregio Rotterdam-Rijnmond c.s. zal daar bij antwoordconclusie na tussenvonnis op mogen reageren.

3.10 De rechtbank zal de zaak thans, op grond van de veronderstelde gemeenschappelijke wens van partijen daartoe, naar de parkeerrol verwijzen. Zodra een van partijen er belang bij meent te hebben dat in deze procedure wordt doorgeprocedeerd, kan die partij de zaak - met inachtneming van een termijn van vier weken - doen opbrengen op de continuatierol voor conclusie na tussenvonnis aan de zijde van [eiseres].

3.11 De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden, ook ten aanzien van het door Achmea gedane beroep op verjaring. De rechtbank merkt naar aanleiding van het verjaringsdebat in het kader van de directe actie (artikel 7:954 BW) nog op dat die discussie voor [eiseres] slechts van praktisch belang lijkt voor het geval Politieregio Rotterdam-Rijnmond geen solvente partij zou zijn. Immers, Politieregio Rotterdam-Rijnmond beroept zich jegens [eiseres] niet op verjaring.

4 De beslissing

De rechtbank,

verwijst de zaak naar de parkeerrol van woensdag 7 april 2010;

verstaat dat de partij die er belang bij meent te hebben dat in deze procedure wordt doorgeprocedeerd de zaak - met inachtneming van een termijn van vier weken - kan doen opbrengen op de continuatierol voor conclusie na tussenvonnis aan de zijde van [eiseres]

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman.

Uitgesproken in het openbaar.

1729/1582