Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ5439

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
18-08-2009
Zaaknummer
278093 / HA ZA 07-387
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding van overeenkomst niet rechtsgeldig nu gedaagde niet in verzuim is geraakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 278093 / HA ZA 07-387

Uitspraak: 22 juli 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[opposant],

gevestigd te Barneveld,

opposant in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. P.C. van As,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CITTÀ ROMANA VASTGOED B.V.,

gevestigd te Hellevoetsluis,

geopposeerde in conventie,

gedaagde in reconventie,

advocaat mr. J.R. Maas.

Partijen worden hierna aangeduid als "[opposant]" respectievelijk "Città Romana".

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- inleidende dagvaarding van Città Romana d.d. 16 november 2006, met producties;

- het door deze rechtbank op 3 januari 2007 onder rolnummer 274503/ HA ZA 06-3425 bij verstek gewezen vonnis;

- verzetdagvaarding d.d. 31 januari 2007, tevens conclusie van eis in reconventie aan de zijde van [opposant], met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 18 juli 2007, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 1 oktober 2007;

- conclusie van antwoord in oppositie in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

- conclusie van repliek in oppositie in conventie, met producties (per abuis aangeduid als: conclusie van dupliek in conventie in oppositie);

- akte uitlating producties aan de zijde van Città Romana d.d. 5 maart 2008;

- de bij gelegenheid van de pleidooien op 3 november 2008 overgelegde pleitnotities.

1.2 Vanwege het vertrek naar een andere sector van de rechter, voor wie de comparitie en de pleidooien zijn gehouden, is zij niet in staat dit vonnis te wijzen.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Città Romana is rechtsopvolgster van de in september 2004 gefuseerde vennootschappen Unikoop 43 B.V., Unikoop 44 B.V. en Unikoop 45 B.V. In Città Romana is de eigendom ondergebracht van 150 huisjes van de in totaal 263 huisjes van het resort Città Romana te Hellevoetsluis. Van genoemde 150 huisjes hebben er 88 een rieten dak (verder: de rieten daken).

2.2 In de eerste helft van 2005 heeft [bedrijf 1] renovatie-werkzaamheden verricht aan de rieten daken in het kader van groot achterstallig onderhoud.

2.3 Na uitvoering van voormelde renovatiewerkzaamheden door [bedrijf 1] heeft laatstgenoemde in een aan Unikoop B.V. gerichte offerte d.d. 8 juli 2005 - voor zover van belang - het volgende geschreven:

“ (…)

Betreft: Onderhoudscontract Rietendaken Città Romana Hellevoetsluis.

(…)

Zoals overeengekomen (..) doen wij u hierbij een voorstel voor het onderhoud van de rietendaken van de huizen van Unikoop BV op resort Città Romana te Hellevoetsluis.

(…)

Contract omschrijving:

*Preventief onderhoud verrichten aan het rietendak

*Het rietendak twee maal per jaar controleren en waar nodig correctief behandelen

*Indien onderhoud en/of reparatie noodzakelijk is zal dit direct zonder verdere extra kosten worden

verricht, tenzij de werkzaamheden langer dan twee uur zullen duren

*In voorkomende gevallen dat werkzaamheden langer dan twee uur zullen duren zal vooraf een

offerte worden opgemaakt en worden toegezonden ter goedkeuring

*Na telefonische melding zullen kleine mankementen zo spoedig mogelijk worden verholpen

*twee maal per vier jaar zal er een behandeling worden uitgevoerd tegen algen- en mosgroei

*Per controle wordt schriftelijk een rapport uitgebracht over de staat van het rieten dak en over de

eventueel uitgevoerde werkzaamheden.

De looptijd van het contract is vier jaar.

In 2007 en 2009 zal er onderhoud worden uitgevoerd.

In 2006 zal naast onderhoud ook worden gespoten tegen alg- en mosgroei, hetgeen in 2008 zal worden herhaald.

(…)

De helft van het verschuldigde bedrag zal in het voorjaar in rekening worden gebracht, de eindafrekening volgt in het najaar. (…)”

2.4 [bedrijf 1] is als gevolg van faillissement op 5 januari 2006 ontbonden. [opposant] is opgericht op 14 februari 2006. [opposant] heeft de hiervoor bedoelde offerte van 8 juli 2005 opnieuw uitgebracht op eigen naam ten behoeve van Città Romana. Città Romana is accoord gegaan met deze offerte. De overeenkomst die aldus tussen partijen tot stand is gekomen, wordt hierna aangeduid als het onderhoudscontract.

2.5 [opposant] heeft middels factuur van 26 april 2006 € 16.329,18, inclusief BTW, bij Città Romana in rekening gebracht. Città Romana heeft deze factuur onbetaald gelaten.

2.6 Bij brief van 5 oktober 2006 is door rietdekker [persoon 1] - voor zover van belang - het volgende aan Città Romana geschreven:

“(…) vrijdag 29 september wij de door u opgegeven panden te Hellevoetsluis geïnspecteerd en beoordeeld op kwaliteit. Bij veel rieten dak is achterstallig onderhoud aanwezig. (…)

Nr. 140. Is al schoongemaakt maar er is nog steeds mos aanwezig. (…)

Nr. 142. Idem

(…)

Nr. 183. Het dak is recentelijk schoongemaakt maar niet goed. (…)”

2.7 In een fax d.d. 10 oktober 2006 heeft [persoon 2], manager kwaliteit & onderhoud van Città Romana, - voor zover thans van belang - het volgende aan [opposant] bericht:

“(…)

Na een ronde over ons park m.b.t. de staat van de rieten daken, moet ik u zeggen dat ik redelijk geschrokken ben.

In sommige gevallen heb ik stellig de indruk dat er bij het reguliere onderhoud van voor de zomervakantie het e.e.a. over het hoofd is gezien. (…) Ik verzoek u vriendelijk, doch dringend, zelf hoogte te nemen van de staat van de rieten daken ten einde te kunnen concluderen of de huidige staat acceptabel is ten aanzien van de periode welke er tussen het grote onderhoud en heden zit (met daarbij contractonderhoud net voor de zomervakantie!)

In afwachting van uw reactie, verblijf ik,

(…)”

2.8 In een brief d.d. 30 oktober 2006 heeft mr. G.M. Kerpestein namens Città Romana aan [opposant] - voor zover thans van belang - het volgende bericht:

“(…)

Cliënte heeft tot haar ontsteltenis moeten vaststellen dat u uw verplichtingen jegens cliënte uit hoofde van de bestaande onderhoudsovereenkomst, ingaande per 1 januari j.l., in ernstige mate niet bent nagekomen. Gebleken is dat er bijvoorbeeld rieten daken tot diep in de constructie nat en verspocht zijn wegens het gedurende langere tijd aanwezig zijn van mos en algen op het riet.

(…)

Namens cliënte bericht ik u dat sprake is van een ernstige wanprestatie jegens cliënte. U zult daarom begrijpen dat voor cliënte elk vertrouwen voor een verdere samenwerking is weggevallen. Hierbij ontbind ik namens cliënte de met u bestaande overeenkomst met onmiddellijke ingang.

Ik houd u namens cliënte aansprakelijk voor de door haar geleden en nog te lijden schade(…).”

2.9 In een brief van 1 februari 2007 schrijft [persoon 3], namens [bedrijf 2] - voor zover relevant - het volgende:

“(…)

Dan de inspectie op 17 januari 2007.

Hierbij is vooral gelet op de staat van onderhoud op dit moment.

Dit was zondermeer teleurstellend. Er was eigenlijk nergens te constateren dat na het groot onderhoud van zomer 2005 ook daadwerkelijk adequaat periodiek onderhoud is gepleegd zoals dit wel de bedoeling was. Mos en alg op het riet was duidelijk aan het terugkeren. De hoeveelheid geeft aan dat hier na de zomer van 2005 niets of vrijwel niets meer is gebeurd. Dat geld voor alle woningen die [opposant] in onderhoud had. Indien [opposant] na de facturen van het groot onderhoud 2005 nog bedragen voor normaal periodiek onderhoud in rekening heeft gebracht kan men zich op basis van het bij de rondgang geconstateerde afvragen wat [opposant] voor deze laatste bedragen heeft gedaan. (…)”

2.10 [persoon 2] schrijft in zijn verklaring van 25 oktober 2007 - voor zover relevant - het volgende:

“(…)

Bij het onderhoudscontract waarin 2 beurten per jaar zijn voorzien voor het onderhouden van met riet bedekte daken, is afgesproken dat er één in het voorjaar en één in het najaar plaats vind.

Nadat in het voorjaar [opposant] bij blijvende afwezigheid diverse malen door mij is gebeld, was er geen enkel teken van onderhoud aan de daken. Uiteindelijk is na vele malen bellen (…) er kontakt geweest waarop ik in juni met hem een afspraak heb gehad op het park. (…) Die maand is [opposant] gelijk begonnen om zijn werk in te halen om voor 1 juli nog klaar te zijn conform de contract afspraak. Dit heeft hij enkele dagen gedaan. Veel verschil in de onderhoudstoestand van de daken heb ik daarna overigens niet kunnen waarnemen. (…)”

3 Het vonnis waartegen verzet

De rechtbank heeft overeenkomstig de eis verklaard voor recht dat de tussen partijen op 8 juli 2005 gesloten onderhoudsovereenkomst is ontbonden, ingaande per 1 januari 2006, alsmede [opposant] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 54.390,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120, lid 2 Burgerlijk Wetboek (verder: BW) vanaf 1 januari 2006 tot aan de dag der voldoening, met veroordeling van [opposant] in de proceskosten.

4 De grondslag van de oorspronkelijke vordering

Aan de oorspronkelijke vordering heeft Città Romana de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

4.1 [opposant] is haar verplichtingen uit het onderhoudscontract niet nagekomen. Vóór oktober 2006 heeft [opposant] nimmer de contractueel overeengekomen controle- en onderhoudswerkzaamheden aan de rieten daken uitgevoerd. Er was daardoor sprake van groot achterstallig onderhoud aan de rieten daken.

4.2 Città Romana had geen vertrouwen meer in een verdere samenwerking met [opposant], die van rechtswege in verzuim was, zodat zij het onderhoudscontract heeft ontbonden. Het feit dat [opposant] in 2006 geen werkzaamheden aan de rieten daken heeft uitgevoerd, rechtvaardigt de terugwerkende kracht van de ontbinding.

4.3 Città Romana heeft het bedrag van € 54.390,- exclusief BTW uit moeten geven om de rieten daken te laten herstellen. [opposant] is aansprakelijk voor deze door Città Romana geleden schade, alsmede voor de daarnaast nog door haar geleden en nog te lijden schade.

5 De eis in oppositie

De eis in oppositie strekt tot vernietiging van het bij verstek gewezen vonnis, althans [opposant] te ontheffen van de veroordeling en tot nietig verklaring van de inleidende dagvaarding van Città Romana met veroordeling van Città Romana bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding.

Daartoe heeft [opposant] - verkort weergegeven en voorzover van belang - het volgende aangevoerd:

5.1 Città Romana heeft het onderhoudscontract rauwelijks ontbonden, zonder [opposant] in gebreke te stellen. Ook anderszins is [opposant] niet in verzuim geraakt zodat het onderhoudscontract niet rechtsgeldig is ontbonden. Voor terugwerkende kracht van de ontbinding is, los daarvan, geen plaats.

5.2 In de maanden juni en juli 2006 heeft [opposant] de eerste helft van de contractuele controle- en onderhoudswerkzaamheden aan de rieten daken verricht, waarbij zij goed werk heeft geleverd. Het tweede deel van deze werkzaamheden heeft Città Romana [opposant] nooit uit laten voeren, zodat de rieten daken nog niet ‘onderhoudsgereed’ waren opgeleverd op het moment van ontbinding van het onderhoudscontract. [opposant] is mitsdien niet tekort geschoten in de nakoming van het onderhoudscontract, althans niet toerekenbaar. Doordat [opposant] niet de tweede helft van de controle- en onderhoudswerkzaamheden heeft kunnen uitvoeren, is er sprake van schuldeisersverzuim aan de zijde van Città Romana.

5.3 Gelet op het vorengaande is [opposant] niet aansprakelijk voor de schade die Città Romana stelt te hebben geleden. Daarnaast geldt dat Città Romana haar schade niet heeft beperkt.

5.4 Voor wettelijke handelsrente is geen plaats nu de vordering van Città Romana geen betrekking heeft op vergoeding van schade als gevolg van vertraging in de voldoening van een geldsom. De wettelijke rente kan bovendien niet worden gevorderd vanaf 1 januari 2006 van verzuim vanaf die datum geen sprake is.

6 Het geschil in reconventie

De vordering in reconventie luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Città Romana:

I primair te veroordelen om aan [opposant] te voldoen de door [opposant] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat danwel subsidiair voor recht te verklaren dat de door Città Romana ingeroepen ontbinding niet rechtsgeldig is geschied en Città Romana te veroordelen om het onderhoudscontract tussen haar en [opposant] na te komen; alsmede

II Città Romana te veroordelen tot betaling aan [opposant] van een bedrag ad € 16.329,18 te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 5 mei 2006 althans van de dag der dagvaarding; alsmede

III Città Romana te veroordelen in de proceskosten.

Città Romana heeft de vordering van [opposant] betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [opposant] in de kosten van het verzet.

7 De beoordeling

In oppositie

7.1 De rechtbank stelt met betrekking tot de door Città Romana gevorderde verklaring voor recht, dat het onderhoudscontract per 1 januari 2006 is ontbonden, en de door haar gevorderde schadevergoeding voorop dat ingevolge de artikelen 6:74 en 6:265 BW aan Città Romana slechts een beroep op ontbinding en schadevergoeding toekomt voor zover [opposant] in verzuim is.

7.2 Ingevolge artikel 6:82 BW treedt het verzuim in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft.

Città Romana heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 2.7 geciteerde fax van 10 oktober 2006 moet worden aangemerkt als ingebrekestelling. Dit betoog faalt, nu de inhoud van deze fax geenszins voldoet aan de formele vereisten van een ingebrekestelling. Immers, [opposant] wordt in dit schrijven noch aangemaand noch een redelijke termijn gesteld om alsnog te presteren.

Tussen partijen is niet in geschil dat de onder 2.8 weergegeven brief, waarmee het onderhoudscontract namens Città Romana is ontbonden, niet als ingebrekestelling kan worden beschouwd.

7.3 Città Romana heeft voorts ter comparitie van partijen betoogd dat het verzuim per 1 juli 2006 is ingetreden ingevolge artikel 6:83 sub a BW, aangezien [opposant] niet een door partijen overeengekomen fatale termijn was nagekomen ten aanzien van het verrichten van de eerste controle- en onderhoudsverrichtingen in 2006. Dit is door [opposant] gemotiveerd betwist. Città Romana heeft zich vervolgens in haar na de comparitie genomen conclusie niet meer expliciet uitgelaten over een fatale termijn. Zij heeft wel herhaald dat de eerste controle- en onderhoudswerkzaamheden van het jaar in het voorjaar moesten gebeuren, in elk geval zodanig dat de rieten daken uiterlijk op 1 juli (aanvang zomervakanties) tiptop waren. In dit kader heeft zij verwezen naar de hiervoor onder 2.10 weergegeven verklaring van [persoon 2]. Voor het geval Città Romana hiermee haar stelling handhaaft dat sprake is van een fatale termijn, geldt dat deze stelling vervolgens door [opposant] gemotiveerd is weersproken in de door haar na de comparitie genomen conclusie. Volgens [opposant] hebben partijen noch in het onderhoudscontract, noch anderszins een termijn bepaald waarvoor de eerste controle- en onderhoudswerkzaamheden moesten zijn verricht. Het was volgens [opposant] aan haar, als uitvoerder van het onderhoudscontract, om te bepalen wanneer zij zou presteren. Voorts wijst zij erop dat de verklaring van [persoon 2] in dit kader niets toevoegt omdat hij niet betrokken was bij het opstellen van het contract tussen partijen. Gelet op deze gemotiveerde betwisting had het vervolgens op de weg van Città Romana gelegen om haar stelling, dat sprake is van een fatale termijn, nader te onderbouwen. Dit geldt temeer nu tussen partijen niet in geschil is dat zij in het onderhoudscontract niet hebben vastgelegd wanneer de (eerste) controle- en onderhoudswerkzaamheden, die [opposant] jaarlijks zou verrichten, moesten zijn voltooid. Città Romana heeft ter gelegenheid van het pleidooi terzake geen (nadere) stelling ingenomen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat Città Romana haar stelling terzake de fatale termijn onvoldoende gemotiveerd heeft gehandhaafd. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat Città Romana bij pleidooi de stelling heeft ingenomen, dat op basis van de tekst en de strekking van het onderhoudscontract van [opposant] in redelijkheid kon worden verlangd dat zij éérder dan eind oktober 2006 de overeengekomen controle- en onderhoudswerkzaamheden zou hebben verricht. Deze stelling valt immers niet te rijmen met de stelling dat sprake is van een fatale termijn.

Uit het vorengaande volgt dat er vanuit moet worden gegaan dat [opposant] niet per 1 juli 2006 in verzuim is geraakt op grond van artikel 6:83 sub a BW.

7.4 Città Romana heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het verzuim van rechtswege is ingetreden, gelet op de aard van het onderhoudscontract en gelet op het verzaken van [opposant] van haar contractuele controle- en onderhoudsverplichtingen in 2006. Città Romana heeft hiertoe aangevoerd dat tussen partijen sprake is van een voortdurende overeenkomst op grond waarvan [opposant] verplicht is controle en preventief onderhoud uit te voeren. In alle redelijkheid kan volgens Città Romana van [opposant] worden verlangd dat de twee jaarlijkse controle- en onderhoudsrondes gelijkelijk over het jaar heen zouden worden verdeeld omdat daarmee het belang van Città Romana was gediend. [opposant] heeft echter tot in oktober 2006 nagelaten controle- en onderhoudswerkzaamheden te verrichten. Op dat moment kon zij haar controle- en onderhoudsverplichtingen van eerder dat jaar onmogelijk alsnog nakomen zodat een schriftelijke aanmaning tot nakoming zinloos zou zijn geweest, aldus Città Romana. [opposant] heeft de stelling van Città Romana betwist. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

7.5 De aard van een voortdurende overeenkomst kan met zich brengen dat wanneer een schuldenaar een uit de voortdurende overeenkomst voortvloeiende verbintenis niet tijdig verricht, deze verbintenis later niet alsnog kan worden nagekomen door de schuldenaar omdat de periode, waarin hij de verbintenis had moeten nakomen, is verstreken. In een dergelijk geval is nakoming blijvend onmogelijk en is de schuldenaar op grond van artikel 6:81 BW in verzuim geraakt. Een ingebrekestelling hoeft in dat geval niet meer te worden uitgebracht omdat dit zinloos zou zijn. Deze situatie doet zich in casu echter niet voor. Gesteld noch gebleken is dat [opposant] de voor 2006 overeengekomen controle- en onderhoudsverplichtingen in oktober 2006 in het geheel niet meer had kunnen nakomen. Dit blijkt reeds uit het feit dat [persoon 1] na oktober 2006 onderhoudswerkzaamheden aan de rieten daken heeft verricht. Volgens Citta Romana waren deze werkzaamheden nodig om de daken in de staat te brengen waar [opposant] voor had moeten zorgen. Hieruit volgt dat [opposant] in of na oktober 2006 haar contractuele controle- en onderhoudsverplichtingen had kunnen nakomen indien zij daartoe in de gelegenheid was gesteld. Dit brengt mee dat niet gezegd kan worden dat een ingebrekestelling zinloos zou zijn geweest. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de terzake gevoerde stelling van Città Romana niet opgaat.

7.6 Tot slot heeft Città Romana zich beroepen op de redelijkheid en billijkheid op grond waarvan volgens haar het verzuim van [opposant] moet worden aangenomen. De rechtbank begrijpt hetgeen Città Romana in dit kader heeft aangevoerd aldus, dat haar stelling is gebaseerd op het gegeven dat [opposant] haar controle- en onderhoudsverplichtingen tot oktober 2006 niet is nagekomen. [opposant] betwist dat zij tot oktober 2006 de contractuele controle- en onderhoudswerkzaamheden niet heeft verricht. Volgens haar heeft zij deze werkzaamheden in juni en juli 2006 uitgevoerd. De rechtbank overweegt als volgt.

7.7 Volgens [opposant] blijkt de juistheid van haar stelling onder meer uit het onder 2.6 weergegeven deel van het rapport van [persoon 1], alsmede uit de fax en de verklaring van [persoon 2] die hiervoor onder 2.7 respectievelijk 2.10 zijn weergegeven.

De rechtbank overweegt dat uit het aangehaalde deel van het rapport van [persoon 1] volgt dat (recentelijk) schoonmaakwerkzaamheden aan de drie betreffende rieten daken zijn uitgevoerd. Nu gesteld noch gebleken is dat een ander dan [opposant] de betreffende rieten daken onderhield, kan uit het aangehaalde rapport van [persoon 1] worden afgeleid dat [opposant] de betreffende schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht. De rechtbank stelt voorts vast dat [persoon 2] in zijn onder 2.7 genoemde fax schrijft dat [o[opposant] voor de zomervakantie regulier onderhoud heeft verricht. Daaruit volgt dat [opposant] werkzaamheden heeft verricht aan de rieten daken. In zijn onder 2.10 weergegeven verklaring schrijft [persoon 2] vervolgens onder meer dat hij in juni 2006 met [opposant] de afspraak had gemaakt dat hij zijn werkzaamheden zou verrichten en dat [opposant] ook die maand is begonnen met zijn werkzaamheden en daar een aantal dagen mee bezig is geweest.

Op grond van de hiervoor aangehaalde stukken kan naar het oordeel van de rechtbank de juistheid van de stelling van [opposant], dat zij in juni en juli 2006 controle- en onderhoudswerkzaamheden heeft uitgevoerd, worden afgeleid. Hetgeen Città Romana aanvoert, ter onderbouwing van haar stelling dat [opposant] tot oktober 2006 geen controle- en onderhoudswerkzaamheden heeft uitgevoerd, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

7.8 Volgens Città Romana wordt haar stelling onderbouwd door de onder 2.10 weergegeven verklaring van [persoon 2]. De rechtbank kan haar hierin niet volgen. Zoals hiervoor is overwogen, onderbouwt deze verklaring namelijk de stelling van [opposant]. De juistheid van de stelling van Città Romana kan er niet uit worden afgeleid. Città Romana kan ook geen steun ontlenen aan de bevindingen van de door haar geraadpleegde deskundigen [persoon 1], [persoon 3], [persoon 4] (uit Woerden) en [persoon 5] (uit Putten), waaruit volgens Città Romana blijkt dat sprake is van achterstallig onderhoud aan de rieten daken. Naar het oordeel van de rechtbank zeggen de bevindingen van de door Città Romana geraadpleegde deskundigen, waarvan de juistheid overigens wordt betwist door [opposant], hooguit wat over de kwaliteit van de controle- en onderhoudswerkzaamheden die [opposant] in 2006 stelt te hebben verricht, maar niet over de vraag óf de werkzaamheden zijn verricht. Dat geldt ook voor de onder 2.9 aangehaalde passage uit de brief van [persoon 3] waarnaar Città Romana heeft verwezen. Volgens [persoon 3] is er in januari 2007 nergens te constateren dat na 2005 ook daadwerkelijke adequaat periodiek onderhoud is gepleegd. Dat wil echter niet zeggen dat er in het geheel geen onderhoud is gepleegd. Daarnaast geldt dat [persoon 3] eerst in januari 2007 de rieten daken heeft bekeken, terwijl [opposant] in juni en juli 2006 haar werkzaamheden stelt te hebben verricht. Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenliggende zomerperiode erg nat was. Voorts heeft Città Romana de ter comparitie gevoerde stelling van [opposant] niet betwist dat na een natte zomer zelfs een geheel nieuw dak in een paar maanden lelijk kan zijn geworden, zodat dat vast staat. Nu uit de brief van [persoon 3] niet blijkt dat hij met dit gegeven rekening heeft gehouden, gaat de rechtbank ook gelet daarop voorbij aan hetgeen hij heeft aangevoerd.

7.9 Voorts heeft Città Romana in het kader van haar stelling, dat [opposant] in 2006 geen controle- en onderhoudswerkzaamheden heeft verricht, erop gewezen dat [opposant] geen rapport heeft opgesteld terzake het door hem gepleegde onderhoud. [opposant] heeft niet betwist dat zij inderdaad geen rapport heeft opgesteld, terwijl dit wel was overeengekomen, maar volgens haar blijkt uit het ontbreken van het rapport niet dat er geen sprake is van het verrichten van controle- en onderhoudswerkzaamheden. De rechtbank volgt [opposant] daarin. Zonder nadere toelichting, die thans ontbreekt, kan uit het enkele ontbreken van een rapportage inmmers niet worden afgeleid dat de werkzaamheden niet door [opposant] zijn uitgevoerd. Dit geldt temeer in het licht van hetgeen in 7.7 is overwogen.

7.10 Città Romana heeft voorts ter onderbouwing van haar stelling aangevoerd dat in 2006 nimmer offertes zijn opgesteld door [opposant] ten behoeve van onderhoudswerkzaamheden die langer dan twee uur in beslag zouden duren. Uit dit gegeven, dat niet betwist wordt door [opposant], kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden afgeleid dat [opposant] in 2006 geen controle- en onderhoudswerkzaamheden heeft uitgevoerd. Uit het onderhoudscontract blijkt immers dat [opposant] slechts in voorkomend geval, dat onderhoudswerkzaamheden aan een rieten dak meer dan twee uur in beslag zullen nemen, een offerte aan zal vragen. Voor alle gevallen waarin dat niet het geval is, hoeft dat mitsdien niet gedaan te worden.

Ter gelegenheid van de comparitie heeft Città Romana aangevoerd dat uit het feit dat [opposant] geen overleg heeft gehad met de receptie blijkt dat geen onderhoudswerkzaamheden aan de daken zijn verricht. Voor het geval Città Romana hiermee doelt op de afspraak een offerte op te stellen bij werkzaamheden die meer dan twee uur in beslag nemen, passeert de rechtbank hetgeen Città Romana heeft aangevoerd. Indien Città Romana hiermee anderszins haar stelling wil onderbouwen dat geen onderhoudswerkzaamheden zijn uitgevoerd, overweegt de rechtbank dat, zonder nadere motivering die ontbreekt, de juistheid van de stelling niet volgt uit hetgeen Città Romana heeft aangevoerd.

7.11 Op grond van het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat Città Romana niet kan worden gevolgd in haar stelling dat [opposant] tot oktober 2006 haar controle- en onderhoudsverplichtingen uit het onderhoudscontract niet is nagekomen. Nu Città Romana geen overige feiten of omstandigheden heeft gesteld, die kunnen leiden tot het oordeel, dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een ingebrekestelling achterwege kon blijven en [opposant] zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt, zal de rechtbank deze stelling van Città Romana passeren.

7.12 Uit het vorengaande volgt dat de stelling van Città Romana, dat [opposant] in verzuim is geraakt, geen stand houdt. Dit betekent enerzijds dat Città Romana het onderhoudscontract niet rechtsgeldig heeft ontbonden en anderzijds dat haar geen beroep op schadevergoeding toekomt. Gelet hierop behoeven de overige stellingen, die Città Romana aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, en de verweren, die daarop door [opposant] zijn gevoerd, geen bespreking meer.

7.13 Het verstekvonnis zal op grond van het vorenstaande worden vernietigd en de betreffende vordering zal alsnog worden afgewezen.

7.14 De vordering van [opposant] in oppositie tot nietigverklaring van de dagvaarding zal worden afgewezen wegens het ontbreken van enige grondslag.

7.15 Città Romana zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de verstekprocedure en de verzetprocedure worden verwezen. De kosten van betekening van de verzetdagvaarding zullen echter voor rekening van [opposant] blijven, nu deze kosten nodeloos zijn veroorzaakt doordat zij in eerste instantie niet is verschenen.

In reconventie

7.16 Nu vast is gesteld dat Città Romana het onderhoudscontract niet rechtsgeldig heeft ontbonden en Città Romana [opposant] niet meer in de gelegenheid heeft gesteld om het onderhoudscontract na te komen, staat daarmee vast dat het Città Romana is die toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van het onderhoudscontract. Città Romana is aansprakelijk voor de schade die [opposant] als gevolg daarvan heeft geleden, welke schade volgens [opposant] bestaat uit haar positieve contractsbelang. [opposant] heeft gevorderd om de door haar geleden en nog te lijden schade nader op te maken bij staat. De rechtbank zal aldus beslissen.

7.17 [opposant] heeft voorts in reconventie betaling gevorderd van de onder 2.5 weergegeven factuur ad € 16.329,18. Deze factuur ziet op de eerste helft van het volgens het onderhoudscontract jaarlijks verschuldigde bedrag. Città Romana betwist de verschuldigdheid van de factuur op grond van het feit dat volgens haar door [opposant] in 2006 geen controle- en onderhoudswerkzaamheden zijn uitgevoerd. Zoals hiervoor is overwogen, houdt dit verweer geen stand. Nu Città Romana geen ander verweer heeft gevoerd tegen de verschuldigdheid van de factuur en de hoogte van de factuur niet heeft betwist, zal het gevorderde bedrag van € 16.329,18 worden toegewezen. Dit geldt ook voor de wettelijke handelsrente waarvan onbestreden is dat deze vanaf 5 mei 2006 is verschuldigd.

7.18 Città Romana zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld, die van haarzelf daaronder begrepen.

8 De beslissing

De rechtbank,

in oppositie,

vernietigt het verstekvonnis van deze rechtbank d.d. 3 januari 2007;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst af de vordering van Città Romana;

veroordeelt Città Romana in de kosten van de verstekprocedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [opposant] begroot op nihil, en in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van [opposant] tot op heden begroot op € 1.195,- aan vast recht en € 4.470,- aan salaris voor de advocaat;

in reconventie,

veroordeelt Città Romana om aan [opposant] te voldoen de als gevolg van de niet rechtsgeldige ontbinding van het onderhoudscontract door [opposant] geleden en nog te lijden schade nader op te maken bij staat;

veroordeelt Città Romana om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [opposant] te betalen het bedrag van € 16.329,18 (zegge: zestienduizend en driehondernegenentwintig euro en achttien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 2 BW over dit bedrag vanaf 5 mei 2006 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt Città Romana in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [opposant] bepaald op € 904,- aan salaris voor de advocaat;

in oppositie en in reconventie,

verklaart dit vonnis voorzover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Witkamp.

Uitgesproken in het openbaar.

2054/1582