Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ4391

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
03-08-2009
Zaaknummer
10/600088-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Rotterdam: PROMIS

Burgerpseudo-verkoopovereenkomst niet wettelijk geregeld toch rechtmatig;

grijs gebied door vrijlaten handel in fenacetine dat al jaren geen legale toepassing in West Europa meer kent, maar wel op grote schaal wordt toegepast als versnijdingsmiddel voor cocaine;

voorwaarde tot verplichting afdracht aan de Staat der Nederlanden van de uit de uitvoering van de overeenkomst voortvloeiende inkomsten niet nageleefd; verzuim te licht voor sanctie.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 10
Opiumwet 10a
Wet wapens en munitie 26
Wet wapens en munitie 55
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/600088-08

Datum uitspraak: 22 juli 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[V2],

geboren op [datum] 1982 te Amsterdam, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres], ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Midden Holland, huis van bewaring De Geniepoort te Alpen aan den Rijn,

raadsman mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 29 en 30 juni 2009 en 2 en 8 juli 2009.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 29 juni 2009 ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. Ten aanzien van feit 2 primair is de gevorderde wijziging toegewezen voorzover het betreft - kort gezegd - de invoer van 1057,8 gram van een middel bevattende cocaïne op 2 mei 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Voor het overige is de onder 2 primair en 2 subsidiair gevorderde wijziging afgewezen.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte het verwijt wordt gemaakt dat hij samen met anderen cocaïne heeft bewerkt en drugshandel heeft voorbereid dan wel bevorderd. Voorts dat hij samen met anderen cocaïne heeft ingevoerd en dat hij meerdere vuurwapens, patroonhouders en munitie in zijn bezit heeft gehad.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Baan heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest.

GELDIGHEID DAGVAARDING

Namens de verdachte is aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit nietig is, omdat dit feit dermate ruim en zo weinig feitelijk is omschreven dat het welhaast ondoenlijk is om zich daartegen te verdedigen.

Dit verweer wordt verworpen. De tenlastelegging voldoet aan de daaraan in artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. In de tenlastelegging is voldoende feitelijk en ook duidelijk omschreven waaruit de voorbereidingshandelingen hebben bestaan. Gedurende het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank overigens niet gebleken dat daarover bij de verdachte onduidelijkheid heeft bestaan of dat hij niet heeft begrepen waartegen hij zich moest verdedigen.

De dagvaarding is geldig.

BEVOEGDHEID RECHTBANK

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Verweer niet-ontvankelijkheid OM

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank (primair) verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de door de officier van justitie met Utraco en KDZ gesloten overeenkomsten ten onrechte burgerpseudokoop/-dienstverlening zijn genoemd; in feite is sprake van burgerpseudoverkoop, zijnde een opsporingsmiddel dat de wetgever uitdrukkelijk heeft willen verbieden. Nu fenacetine geen enkele legale toepassing kent en alleen wordt gebruikt als versnijdingsmiddel, kan niet worden volgehouden dat de verkoop ervan geheel legaal is en is het niet goed te verdedigen dat Utraco wordt gevrijwaard van strafvervolging en – in strijd met de overeengekomen verplichting tot afdracht - de opbrengsten uit de leveranties aan de medeverdachte [V1] mag houden. Verder zijn aan de verdediging ten onrechte stukken onthouden omtrent hetgeen aan het sluiten van de overeenkomsten voorafging; het startproces-verbaal van het FIET biedt hierover onvoldoende informatie. Daardoor is toetsing aan het zogenaamde Tallon-criterium (verbod van uitlokking) niet goed mogelijk. Het valt – aldus de raadman – immers niet uit te sluiten dat Utraco de medeverdachte [V1] op instigatie van het FIET vóór het sluiten van de overeenkomsten al heeft benaderd en heeft uitgelokt tot het plaatsen van bestellingen. Ook zijn ten onrechte stukken van het onderzoek in de zaak “Lotis II” onthouden; deze stukken zouden meer licht hebben kunnen werpen op de herkomst van de CIE-informatie die mede heeft geleid tot het ontstaan van de verdenking tegen [V1]. Ten onrechte heeft de officier van justitie nagelaten een schriftelijk bevel als bedoeld in artikel 126ij, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering op te maken. Hierdoor is het niet mogelijk te toetsen of de eisen die de wet aan de toepassing van dit opsporingsmiddel stelt, zijn nageleefd. Ook is niet gebleken dat aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan. Er is in onvoldoende mate proces-verbaal opgemaakt van de contacten tussen Utraco en de politie, zodat de toepassing van het middel niet te controleren is.

Vaststelling feiten

Bij de beoordeling van dit verweer neemt de rechtbank – op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting – de volgende feiten tot uitgangspunt.

De aanleiding voor het onderzoek in deze strafzaak wordt beschreven in het startproces-verbaal, afkomstig van het Flexibel Informatie- en Expertise Team (FIET) van de Dienst Nationale Recherche, opgemaakt op 27 maart 2008.

In dit proces-verbaal wordt beschreven hoe fenacetine, een pijnstiller die sinds 1984 in Nederland niet meer is toegelaten als geneesmiddel wegens de gezondheidsschade die deze kan veroorzaken, de laatste tijd in zwang is geraakt als versnijdingsmiddel voor cocaïne. In een verhouding van één op één versneden met cocaïne laat fenacetine bij de gebruikelijke tests geen kwaliteitsverlies zien.

Gezien de belangrijke rol van fenacetine in de cocaïnehandel wordt - zo vermeldt het proces-verbaal - inmiddels steeds intensiever gewerkt aan de bestrijding van de illegale fenacetinehandel. In november 2007 brachten medewerkers van de Dienst Nationale Recherche een bezoek aan de firma Utraco Holland BV te Utrecht (Utraco), een bedrijf dat zich onder meer bezighoudt met de handel in farmaceutische grondstoffen. Hierbij kwam naar voren dat Utraco sinds januari 2004 grote partijen fenacetine, maar ook procaïne, cafeïne en boorzuur leverde aan de firma [bedrijf v1] Chemichals and Pharmaceuticals NV. In totaal had [bedrijf v1] inmiddels ongeveer 13.000 kilo fenacetine afgenomen. Als contactpersoon voor [bedrijf v1] trad de medeverdachte [V1] op. Hij betaalde voor de geleverde partijen door middel van kasstortingen. Uit fiscale informatie bleek dat [V1] geen regulier inkomen had en als werkzoekende stond ingeschreven. Voorts bleek dat hij criminele antecedenten had op het gebied van de Opiumwet. Voor aflevering van de partijen aan [V1] schakelde Utraco het koeriersbedrijf KDZ-Express te Utrecht (KDZ) in.

Uit door de politie bij deskundigen - onder wie de apotheker-toxicoloog W. Best, werkzaam als senior-inspecteur bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg - ingewonnen informatie blijkt dat fenacetine, mannitol, inositol, lidocaïne, procaïne en coffeïne (aangeduid als cafeïne) bekende versnijdingsmiddelen zijn voor cocaïne. Voor het versnijden van heroïne worden meestal coffeïne en paracetamol gebruikt. Een opvallend verschil tussen fenacetine enerzijds en de overige genoemde stoffen anderzijds is, dat fenacetine, sinds het uit de handel is genomen als geneesmiddel, in de westerse wereld geen legale toepassing meer kent en eigenlijk alleen nog maar als versnijdingsmiddel voor cocaïne en mogelijk heroïne wordt gebruikt. De overige stoffen worden niet alleen als versnijdingsmiddel, maar ook als zoetstof, hulpstof in frisdranken, of grondstof voor (dier)geneesmiddelen gebruikt. Het verwerken van deze stoffen valt onder regelingen als de (Dier)geneesmiddelenwet en de Warenwet; de handel in en het voorhanden hebben van de genoemde stoffen in onbewerkte vorm is echter vrij, hetgeen volgens Best overigens een onwenselijke situatie oplevert. Naar zijn mening is het onverantwoord dat handelaren in dergelijke stoffen deze in grote hoeveelheden aan particulieren leveren zonder dat de bestemming ervan bekend is. Hij heeft daarbij niet alleen het oog op fenacetine, maar bijvoorbeeld ook op paracetamol, waarvan het gebruik van 20 gram al dodelijk kan zijn.

Op 31 maart 2008 werden door de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) van politie Amsterdam-Amstelland drie processen-verbaal opgemaakt die recente informatie bevatten over “[V1]”, dan wel “[V1]”. Deze persoon zou binnenkort een grote partij cocaïne binnenkrijgen en zou tevens in het bezit zijn van een grote partij versnijdingsmiddelen voor het “opmengen” van cocaïne. Hij zou fenacetine en procaïne verkopen. Deze informatie werd door de CIE in verband gebracht met Remi Aziz Abdoel [V1], geboren op 21 november 1951 te Paramaribo.

Op grond van het startproces-verbaal en de CIE-informatie werd de medeverdachte [V1] als verdachte aangemerkt. Vanaf 3 april 2008 werden bijzondere opsporingsbevoegdheden, zoals telefoontaps en stelselmatige observatie, toegepast.

Aan Utraco en KDZ werd verzocht aan het FIET melding te maken van verzoeken tot levering van farmaceutische grondstoffen door [bedrijf v1]. Op 3 april 2008 meldde KDZ dat zij van Utraco opdracht had gekregen de volgende dag 500 kg fenacetine af te leveren bij [bedrijf v1]. Utraco bevestigde dat de medeverdachte [V1] 500 kg fenacetine had besteld, met het verzoek deze op 4 april 2008 af te leveren. Aan Utraco werd verzocht deze levering doorgang te laten vinden, aan welk verzoek Utraco voldeed.

Op 4 april 2008 sloot de officier van justitie met KDZ een overeenkomst die wordt omschreven als “overeenkomst bijstand door een burger aan de opsporing (burgerpseudokoop/-dienstverlening) als bedoeld in artikel 126ij van het Wetboek van Strafvordering”. Op 11 april 2008 sloot zij met Utraco een zelfde overeenkomst.

In beide contracten werd overeengekomen dat KDZ, respectievelijk Utraco bijstand aan de opsporing zou verlenen. Deze bijstand omvatte onder andere: het (doen) afleveren van farmaceutische grondstoffen, zoals fenacetine en/of cafeïne en/of boorzuur en/of paracetamol en/of procaïne, aan [bedrijf v1] en/of haar vertegenwoordiger [V1]. Als strafbare gedragingen ter uitvoering van de overeenkomst zouden worden toegestaan: het (doen) afleveren en/of vervoeren van hoeveelheden (onder meer) fenacetine en/of cafeïne en/of boorzuur en/of paracetamol en/of procaïne, bedoeld als versnijdingsmiddel voor stoffen van lijst I van de Opiumwet (onderstreping door de rechtbank). KDZ en Utraco namen de verplichting op zich nauwgezet en naar waarheid verslag uit te brengen van hun handelen, waarnemingen en bevindingen ter uitvoering van de overeenkomst aan de door de officier van justitie aan te wijzen opsporingsambtenaren, en – desgewenst – aan de rechter. Verder verplichtten zij zich tot het afdragen van de ter uitvoering van de overeenkomst verkregen inkomsten aan de Nederlandse Staat.

Ter uitvoering van de overeenkomst tot verlening van bijstand hield Utraco de politie op de hoogte van haar contacten met de medeverdachte [V1]. Mede door deze informatie kwam de politie op het spoor van leveringen van partijen fenacetine, paracetamol, cafeïne en procaïne aan [V1] op 14 en 21 mei en 13 juni 2008.

Beoordeling verweer

Toetsbaarheid voortraject

De raadsman van verdachte heeft erover geklaagd dat hij onvoldoende zicht heeft gekregen op de gang van zaken rond de contacten van het FIET met Utraco en KDZ en de met deze bedrijven gesloten overeenkomsten, en dat hij daardoor is belemmerd in zijn recht het opsporingsonderzoek te toetsen op rechtmatigheid. Voor zover hij er in dit verband over klaagt dat de officier van justitie hem ten onrechte stukken heeft onthouden, wordt overwogen dat de rechtbank in pro-formazittingen herhaaldelijk verzoeken tot het toevoegen van stukken betreffende het “FIET-voortraject” of processtukken van de zaak “Lotis II” heeft afgewezen. Dit kan dus niet meer op het conto van de officier van justitie worden geschreven. Ook thans ziet de rechtbank geen noodzaak het onderzoek te heropenen teneinde deze stukken alsnog aan het dossier toe te laten voegen. Zij is van oordeel dat er voldoende zicht op het verloop van het opsporingsonderzoek is verkregen om de rechtmatigheid ervan te kunnen beoordelen. Op de vraag of voldoende verslaglegging heeft plaatsgevonden van de uitvoering van de overeenkomsten zal hierna, onder het hoofdje “uitvoering van de overeenkomsten”, worden ingegaan.

De raadsman wordt niet gevolgd in zijn klacht dat door het ontbreken van zicht op het voortraject niet valt uit te sluiten dat het Tallon-criterium is overtreden. Hiervoor bevat het dossier geen enkele aanwijzing. [V1] nam al jaren lang grote partijen fenacetine en andere stoffen af. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken tussen hem en [naam medewerker Utraco] komt naar voren dat het initiatief tot de aankoop van de grondstoffen geheel bij hem heeft gelegen; Utraco heeft juist steeds leveringen uitgesteld, omdat nog niet (volledig) was betaald. Ook [V1] zelf maakt in het geheel geen melding van initiatieven van Utraco, waardoor hij tot het (weer) plaatsen van bestellingen is overgegaan.

Toelaatbaarheid overeenkomsten Utraco/KDZ

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de met Utraco en KDZ gesloten overeenkomsten niet zijn te kwalificeren als overeenkomsten van burgerpseudokoop of -dienstverlening als bedoeld in artikel 126ij van het Wetboek van Strafvordering. De door Utraco en KDZ te leveren bijstand bestond immers uit het verkopen (en leveren) van stoffen; er is dus sprake van burgerpseudoverkoop. De overeenkomst van burgerpseudoverkoop is niet met zoveel woorden in de wet geregeld. De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog dat dit opsporingsmiddel alleen al om die reden onrechtmatig zou zijn. Op dit punt sluit de rechtbank zich aan bij het oordeel van het Hof te ’s-Gravenhage, zoals neergelegd in de arresten van 29 april 2009, parketnummers 10600040-08 en 10600049-8. Deze arresten, die bij de behandeling van deze strafzaak uitgebreid ter sprake zijn gekomen, zijn gewezen in een (tot op zekere hoogte) vergelijkbaar geval. Ook daar was sprake van een overeenkomst met een leverancier van farmaceutische grondstoffen, waarin de te leveren bijstand werd omschreven als (onder andere) het (doen) afleveren van (onder meer) paracetamol en/of cafeïne en/of fenacetine. Het hof kwam, na een analyse van de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van enige bijzondere bevoegdheden tot opsporing en wijziging van enige andere bepalingen (bijzondere opsporingsbevoegdheden), hierna te noemen de Wet BOB, waarbij onder andere het huidige artikel 126ij is ingevoerd, tot de conclusie dat niet beoogd was in de wet de bijzondere opsporingsmiddelen limitatief op te sommen. Verder leidde het hof uit deze wetsgeschiedenis af dat met de uitdrukkelijk niet in de wet opgenomen en daarmee niet toelaatbare burgerpseudoverkoop werd gedoeld op de verkoop van illegale stoffen, of wapens. Ook bij dit oordeel sluit de rechtbank zich aan. Dit betekent dat de met Utraco en KDZ gesloten overeenkomsten van burgerpseudoverkoop niet op voorhand al als onrechtmatig moeten worden beschouwd, maar dat de rechtmatigheid daarvan aan de hand van alle omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld. Het hof kwam in de genoemde arresten tot het oordeel dat de werkwijze van het openbaar ministerie voor een ieder transparant en toetsbaar was en – nu het ging om een op zichzelf rechtmatige verkoop van zaken die in het gewone handelsverkeer legaal kunnen worden overgedragen – niet onrechtmatig. Aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit was eveneens voldaan, gelet op de contacten tussen het farmaceutische bedrijf en de koper/verdachte. Het hof verklaarde het openbaar ministerie daarom ontvankelijk in de vervolging.

De onderhavige strafzaak verschilt naar het oordeel van de rechtbank op een belangrijk punt van de zaak die aan het hof was voorgelegd. Hoewel de contracten in beide zaken de te leveren bijstand omschrijven als (mede) omvattende de levering van fenacetine, is het in het geval waarover het hof oordeelde niet tot een daadwerkelijke levering van fenacetine gekomen, maar slechts tot levering van paracetamol en cafeïne. In deze zaak gaat het daarentegen wel (mede) om de levering van fenacetine. Anders dan paracetamol en cafeïne kent fenacetine, zoals gezegd, geen enkele legale toepassing in West-Europa, en wordt het praktisch alleen gebruikt als versnijdingsmiddel. Dit roept de vraag op of de strikte scheiding die de officier van justitie aanbrengt tussen de “geheel legale” verkoop van fenacetine door Utraco en het strafbare gebruik ervan als versnijdingsmiddel wel houdbaar is. In dit licht is het begrijpelijk dat de verdediging vraagtekens heeft geplaatst bij de rol van Utraco, en verdient het standpunt van de officier van justitie nuancering.

De rechtbank ziet echter, na afweging van alle omstandigheden van het geval, geen reden om de met Utraco en KDZ gesloten overeenkomsten onrechtmatig te achten, en motiveert dit oordeel als volgt.

Bestrijding van de drugshandel door het volgen van de handel in versnijdingsmiddelen is van betrekkelijk recente datum. De keuze voor deze nieuwe aanpak is voorstelbaar en legitiem. Nu de handel in stoffen als fenacetine niet bij wet is verboden, en het strafrecht pas in het vizier komt zodra er sprake is van (een voornemen tot) versnijden van deze stoffen met verdovende middelen, is de stelling dat de verkoop van dergelijke stoffen legaal is en dat daarom de overeenkomst met Utraco toelaatbaar was op zichzelf juist. Dat Utraco en KDZ, voordat zij in contact kwamen met het FIET, op de hoogte waren van de bestemming van de aan [V1] geleverde stoffen is niet gebleken. De getuige [naam medewerker Utraco], directeur van Utraco, heeft verklaard dat [V1] hem had gezegd dat de grondstoffen waren bestemd voor de export naar Frans Guyana en Suriname, waar ze gebruikt zouden worden als geneesmiddel voor paarden. [V1] had hem wel eens gevraagd in welke vloeistof fenacetine goed oplosbaar was; opgelost in water bleef het er gedeeltelijk in vlokken op drijven, de paarden wilden het zo niet innemen. Naarmate het gebruik van fenacetine als versnijdingsmiddel meer bekend gaat worden bij de leveranciers ervan, zal het voor de hand liggen hun onderzoeksplicht aan te scherpen. Hierbij past ook de overeengekomen vrijwaring van strafvervolging voor strafbare feiten, begaan ter uitvoering van de overeenkomsten: deze ziet op aflevering van grondstoffen “bedoeld als versnijdingsmiddelen voor stoffen van lijst I van de Opiumwet”. Met andere woorden: op het moment dat Utraco en KDZ op de hoogte raken van de bestemming van de af te leveren stoffen als versnijdingsmiddel, worden zij medeplichtig aan overtreding van artikel 10a van de Opiumwet. De vrijwaringsclausule is derhalve niet zonder grond in de overeenkomsten opgenomen. De rechtbank ziet echter in dit geval geen aanleiding de goede trouw van Utraco in twijfel te trekken.

Proportionaliteit en subsidiariteit

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de inzet van de onderhavige pseudoburgerverkoopovereenkomsten aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Gezien de tegen [V1] gerezen verdenking dat hij zich – gelet op de grote hoeveelheid grondstoffen die hij al jaren afnam van Utraco – op grote schaal bezig hield met het versnijden van hard drugs, heeft de officier van justitie in redelijkheid voor dit opsporingsmiddel kunnen kiezen. Daarbij komt dat het niet zozeer de meldingen door Utraco en KDZ van op handen zijnde leveringen, maar veeleer de telefoontaps en stelselmatige observaties waren die een vergaande inbreuk maakten op de persoonlijke levenssfeer van [V1] en zijn medeverdachten. Tijdstip en plaats van de afleveringen zouden naar valt aan te nemen ook (alleen) door middel van het afluisteren van telefoongesprekken en observaties kunnen zijn achterhaald; uit het oogpunt van een efficiënt gebruik van schaarse opsporingscapaciteit is het begrijpelijk dat is gekozen voor meldingen door Utraco en KDZ.

Gelijkheidsbeginsel

De beslissing van de officier van justitie om verdachte en zijn medeverdachten wèl, en Utraco en KDZ niet te vervolgen, kan de redelijkheidstoets doorstaan. Er is immers geen sprake van gelijke gevallen. De verdenking tegen verdachte en zijn medeverdachten zag op het gebruik van de geleverde grondstoffen als versnijdingsmiddel. Zoals overwogen is niet aannemelijk geworden dat Utraco en KDZ van deze bestemming op de hoogte waren voordat zij in contact kwamen met het FIET; voor zover dit na dit tijdstip anders werd vielen hun handelingen onder de vrijwaringsclausule.

Uitvoering van overeenkomsten Utraco/KDZ

Met het oordeel dat de overeenkomsten met Utraco en KDZ op zichzelf niet onrechtmatig zijn, is nog niet de vraag beantwoord of ze ook behoorlijk zijn uitgevoerd. Op die vraag zal hieronder worden ingegaan.

De klacht van de raadsman dat ten onrechte is nagelaten een schriftelijk bevel als bedoeld in artikel 126ij, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering op te maken stuit af op het feit dat dit voorschrift ziet op de overeenkomst van burgerpseudokoop van – zoals hierboven overwogen – illegale stoffen. De hier aan de orde zijnde overeenkomst van burgerpseudoverkoop van legale stoffen is niet in de wet geregeld en is om die reden niet aan wettelijke vormvereisten gebonden.

Wel dient, met het oog op de toetsing van de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek, de toepassing van dit middel voldoende inzichtelijk te worden gemaakt voor verdediging en rechtbank. Naar de mening van de raadsman is daarvan in het onderhavige geval geen sprake; hiervoor is de verslaglegging van de contacten van Utraco en KDZ met de Dienst Nationale Recherche te summier geweest.

In het relaasproces-verbaal van de zaak Farma-Express staat hierover vermeld dat de contacten met KDZ slechts hebben bestaan uit het telefonisch doorgeven van vermoedelijke tijdstippen van aflevering en de kentekens van de voertuigen waarmee werd afgeleverd. Met de medewerkers van Utraco werd daarentegen voortdurend contact gehouden, waarbij alle verrichtingen door Utraco ter uitvoering van de overeenkomst terstond werden gemeld aan het onderzoeksteam. Als bijlage bij het relaasproces-verbaal is een proces-verbaal van bevindingen gevoegd, waarin de contacten met Utraco kort worden beschreven.

De Memorie van Toelichting op de Wet BOB vermeldt over de verslaglegging van het gebruik van bijzondere opsporingsmiddelen (pagina’s 14 en 16) dat van de inzet van een bijzonder opsporingsmiddel altijd proces-verbaal moet worden opgemaakt. Vervolgens hoeven echter niet alle onderzoekshandelingen die in het kader daarvan worden verricht in een proces-verbaal te worden gerelateerd. Met toestemming van de officier van justitie kan worden afgezien van het opmaken van een proces-verbaal, op voorwaarde dat van de betreffende onderzoekshandelingen wel zodanig verslag wordt gelegd dat daarover later ter terechtzitting alsnog verantwoording kan worden afgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval aan de eisen van een behoorlijke verslaglegging is voldaan. Van de uitvoering van de overeenkomsten met Utraco en KDZ is inderdaad slechts summier proces-verbaal opgemaakt, maar dit is gecompenseerd doordat zowel de verbalisanten die betrokken waren bij de uitvoering van de overeenkomsten als de directeuren van Utraco en KDZ een getuigenverklaring hebben afgelegd bij de politie en/of de rechter-commissaris. De verplichting voor Utraco en KDZ om desgewenst aan de rechter verantwoording af te leggen was ook in de overeenkomsten opgenomen. Verder geven de vele afgeluisterde telefoongesprekken tussen [V1] en [naam medewerker Utraco] een goed beeld van het verloop van de contacten tussen Utraco en [V1].

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet duidelijk is geworden waarom Utraco en KDZ hun verplichting tot afdracht aan de Staat der Nederlanden van de uit de uitvoering van de overeenkomsten voortvloeiende inkomsten niet zijn nagekomen. De getuige [naam], teamleider en projectleider van het onderzoek “Lotis I”, heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hierover niet met de officier van justitie is gesproken en dat hij er ook niet bij heeft stilgestaan dat de opbrengst moest worden afgestaan. De officier van justitie heeft in haar requisitoir gesteld dat een dergelijke verplichting tot afdracht vooral is bedoeld voor illegale transacties, terwijl het hier om de verkoop van legale stoffen gaat. Dit laatste zou betekenen dat de in de overeenkomsten opgenomen vrijwaringsclausule zinledig zou zijn. Dat is echter, zoals hiervoor overwogen, zeker niet het geval. Het was dan ook consequent geweest als de officier van justitie Utraco en KDZ zou hebben gehouden aan de overeengekomen verplichting tot afdracht van de opbrengst van alle leveringen die waren gevolgd op hun eerste contacten met het FIET. Dan zou elke onduidelijkheid omtrent hun (groeiende) wetenschap van de bestemming van de stoffen zijn afgedekt.

Conclusie

Zoals hiervoor is overwogen zijn de overeenkomsten met Utraco en KDZ voldoende inzichtelijk geworden om ze te kunnen toetsen op rechtmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit, en kunnen zij deze toets doorstaan. Op het punt van de afdracht door Utraco en KDZ van hun inkomsten is de uitvoering van de overeenkomsten gebrekkig geweest. Hierin ziet de rechtbank echter geen aanleiding het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Daarvoor is het verzuim te licht; het lijkt te zijn veroorzaakt door het grijze gebied dat wordt gecreëerd door het vrijlaten van de handel in grondstoffen die worden gebruikt als versnijdingsmiddel. De verdachte is door het verzuim ook op geen enkele wijze in zijn belangen geschaad. Hoogstens is hierdoor de helderheid van het debat ter terechtzitting over een toch al lastige problematiek niet bevorderd. Het verweer wordt verworpen. Ook overigens zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen gronden voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

BEWIJSUITSLUITING/STRAFVERMINDERING

De raadsman van verdachte heeft (subsidiair) bepleit dat, in geval de door hem gestelde gebreken in de met Utraco en KDZ gesloten overeenkomsten niet tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie zouden leiden, de resultaten van deze overeenkomsten van het bewijs moeten worden uitgesloten. Dat zou betekenen dat verdachte van alle hem tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken.

Dit verweer wordt verworpen. Het hiervoor door de rechtbank geconstateerde verzuim (geen afdracht van inkomsten door Utraco en KDZ) wordt ook voor deze sanctie te licht geacht. Er is geen reden tot bewijsuitsluiting.

Voor de door de raadsman in verband met het verzuim – meer subsidiair – bepleite strafvermindering ziet de rechtbank evenmin aanleiding.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Het onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft dit ook gevorderd, terwijl het eveneens is bepleit door de raadsman.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Door de verdediging is aangevoerd dat er uit het onderzoek onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken op basis waarvan tot een bewezenverklaring van handel in of het bewerken van materiaal bevattende cocaïne kan worden gekomen. Zowel op de [adres 1] als in de [adres 2] zijn blijkens het onderzoek van het NFI sporen van cocaïne aangetroffen, maar door het NFI worden kwantitatieve voorbehouden gemaakt. Het zou om contaminaties kunnen gaan. Bovendien zijn op het adres [adres 1] 29 blokken (van circa 1 kilo) aangetroffen die uitsluitend uit versnijdingsmiddelen bleken te bestaan. In telefoongesprekken werd gesproken over het persen van blokken. Het is daarmee aannemelijk dat de blokken voor echte cocaïne moesten doorgaan, waarmee er geen sprake is van opzet op handelingen in strijd met de Opiumwet maar mogelijk op voorbereidingshandelingen terzake oplichting.

Van het pand [adres 1] zijn door het NFI 18 monsters afkomstig uit de kamer F4 onderzocht; 9 monsters bevatten cocaïne, 7 monsters waren negatief maar bevatten versnijdingmiddelen, 2 monsters hadden een lage concentratie cocaïne en bestonden voor de rest uit versnijdingsmiddelen.

Uit de kamer F6 werden 8 monsters onderzocht, waarvan er 7 cocaïne bevatten. Daaronder bevond zich 1 blok van circa 1 kilo dat op een stoel was aangetroffen en dit blok werd zowel van binnen als van buiten onderzocht. Het 8e monster was negatief en bevatte aluminiumsilicaat.

Tevens onderzocht het NFI 29 blokken van circa 1 kilo uit dit pand (1 uit F4 en 28 uit F6, opgeslagen in een hoek van de kamer). Deze blokken bevatten geen cocaïne, maar wel procaïne (24x), fenacetine (2x), lidocaïne (2x) en een combinatie van fenacetine en lidocaïne (1x).

Van het pand [adres 2] zijn 13 monsters door het NFI onderzocht, afkomstig uit verschillende plaatsen in de woning (3 uit de voorkamer, 4 uit de keuken, 3 uit de badkamer en 3 uit de gang). Van deze monsters bevatten er 5 cocaïne, 4 hadden een lage concentratie cocaïne dan wel bevatten weinig cocaïne en 4 monsters waren negatief (1 bevatte ketamine, 2 coffeïne en 1 koolstof).

De rechtbank stelt vast dat ongeveer de helft van de onderzochte monsters – behalve de 29 blokken uit de [adres 1] – volgens het NFI cocaïne (zonder nadere kwantitatieve restrictie) bevatten, waaruit blijkt dat op genoemde locaties sprake is geweest van handelingen gericht op het (verder) versnijden van (materiaal bevattende) cocaïne.

Genoemde 29 blokken hadden dezelfde uiterlijke verschijningsvorm als het ene ook op dat adres aangetroffen blok dat wel cocaïne bevatte. Door de verdachte zijn verschillende telefoongesprekken gevoerd waarin sprake was van versluierend taalgebruik doch waarover verdachte geen nadere toelichtende verklaring heeft willen afleggen.

Niet valt uit te sluiten dat verdachte en zijn mededaders zich naast het versnijden van cocaïne ook bezig hielden met het maken/leveren van ‘nep’cocaïne. Het verweer dat hun opzet uitsluitend daarop was gericht, wordt echter verworpen.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat enkele van de door de officier van justitie opgesomde bewijsmiddelen, zoals het in bezit van verdachte zijn van sleutels van het pand [adres 1] en van de kamers F4 en F6, alsmede het beweerdelijk aantreffen van zijn dactyspoor op een magnetronplaat in kamer F6 en een DNA spoor op een latexhandschoen, niet redengevend kunnen zijn voor de betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten 1 en 3.

Er zijn alternatieve scenario’s denkbaar. Verdachte kwam regelmatig in het pand maar met hem vele andere personen. Hij was niet de enige die over die sleutels beschikte; zo is onder andere aangegeven dat ene [naam] ingeschreven staat op dat adres, maar niet blijkt dat enig onderzoek naar die persoon is verricht. Het is mogelijk dat verdachte op enig moment een magnetronplaat in de keuken van het pand heeft aangeraakt en dat die magnetron later buiten weten van verdachte naar de kamer F6 is verplaatst. Van het DNA spoor op de latexhandschoen blijkt niet uit het dossier waar die handschoen precies is aangetroffen. Bovendien zijn op de handschoen kennelijk geen sporen van cocaïne of versnijdingsmiddelen aangetroffen en blijft er altijd de mogelijkheid dat verdachte de handschoen ooit heeft aangeraakt of opgepakt en dat er dus sprake is geweest van contaminatie.

Vast staat dat verdachte bij zijn aanhouding in bezit was van een sleutelbos met daaraan een sleutel van het pand [adres 1] en sleutels van de afgesloten kamers F4 en F6 van die woning. Gelet op hetgeen in die kamers is aangetroffen, is aannemelijk geworden dat in die ruimtes cocaïne werd versneden/bewerkt/verwerkt en in elk geval voorhanden was. Verdachte heeft ontkend in de betreffende kamers te zijn geweest. Door de getuige [naam] is in eerste instantie bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte meermalen in de kamers F4 en F6 naar binnen is gegaan. Beide kamers waren altijd afgesloten. Bij de rechter-commissaris heeft deze getuige verklaard dat hij dat niet heeft gezien, maar wel een aantal malen in de woonkamer van de woning was, terwijl verdachte op bezoek kwam. Verdachte kwam bij die gelegenheden niet in de woonkamer, maar [naam] hoorde dan op de gang van de woning dat verdachte met sleutels bezig was. Meestal was dat bij de kamer links naast het toilet (F4), waaruit de getuige opmaakte dat verdachte een of beide afgesloten kamers openmaakte en betrad.

Hoewel ook de rechtbank van oordeel is dat niet valt uit te sluiten dat meerdere personen over sleutels van de kamers F4 en F6 konden beschikken, is uit het onderhavige onderzoek alleen de verdachte [V2] naar voren gekomen in het bezit van sleutels van die ruimtes. Uit deze omstandigheid en de bij de rechter-commissaris nader genuanceerde verklaring van [naam], is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden, dat verdachte de kamers F4 en F6 meermalen heeft betreden.

Daarbij komt dat op een glasplaat van een in kamer F4 aangetroffen magnetron een dacty spoor van verdachte is aangetroffen.

Wat betreft het DNA spoor van verdachte in de latex handschoen bemonsterd aan de binnenkant van handpalm en rugzijde, heeft de rechtbank niet kunnen herleiden waar precies in het pand [adres 1] die handschoen werd aangetroffen. Om die reden kan dit spoor niet meewerken aan het bewijs.

Ten aanzien van de feiten 1 en 3 wordt van het volgende uitgegaan.

[V1] is sinds 20 augustus 1990 directeur van [bedrijf v1] NV (hierna [bedrijf v1]).

Sinds mei 2003 heeft hij namens [bedrijf v1] contact met Utraco Holland BV (hierna Utraco) te Utrecht, een bedrijf dat zich bezig houdt met de internationale handel in chemicaliën, famaceutica en minerale grondstoffen. [V1] kocht bij Utraco fenacetine en andere farmaceutische grondstoffen. Hij betaalde altijd via contante stortingen voordat er geleverd werd. Door de transporteur werden de grondstoffen altijd afgeleverd op een door [V1] opgegeven adres, te weten op diverse adressen in Amsterdam en de laatste tijd meestal op de Transformatorweg in Amsterdam.

Op grond van de door Utraco verstrekte gegevens werd aan [bedrijf v1], dus aan [V1] onder meer afgeleverd: fenacetine, procaïne, cafeïne en paracetamol.

Over dit soort stoffen concludeert het NFI het volgende.

Paracetamol, coffeïne, mannitol en lidocaïne zijn algemeen bekende versnijdingsmiddelen voor verdovende middelen.

De meest aangetroffen versnijdingsmiddelen bij cocaïne-HCl, het zoutzure zout van cocaïne, zijn fenacetine en suikerachtige verbinding/polyolen zoals mannitol, inositol, glucose en/of lactose.

Het meest aangetroffen versnijdingsmiddel bij cocaïnebase, ook wel crack of gekookte coke genoemd, is fenacetine. Daarnaast zijn ook procaïne, lidocaïne, coffeïne en mannitol aangetroffen.

Het meest aangetroffen versnijdingsmiddel voor heroïne is de combinatie van coffeïne en paracetamol.

[V1] erkent dat hij tot aan zijn aanhouding op 26 juni 2008 op naam van [bedrijf v1] meermalen grote hoeveelheden grondstoffen als fenacetine, procaïne, paracetamol en cafeïne heeft gekocht bij Utraco en weer heeft doorverkocht aan klanten van hem. De bestellingen werden altijd afgeleverd via een koeriersdienst, telkens op een door hem opgegeven adres. Hij heeft altijd zelf voor ontvangst van de goederen getekend. De goederen werden bijvoorbeeld afgeleverd bij een loods van Shurgard aan de Transformatorweg in Amsterdam. Shurgard Nederland BV verhuurt sinds 26 november 2006 een opslagruimte aan de Transformatorweg te Amsterdam, unit 0120, aan [naam], wonende [adres] te Amsterdam met als alternatief adres in geval van calamiteiten [V1]. [naam] is de ex-echtgenote van [V1].

[V1] kent [V2] en [V3] en heeft ontmoetingen en telefonisch contact met hen.

Ook kent hij [v4], die aan de [adres] in Naaldwijk woont en een Tabak- en Lectuurshop heeft in Rotterdam.

Op het adres [adres] te Naaldwijk woont [V4]. Uit stukken van de Kamer van Koophandel blijkt dat hij sinds 1 maart 2001 eigenaar is van Tabak- en Lectuurshop [naam], gevestigd aan de [adres] te Rotterdam.

Rond levering 4 april 2008.

[V1] heeft bij Utraco 500 kilogram fenacetine gekocht die op 4 april 2008 wordt geleverd. [V1] geeft aanwijzingen aan de chauffeur waar hij deze bestelling precies moet afleveren, ze zullen elkaar daar zien. Tijdens een observatie wordt gezien dat het busje met de bestelling aankomt bij Shurgard aan de Tranformatorweg te Amsterdam, er worden dozen uit/overgeladen in de garagebox en in een Transitbestelbusje. Vervolgens rijdt dit busje naar Rotterdam, stopt in de [adres] en er worden door meerdere personen dozen uit het busje geladen en binnen gebracht in het perceel op nummer 12b.

Verdachte heeft die dag meermalen telefonisch contact met een persoon die Xhemo wordt genoemd over de aanstaande levering en Xhemo legt, vlak voordat wordt gezien dat [V1] de [adres] inrijdt, uit waar hij heen moet rijden.

Rond levering 14 mei 2008.

[V1] heeft bij Utraco 500 kilogram fenacetine en 100 kilogram cafeïne gekocht en spreekt af dat die goederen op woensdag 14 mei 2008 geleverd zullen worden.

Hij heeft telefonisch contact en ontmoetingen met diverse afnemers, onder wie Xhemo en [V3] van wie later bekend wordt dat deze persoon [V3] is.

Xhemo wil zijn bestelling niet in dozen, maar in blauwe zakken. [V1] moet een busje huren, dozen en tape kopen en de loods betalen. Hij vraagt Xhemo om een voorschot, welk bedrag hij, als het gebracht is, ervan af mag trekken. Op 12 mei 2008 hebben [V1] en Xhemo een ontmoeting in Amsterdam.

Op 13 mei 2008 wordt gezien dat [V1] vanuit een busje een behoorlijk gevulde vuilniszak pakt, met de vorm en kennelijk ook het gewicht alsof deze is gevuld met een aantal kilo’s los zand. Hij levert deze zak af in de flat aan de [adres 2] te Amsterdam. Tien minuten voordat hij deze woning binnen gaat, heeft hij telefonisch contact met [V3], waarin deze zegt dat hij onderweg is naar zijn appartement en [V1] zegt dat hij ook daar naar toe komt. [V3] verbleef in die periode in de woning aan de [adres 2] te Amsterdam.

Op 14 mei 2008 tussen 15.47 uur en 15.57 uur wordt een bestelling van Utraco afgeleverd bij de loods van [V1] bij Shurgard te Amsterdam. [V1] is daarbij aanwezig en vervolgens wordt gezien dat hij wegrijdt in een Citroën bedrijfsauto. Gezien wordt dat er diverse grote blauwe vuilniszakken in deze auto liggen.

Vervolgens belt [V1] om 16.31 uur naar Xhemo met de mededeling dat hij vanaf 11 uur heeft staan wachten, maar dat hij er nu aankomt. In Rotterdam hebben ze telefonisch contact, [V1] ziet Xhemo staan en hij komt eraan.

[V1] en Xhemo ontmoeten elkaar op het Kruisplein te Rotterdam, waarna zij beiden naar de [adres] te Rotterdam rijden. Voorts haalt [V1] vier blauwe vuilniszakken uit de laadruimte die in de portiekhal van de flat waarin die woning is gevestigd, worden neergezet, waarna Xhemo ze voor de voordeur van de woning zet.

Rond levering 21 mei 2008.

Op 19 mei 2008 heeft [V1] een bestelling geplaatst bij Utraco, het gaat hierbij om 100 kilogram caffeïne, 200 kilogram paracetamol en 500 gram fenacetine.

Deze bestelling, bestaande uit vaten en dozen, wordt op 21 mei 2008 afgeleverd aan de Transformatorweg te Amsterdam, alwaar [V1] een opslagruimte huurt. Vervolgens worden in de loods vaten geopend en wordt de inhoud overgepakt in blauwe vuilniszakken. Vier vuilniszakken en dozen worden vervolgens achter in een witte bestelauto geplaatst, waarmee [V1] en een bijrijder wegrijden. De bestelauto wordt gevolgd. Op de [adres] in Rotterdam wordt door de bijrijder één blauwe vuilniszak uit de bestelauto gehaald en in de garage van dat pand geplaatst. Uit een daaropvolgend afgeluisterd telefoongesprek blijkt dat [V1] het spul heeft afgeleverd bij een vriend van Xhemo en dat er nog betaald moet worden. Vervolgens rijdt [V1] door naar het adres [adres] te Naaldwijk, de woning van [V4] met wie hij vlak voor aankomst heeft gebeld om te zeggen dat hij er aan komt. Uit de woning komt een manspersoon en de bestelbus en een auto rijden vanaf het adres [adres] te Naaldwijk naar het industrieterrein Noordergors te Hoek van Holland ter hoogte van loods 9, 11 of 13. Een kwartier later rijden beide auto’s weer weg.

De loods aan de [adres] op het industrieterrein Noordergors te Hoek van Holland is van [V4] en hij heeft deze ruimte aan [V1] ter beschikking gesteld om spullen in op te slaan.

Ook [V2] heeft meermalen telefonisch contact met [V1] over dozen die hij nodig heeft. In een later gesprek hebben ze het erover dat de prijzen al gaan naar 2500 euro per doos. Later wordt erover gesproken dat veel mensen vragen om dozen, aangezien er een crisis aankomt in verband met de Olympische Spelen en de stoffen moeilijk te krijgen zullen zijn. De verdediging heeft gesteld dat het in deze gesprekken niet over dozen ging maar over “doksa”, een Hindoestaans gerecht. Gelet op de inhoud van bovenstaande telefoongesprekken is dit niet aannemelijk geworden.

Rond levering 13 juni 2008.

Op 12 juni 2008 heeft [V1] op naam van [bedrijf v1] bij Utraco een bestelling geplaatst van 13 kilogram procaïne, die kon worden afgeleverd op het adres [adres] in Amsterdam. Deze bestelling wordt op 13 juni 2008 afgeleverd op dit adres. [V1] heeft vervolgens de bestelling hier opgehaald en afgeleverd bij iemand die ervoor betaald heeft. Gezien wordt dat [V1] nadat het pakketje is afgeleverd naar Rotterdam rijdt en dat de auto vervolgens geparkeerd staat aan de [adres]. Vlak voordat [V1] arriveert, belt hij met [V4] die zegt dat hij in de zaak is en op [V1] zit te wachten en even later belt [V1] naar [V4] met de vraag of hij de deur voor hem open wil doen. Aan de [adres] te Rotterdam is de winkel van [V4] gevestigd.

[adres 1] te Amsterdam.

Op 26 juni 2008 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in het pand [adres 1] te Amsterdam. In deze flatwoning werden in twee kamers, benoemd F4 en F6, diverse goederen aangetroffen geschikt voor het mengen, versnijden en persen van cocaïne in diverse vormen zoals bolita’s, kiloblokken en zeepjes. Er waren diverse mallen, stempels (waaronder een stempel met 2007), persen, een vacuümmachine, enkele teilen met brokken en poeders, een weegschaal, een koffiemolen, zeven en pannen, een mixer en 29 blokken van 1 kilogram met een sterlogo “converse”. Ook werden er kilozakken met lidocaïne, fenacetine en coffeïne aangetroffen. Van diverse poeders en de op voornoemde voorwerpen aangetroffen substanties uit deze kamers zijn monsters genomen, welke zijn onderzocht door het NFI. Het bleek in meerdere gevallen om cocaïne te gaan.

In kamer F6 werd op een stoel een blok geperst materiaal met logo “converse” van 1020 gram aangetroffen (code F06.03.009B) en voor onderzoek naar het NFI gestuurd. Het NFI heeft zowel de binnenzijde als de buitenzijde van dit blok onderzocht en geconcludeerd dat het cocaïne bevat.

In kamer F4 werd 1 pakket en in kamer F6 werden 28 pakketten met samengeperst wit poeder aangetroffen. Alle pakketten zagen er soortgelijk uit en hadden allemaal een opdruk in de vorm van een ster “converse”. Ieder blok woog rond de kilo en van elk blok is een monster genomen en naar het NFI gestuurd voor nader onderzoek. 24 pakketten bevatten procaïne, 2 bevatten fenacetine, 2 lidocaïne en 1 pakket bevatte zowel fenacetine als lidocaïne.

Op 26 juni 2008 is de verdachte [V2] in een auto aangehouden. In deze auto werd een sleutelbos gevonden met daaraan sleutels die pasten op de voordeur van het pand [adres 1] te Amsterdam. De twee kamers F4 en F6 in die woning konden ook worden geopend met sleutels aan deze sleutelbos. [V2] heeft een sleutel van dit pand en kwam er meerdere keren per week.

In kamer F4 van dit pand is op een glasplaat van een magnetron een afdruk gevonden van de rechter ringvinger van verdachte [V2].

De firma Vetter BV te Amsterdam heeft voor [V1] diverse mallen, stempels en andere vormen gemaakt, waaronder mallen en stempels aangetroffen op het adres [adres 1] te Amsterdam.

[V1] en [V2] hebben telefonisch overleg over het gebuik van een stempel 2 0 0 7, die ingedrukt moet worden. [V1] heeft meermalen contact met [V3] over de stempel. [V3] moet de 2007 niet vergeten, hij moet hem gebruiken, omdat de mensen het anders niet afnemen.

In kamer F4 van het pand [adres 1] te Amsterdam werden papiertjes (een (1) in stukjes gescheurd) aangetroffen en een schrijfblok met daarop onder andere handgeschreven getallen en berekeningen. Gelet op de plaats waar deze zijn aangetroffen is het aannemelijk geworden dat deze betrekking hebben op verhoudingen voor het versnijden van cocaïne met andere stoffen en berekeningen van prijzen en de opbrengst.

Taps/observaties.

[V2] is een vriend van [V1]. Hij herinnert zich gesprekken met [V2] over mengen, structuur en level. [V1] kent [V3] ook. [V2] bevestigt dat hij [V1] kent en dat hij regelmatig contact met hem heeft.

[V3] bevestigt dat hij [V1] kent en telefonisch contact met hem heeft.

Op 4 april 2008 verzendt [V1] een sms naar een Surinaamse aansluiting inhoudende dat het ding niet hard wordt en dat hij dus even geduld moet hebben tot morgen.

Op 5 april 2008 hebben [V1] en [V2] gesprekken over een ontmoeting nabij de gasfabriek, en over het feit dat [V1] een blok van 900 zal brengen. Wanneer [V1] [V2] vraagt naar beneden te komen, wordt zijn telefoon aangestraald in de buurt van de [adres 1] te Amsterdam, in de directe omgeving waarvan tevens is gelegen de Westergasfabriek.

Op 24 april 2008 hebben [V1] en [V2] een gesprek over hoe lang het drogen duurt, over het feit dat ze het overdag maken en dat het drogen de hele nacht is en dat het altijd beter is om ‘s avonds te drogen.

Op 26 april 2008 tussen 12.15 uur en 19.22 uur belt [V1] twaalf keer met [V2]. Gesproken wordt over dat hij ze mooi maakt en over 2007, los van elkaar. [V1] is samen met [V3]. [V2] vraagt of ze al begonnen zijn en [V1] zegt hierop dat ze met proeven bezig zijn. Tijdens dit telefoongesprek voert [V1] een gesprek met [V3} en vraagt of het beter zal gaan als [V3] andere krijgt. [V2] begrijpt dat het om de structuur gaat. De structuur is belangrijk. [V1] zegt tegen [V2] dat hij nog niet kan gaan rijden als het nat is, dan krijgt het een andere structuur, het moet nog even drogen. [V2] vraagt hoe lang het nog duurt. [V1] zegt dat als je 8,50 gaat doen, de verhouding toch weer anders is. Ten tijde van dit telefoongesprek wordt de telefoon van [V1] aangestraald op de zendmast in de [adres] in Amsterdam, in de directe omgeving van de [adres 2].

Op 27 april 2008 vertelt [V2] via de telefoon aan [V1] dat hij het wel voor hem kan maken, dat hij de structuur ook krijgt. Hij kan ervoor zorgen dat het 7 punt 5 wordt en dat je dan ongeveer 100 hebt. [V2] zegt ook dat hij die cijfers erop moet hebben; die vier cijfers moeten ze niet vergeten. [V1] belt [V3] met de mededeling dat hij de 2007 niet moet vergeten.

Op 4 mei 2008 bellen [V1] en [V2] met elkaar. [V1] zegt dat hij er al zo lang mee bezig is en dat het nog moet drogen. Tijdens dit gesprek zegt [V1] tegen iemand anders: “We’re gonna finish everything, it’s better you do it [V3], my friend”.

Op 8 mei 2008 stuurt [V1] het volgende sms bericht naar [V2]: “Ben, ik kan het nog niet brengen. Hij krijgt het niet wit, is donkerder geworden dan die vorige. Hij had die samenstelling van mix verkeerd ingeschat.

Op 13 mei 2008 spreken [V1] en [V2] met elkaar. [V1] heeft spul gevonden dat hij aan [V2] wil laten zien. Het spul heeft een beetje een crème-ige kleur. [V2] bevestigt dat hij dat zoekt voor de “contino”. [V1] kan het hem laten zien.

Een half uur later, om 15.43 uur wordt gezien dat [V1] uit de achterbak van een auto een behoorlijk gevulde vuilniszak pakt, met de vorm en het gewicht alsof deze is gevuld met een aantal kilo’s zand. Hij gaat het pand aan de [adres 2] te Amsterdam binnen. Om 16.04 uur komt hij weer naar buiten zonder iets in zijn handen.

Om 19.15 uur gaat [V1] met een witte plastic tas met zwarte en rode letters het portiek 99a t/m 101f aan de [adres 1] te Amsterdam binnen en om 19.50 uur verlaat hij dit pand weer.

Op 27 mei 2008 belt [V1] met [V3] met de mededeling: “Je zult wel caf nodig hebben”. [V3] bevestigt dit. [V1] zal het dan meenemen, hij heeft een drum met 25 erin en een nieuwe voor 2000, maar [V3] moet dan wel meteen betalen. [V3] onderbreekt hem en vraagt of ze niet beter kunnen praten en zegt er over tien minuten te zijn.

Op 29 mei 2008 belt [V1] met [V2]. [V1] staat voor de deur en [V2] zegt dat hij er bijna is. De telefoon van [V1] straalt tijdens dit gesprek een drietal zendmasten aan, alle in de nabije omgeving van de [adres 1] te Amsterdam.

Op 25 juni 2008 belt [V1] met [V2] met de mededeling dat hij er één gaat terugbrengen, want hij dreigt een beetje te geel, maar die andere is wel goed. [V1] vraagt [V2] of hij drie Malboro kan maken. [V2] bevestigt dit en hij weet wat hij moet doen.

Conclusies.

Uit het bovenstaande blijkt dat er tussen [V1] en [V2] in de periode van 4 april 2008 tot en met hun aanhouding op 26 juni 2008 meermalen contact is geweest. Uit de inhoud van de afgeluisterde telefoongesprekken, de observaties en hetgeen is aangetroffen in de betreffende panden kan worden afgeleid dat zij zich bezig hielden met het bereiden, verwerken en bewerken van cocaïne met versnijdingsmiddelen en daartoe voorbereidingshandelingen hebben verricht. [V1] leverde de versnijdingsmiddelen aan.

[V2] was werkzaam in het pand aan de [adres 1] te Amsterdam.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Feit 1

hij op tijdstippen in de periode van 4 april 2008 tot en met 26 juni 2008 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, in een pand op het adres [adres 1] te Amsterdam telkens opzettelijk heeft bereid en verwerkt en bewerkt hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 3

hij op tijdstippen in de periode van 4 april 2008 tot en met 26 juni 2008 te Rotterdam en Amsterdam , in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden of te bevorderen,

opzettelijk

- voorwerpen, en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

hebbende verdachte en/of een of meer van verdachtes mededader(s) meermalen,

telkens

- hoeveelheden fenacetine en procaïne en cafeïne en paracetamol besteld en/of afgenomen en/of vervoerd en/of opgeslagen en bewerkt en/of verwerkt en voorhanden gehad en

- persen en krikken en mallen en stempels en weegschalen en keukenmengmachines en ballonnen en teilen en zeven en pannen en een vacuümmachine en een hotbox, zijnde goederen om cocaïne mee te bewerken en/of te verwerken, voorhanden gehad.

Feit 4.

Aangezien de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit, zoals hierna bewezen verklaard, op de zitting heeft bekend, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

1. De bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 29 juni 2009;

2. Een amtsedig proces-verbaal van de Nationale Recherche d.d. 3 juli 2008, zaaksdossier Schorpioen, vanaf pagina 49;

3. Een ambtsedig proces-verbaal document 0806261824.DKZ met bijlagen, sectie C van het beslagdossier, vanaf pagina 22.

4. Ambtsedige processen-verbaal van de Nationale Recherche d.d. 30 juni 2008, onderzoek vuurwapens, zaaksdossier Schorpioen, vanaf pagina 59, pagina 69, pagina 75, pagina 81, pagina 95, pagina 101, pagina 103, pagina 107, pagina 109, pagina 112, pagina 114 en pagina 116.

Gelet op de inhoud van deze bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 26 juni 2008 te Amsterdam een of meer wapens van categorie I of II of III te weten :

- een Glock, type 17k 9mmx19

- twee maal een SIG, type 552-1 Commando

- een Glock, type 26k 9mmx19

- drie maal een BBM, type 315 auto k

- een Star, type 1920 9mmx7

- tweeëntwintig patroonhouders

- twee pistoollopen

- drie geluiddempers

en (bijbehorende) munitie, te weten zevenhonderdveertien, patronen, van categorie II of III voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

3. Medeplegen van om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.

4. (geluiddempers) handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

en

(overige wapens) handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

en

(munitie) handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van het bewerken van cocaïne èn aan het daadwerkelijk bewerken van cocaïne. De verdachte heeft in een woning in Amsterdam voorwerpen, zoals mixers, weegschalen, persen en mallen, en stoffen zoals fenacetine, cafeïne, paracetamol en procaïne, zogenaamde versnijdingsmiddelen, voorhanden gehad voor het voorbereiden van het bewerken van cocaïne en heeft cocaïne bewerkt met versnijdingsmiddelen.

Hij heeft aldus de verspreiding van verdovende middelen bevorderd en hierdoor tevens bijgedragen aan de met de handel in en verspreiding van verdovende middelen gepaard gaande vermogens- en andere criminaliteit. Bovendien is cocaïne een voor de volksgezondheid gevaarlijke stof. De volksgezondheid wordt daarmee ernstig in gevaar gebracht.

Tevens was de verdachte in het bezit van een aantal vuurwapens, patroonhouders, pistoollopen en geluiddempers en honderden stuks munitie. Of de lezing van de verdachte omtrent de herkomst hiervan juist is, heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen, maar die doet voor de straftoemeting ook niet ter zake. Dit geldt eens te meer omdat, zoals verdachte zelf heeft verklaard, hij ervoor heeft gekozen deze wapens en aanverwante artikelen jarenlang in zijn bezit te houden en zelfs van het ene naar het andere adres te verhuizen.

Het illegaal voorhanden hebben van (vuur)wapens met de daarbij behorende munitie is een ernstig delict waar streng tegen wordt opgetreden. Het kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengen en een gevoel van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken. Verdachte heeft daaraan bijgedragen.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat verdachte, zoals blijkt uit het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 29 juni 2009, eerder is veroordeeld voor het uitgeven van vervalste bankbiljetten. Verdachte is niet eerder voor overtreding van de Opiumwet of de Wet wapens en munitie veroordeeld. Hierin wordt aanleiding gezien de voorgenomen gevangenisstraf enigszins te matigen.

De raadsman is van mening dat de eis van de officier van justitie disproportioneel is en bepleit, voor het geval de rechtbank het openbaar ministerie ontvankelijk verklaart en de verdachte niet wordt vrijgesproken, een straf gelijk aan het voorarrest. Voor het voorhanden hebben van de wapens kan naar de mening van de raadsman niet meer dan een jaar gevangenisstraf worden opgelegd en met betrekking tot de andere twee feiten gaat het om een korte periode en is niet van handel in de verdovende middelen gebleken. Er zijn geen afnemers in beeld gekomen, noch grote sommen geld aangetroffen.

De rechtbank is van mening dat de eis van de officier van justitie te hoog is.

Het gaat om een relatief korte periode. Er zijn grote hoeveelheden versnijdingsmiddelen door medeverdachte [V1] gekocht, maar niet aannemelijk is geworden dat de gehele hoeveelheid door de verdachte is bewerkt of verwerkt. [V1] had meerdere afnemers. Gelet op bovengenoemde omstandigheden legt de rechtbank een lagere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegend acht de rechtbank na te noemen straf passend en geboden.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen wapens, pistoollopen, geluiddempers, patroonhouders en munitie te onttrekken aan het verkeer.

De rechtbank beslist als volgt.

De navolgende in beslag genomen goederen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

- twee automatische geweren, merk Sig, voorzien van volle patroonhouders;

- een vuurwapen, merk Glock 26;

- een automatisch pistool merk Glock 17;

- drie pistolen BBM, type 315 auto;

- een pistool merk Star 1920;

- twee pistoollopen merk FN HP;

- drie geluiddempers;

- tweeëntwintig patroonhouders;

- 702 stuks munitie, zijnde kogelpatronen.

Het ongecontroleerde bezit ervan is in strijd met de wet.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 55 lid 1 en 55 lid 3 onder a van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de dagvaarding geldig;

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van vierentwintig (24) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

verklaart onttrokken aan het verkeer:

- twee automatische geweren, merk Sig, voorzien van volle patroonhouders;

- een vuurwapen, merk Glock 26;

- een automatisch pistool merk Glock 17;

- drie pistolen BBM, type 315 auto;

- een pistool merk Star 1920;

- twee pistoollopen merk FN HP;

- drie geluiddempers;

- tweeëntwintig patroonhouders;

- 702 stuks munitie, zijnde kogelpatronen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Kaaij, voorzitter,

en mrs. Franken en Derkx, rechters,

in tegenwoordigheid van Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juli 2008.

Bijlage bij vonnis

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

FEIT 1

hij,

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 april 2008 tot en met 26 juni 2008 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(in een pand op het adres [adres 2] te Amsterdam en/of [adres 1] te Amsterdam) (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of verwerkt en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 onder B en C jo. artikel 10 Opiumwet)

(Farma-express en Haute Cuisine)

FEIT 2

hij,

op of omstreeks 2 mei 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, 1057,8 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 onder A jo. Artikel 10 Opiumwet)

FEIT 3

hij,

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 april 2008 tot en met 26 juni 2008 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Naaldwijk, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland

brengen van een of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden of te bevorderen,

opzettelijk

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te

doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn

of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of

inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen

en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen gelden of andere betaalmiddelen

voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden

dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

hebbende verdachte en/of een of meer van verdachtes mededader(s) meermalen,

althans eenmaal, (telkens)

- een of meer (versluierde) telefoongesprek(ken) gevoerd met betrekking tot

het bestellen en/of afnemen en/of vervoeren en/of opslaan en/of bereiden en/of

bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren van een of meer

hoeveelhe(i)d(en) fenacetine en/of procaïne en/of cafeïne en/of paracetamol

en/of boorzuur, zijnde (een) middel(en) om cocaïne mee te bereiden en/of te

bewerken en/of te verwerken en/of met betrekking tot het bestellen en/of

afnemen van een of meer mal(len) en/of bak(ken) en/of stempel(s) en/of

(pers)blok(ken), zijnde (een) goed(eren) om cocaïne mee te bereiden en/of

bewerken en/of verwerken en/of

- een of meer ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het bestellen en/of

afnemen en/of vervoeren en/of opslaan en/of bereiden en/of bewerken en/of

verwerken en/of verkopen en/of afleveren van een of meer hoeveelhe(i)d(en)

fenacetine en/of procaïne en/of cafeïne en/of paracetamol en/of boorzuur en/of

- een loods gehuurd/laten huren (onder meer ten behoeve van de opslag van

voornoemde partijen fenacetine en/of procaïne en/of cafeïne en/of paracetamol

en/of boorzuur) en/of

- een of meer hoeveelhe(i)d(en) fenacetine en/of procaïne en/of cafeïne en/of paracetamol en/of boorzuur en/of piracetam en/of cysteïne besteld en/of afgenomen en/of vervoerd en/of opgeslagen en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of voorhanden gehad en/of

- een of meer aanwijzing(en) en/of instructie(s) gegeven en/of laten geven

over de wijze van bereiding en/of bewerking en/of verwerking van cocaïne en/of

fenacetine en/of procaïne en/of cafeïne en/of paracetamol en/of

- een of meer pers(en) en/of krik(ken en/of mal(len) en/of stempel(s) en/of

weegscha(a)l(en) en/of keukenmengmachine(s) en/of ballon(nen) en/of teil(en)

en/of ze(e)(f)(ven) en/of pan(nen) en/of een vacuümmachine en/of een hotbox,

zijnde (een) goed(eren) om cocaïne mee te bewerken en/of te verwerken,

voorhanden gehad;

(artikel 10a Opiumwet)

(Farma-Express en Haute Cuisine)

FEIT 4

hij

op of omstreeks 26 juni 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie I en/of II en/of III te weten althans een of meer, vuurwapen(s) (merk(en):

- een Glock, type 17k 9mmx19

- twee maal een SIG, type 552-1 Commando

- een Glock, type 26k 9mmx19

- drie maal een BBM, type 315 auto k

- een Star, type 1920 9mmx7

- tweeëntwintig patroonhouders

- twee pistoollopen

- drie geluiddempers

en/of (bijbehorende) munitie, te weten achthonderveertien, althans een aantal patronen. van categorie II en/of III voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 2 jo 26 jo 55 Wet wapens en munitie)

(Schorpioen)