Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ4778

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-07-2009
Datum publicatie
07-08-2009
Zaaknummer
10/994806-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Bezwaarschrift ex artikel 262 van het Wetboek van Strafvordering gegrond verklaard, nu er sprake is van een schending van het verdedigingsbelang doordat de officier van justitie de verdachte rauwelijks heeft gedagvaard en niet de onderzoeksresultaten van het reeds eerder namens de verdachte ingediende verzoekschrift ex artikel 36a van het Wetboek van Strafrecht heeft willen afwachten. De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging, zij het dat er in casu sprake is van een herstelbare niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 262, geldigheid: 2009-07-27
Wetboek van Strafvordering 36a, geldigheid: 2009-07-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 248

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/[parketnummer]

Raadkamernummer: [rk-nummer]

Beslissing van de rechtbank te Rotterdam, meervoudige raadkamer, op het op

4 juni 2009 ter griffie van deze rechtbank ingediende bezwaarschrift op grond van artikel 262 van het Wetboek van Strafvordering van:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]1966,

wonende te [adres en woonplaats],

(verdachte).

Het bezwaarschrift is gericht tegen de hem vanwege de officier van justitie in dit arrondissement uitgebrachte dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting van de meervoudige economische strafkamer in deze rechtbank op 13 juli 2009, ten einde terecht te staan terzake van de feiten als vermeld in de dagvaarding.

Van deze dagvaarding is een door de griffier voor kopie conform getekende fotokopie aan deze beslissing gehecht.

Procedure

De rechtbank heeft - naast voormeld bezwaarschrift - gezien:

het dossier van de strafzaak van de officier van justitie in dit arrondissement onder bovenvermeld parketnummer tegen de verdachte.

De rechtbank heeft in besloten raadkamer van 13 juli 2009 gehoord:

de officier van justitie en de gemachtigd raadsman van de verdachte, mr. Th.J. Kelder, advocaat te ‘s-Gravenhage.

De verdachte is, alhoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Inhoud van het bezwaarschrift

De raadsman maakt namens de verdachte maakt bezwaar tegen de tegen de verdachte uitgebrachte dagvaarding, stellende dat primair - zakelijk weergegeven - de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wegens:

- het frustreren van het recht van de verdachte om overeenkomstig artikel 36a van het Wetboek van Strafvordering de rechter-commissaris te verzoeken om een ‘mini-instructie’ te openen en onderzoekshandelingen à décharge te laten verrichten.

De raadsman voert daartoe aan dat de officier van justitie doelbewust de rechten van de verdediging heeft geschonden omdat de verdediging de officier van justitie reeds in een vroeg stadium, namelijk bij schrijven d.d. 5 februari 2009, van de wens tot het verrichten van een mini-instructie op de hoogte heeft gesteld en haar bij schrijven d.d. 16 maart 2009 een concept verzoekschrift ex artikel 36a van het Wetboek van Strafrecht heeft toegezonden.

De verdediging heeft op beide schrijvens telkens geen antwoord mogen ontvangen van de officier van justitie.

De verdediging heeft op 7 mei 2009 bij de rechter-commissaris een verzoekschrift ex artikel 36a van het Wetboek van Strafvordering ingediend.

De rechter-commissaris heeft bij schrijven d.d. 3 juni 2009 aan de verdediging meegedeeld dat het parket weigerde om het procesdossier aan hem af te staan met de mededeling dat het wijsheid was om eerst de geappointeerde (regie)zitting van 13 juli 2009 af te wachten. De rechter-commissaris was daarom niet in staat om een beslissing te nemen op het verzoek tot mini-instructie.

- schending van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

De raadsman voert daartoe aan dat de officier van justitie door de verdachte rauwelijks te dagvaarden voor de zitting van 13 juli 2009, het recht van de verdachte op een eerlijk proces (gelet op de beginselen van ‘adversarial trial’ en ‘equality of arms’) heeft ontnomen door de verdediging niet in de gelegenheid te stellen in de fase voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting onderzoekshandelingen à décharge te laten verrichten.

- handelen in strijd met de beginselen van een goede procesorde door de verdachte prematuur te dagvaarden.

De raadsman voert daartoe aan dat ondanks de herhaalde en onderbouwde wens van de verdediging om in de gelegenheid te worden gesteld onderzoekshandelingen à décharge in het vooronderzoek te doen laten verrichten, dit door de officier van justitie niet werd gehonoreerd en dat door het prematuur dagvaarden van de verdachte een vervolgingsbeslissing werd genomen op basis van een onvolledig en onevenwichtig opgebouwd dossier.

- het anno 2009 huldigen door de wetgever - blijkens het Wetsvoorstel versterking positie rechter-commissaris - van het standpunt dat een sterke positie van de verdediging in het vooronderzoek en een daadwerkelijke mogelijkheid om juist in dat vooronderzoek onderzoek à décharge te verrichten, van belang zijn voor een eerlijke en evenwichtige procesvoering.

De raadsman verzoekt subsidiair de beslissing op het bezwaarschrift aan te houden en de zaak voor nader onderzoek terug te verwijzen naar de rechter-commissaris, teneinde de verdediging alsnog in de gelegenheid te stellen het onderzoek à décharge te laten verrichten.

Bevoegdheid

De rechtbank is bevoegd van het onderhavige bezwaarschrift kennis te nemen, nu het een bezwaarschrift betreft terzake van een vanwege de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam uitgebrachte dagvaarding om voor de meervoudige economische strafkamer in deze rechtbank te verschijnen.

Ontvankelijkheid

De verdachte is in zijn bezwaarschrift ontvankelijk, nu de dagvaarding op 29 mei 2009 op de bij de wet voorgeschreven wijze aan hem is betekend en het bezwaarschrift op 5 juni 2009, derhalve binnen de in artikel 262, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn, is ingediend.

Beoordeling van het bezwaarschrift

De rechtbank overweegt met betrekking tot het bezwaarschrift als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 19 mei 2009 is gedagvaard, zonder dat de rechter-commissaris heeft kunnen beslissen op een door de verdediging op 7 mei 2009 ingediend verzoek tot mini-instructie.

Blijkens de wetsgeschiedenis is de mini-instructie in het strafprocesrecht opgenomen onder meer om de verdediging, door het laten verrichten van onderzoekshandelingen, in staat te stellen invloed uit te oefenen op de beslissing van het openbaar ministerie al dan niet tot (verdere) vervolging over te gaan. De wetgever heeft daarmee de mogelijkheid geopend dat nader onderzoek ingesteld in het kader van een mini-instructie leidt tot de beslissing van het openbaar ministerie een vervolging niet aan te vangen, dan wel een reeds aangevangen vervolging niet verder voort te zetten.

De procedure van artikel 262 van het Wetboek van Strafvordering, het bezwaarschrift tegen de dagvaarding, geeft ook op haar beurt aan een verdachte de mogelijkheid, voordat de zaak ter zitting dient, aan de rechtbank te verzoeken op de in de wet genoemde gronden niet (verder) in een strafrechtelijke procedure betrokken te worden.

In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie om haar moverende redenen de beslissing van de rechter-commissaris op het door de verdediging ingediende verzoek tot het openen van een mini-instructie niet willen afwachten.

De verdachte is rauwelijks gedagvaard. Het gevolg van deze handelwijze is dat het de verdachte niet mogelijk is geweest de officier van justitie, door nieuw en ander onderzoeksmateriaal (verzameld in het kader van een mini-instructie) te presenteren, ervan te overtuigen dat een dagvaarding achterwege zou moeten blijven en daardoor een openbare behandeling van zijn strafzaak te voorkomen.

Door aldus te handelen heeft de officier van justitie een naar het oordeel van de rechtbank wezenlijk processueel verdedigingsbelang, namelijk het belang om niet (verder) in een strafrechtelijke procedure betrokken te raken, geschonden. Ten gevolge daarvan kan de beslissing die de rechtbank moet nemen op het bezwaarschrift slechts gebaseerd zijn op de inhoud van het dossier zoals dat thans luidt, zonder toevoeging van de eerder bedoelde in het kader van een mini-instructie verzamelde onderzoeksresultaten. Een dergelijke schending van een verdedigingsbelang kan niet worden hersteld door het alsnog, na een zogeheten regiezitting, op verzoek van de verdediging laten uitvoeren van nader onderzoek omdat dan de fase waarin de verdachte gevrijwaard zou zijn van verdere vervolging en in het bijzonder van de openbare behandeling van zijn strafzaak reeds gepasseerd is.

Het bezwaarschrift dat door de raadsman van de verdachte is ingediend zal in die zin worden gehonoreerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. De rechtbank meent echter, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 december 1985 (NJ 1986/439) dat er, nu in casu sprake is van een herstelbare niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, geen grond is de verdachte ambtshalve buiten vervolging te stellen. Door thans de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, wordt deze de mogelijkheid geboden de vervolging weer op te vatten als ware de onderhavige dagvaarding nooit uitgebracht. Waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat de officier van justitie in haar dan opnieuw en alsnog te nemen vervolgingsbeslissingen acht zal slaan op de door de verdediging geuite - en door de rechter-commissaris al dan niet te honoreren - wensen in het licht van de artikelen 36a en volgende van het Wetboek van Strafvordering.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het bezwaarschrift gegrond;

- verklaart de officier van justitie ten aanzien van de dagvaarding van de verdachte

voor de zitting van 13 juli 2009 niet-ontvankelijk in de vervolging.

Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 27 juli 2009 door:

mr. Klein Wolterink, voorzitter,

mrs. Van Dijke en Trotman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Lemm, griffier.

Vanwege ontstentenis van de voorzitter en de oudste rechter is deze beslissing door de jongste rechter ondertekend.